Skip to main content

Full text of "De Dollard of geschied, aardrijks en natuurkundige beschrijving van dezen boezem der Eems"

See other formats


De Dollard of geschied, - 
aardrijks- en natuurkundige ... 

Goswin Acker Stratingh, 
Gerard Azings Venema, CA. Venema 



Google 



Digitized by GoogI 



Digitized by GooqI 



Digitized by GooqI 



DE DOLLARD 




OF 



(JKSCHÏ m .\ A Hl) H 1-1 k S- ft \ N AT! 1 1 ' li l\ I \ |) | ( ; r 
BESCHRUYfNi; VAN DKXEN liOKZKM UKH KKMH- 



door 



Jledic rI l'fnlo.sonli VaimDom . 



u ^ 



[.ld cfet- iVov.n, Staten . Bui^emeentttr pn-trroii<has«neJiU4|kort<! Winschot 




De Vi.s.sdier met zijn krailp op den Dollard, hl iTO . 

. Digitized by Google 



BIBLIOTHECAJ 
MOKACENSIS, 



V O O KB li R I G T. 



Met een enkel woord mcenen wij den Lezer te moeten inleiden tot 
het werk , dat wij hierbij het genoegen hebben aan het publiek aan 
te bieden. 

De bouwstoffen voor dit werk waren reeds grootendeels voor eeni- 
gen tijd , sommige zelfs voor jaren , door elk van ons beiden afzon- 
derlijk bijeenverzameld en zoo, dat de een zich meer bij de geschie- 
denis of den voormaligen toestand van den Dollard , de andere zich 
bij den tegenwoordigen staat van dezen boezem had bepaald. Toe- 
vallig wederkeerig hiervan kennis hebbende bekomen en de zaak ter 
sprake gebragt zijnde bij het Bestuur van het hier gevestigde 
Genootschap ter bevordering der Natuurkundige Wetenschappen, 
besloten wij, op aanmoediging vooral van dat Bestuur, het een en 
ander gezamenlijk nader te bewerken, tot een geheel te brengen en 
dit alzoo uit te geven. 

Zoo toevallig en ongezocht, mogen wij zeggen, verkreeg dit werk 
zijn aanzijn. Veel bragt hiertoe ook bij de belangstelling, die men 
van meer dan eene zijde in dezen boezem en deszelfs binnendijking 
betoonde, alsmede de gedachte, dat, naarmate met dien boezem de 
overblijfselen en blijken van zijnen voormaligen toestand meer en 
meer verdwenen, het des te wenschelijker werd, om ze voor de 
vergetelheid te bewaren. 



Digitized 



VI 



Ons doel was alzoo in de eerste plaats, als liet ware, een Ge- 
denkboek zamen te stellen, waarin wij ons en onze nazaten zich 
nog , als er eenmaal geen Dollard meer bestaat , in die tijden zouden 
hunnen verplaatsen , toen hij nog niet ivas, voor den geest kunnen 
stellen, hoe hij ontstond en weder verdween, hoe beurtlings land in 
water en water in land werd herschapen; maar wij wenschten in de 
tweede plaats ook dat water en land zelve, zooals beiden nu bestaan, 
in eenige bijzonderheden te doen kennen, zoodat de beschrijving 
daarvan niet slechts dienstig mogt geacht worden te zijn voor den 
bewoner dier streek of voor hen, welke meer onmiddellijk belang 
daarbij hebben of daarin stellen, maar ook meer algemeen voor de 
kennis van onzen vaderlandschen bodem en de veranderingen, welke 
deze heeft ondergaan en nog ondergaat, als waarvan de Dollard- 
bodem zulk een merkwaardig voorbeeld oplevert 

Dit een en ander is dan ook in 't kort de inhoud van dit werk, 
en wij hebben gemeend, dien des te aanschouwelijker en duidelijker 
te moeten maken, door de bijvoeging van de noodige kaarten en 
teekeningen, die wel is waar den jirijs aanmerkelijk moesten doen 
verhoogen, doch in nog meerdere mate de waarde daarvan zouden 
doen stijgen. Zoo zal men met ons ook wel de plaatsing van de 
voor de geschiedenis van den Dollard belangrijke oude, meerendeels 
wel gedrukte , maar verspreide , deels nog ongedrukte gedenkstukken , 
als Bijlagen , achter het werk voor niet ongepast beschouwen en 
waardig, om ze daarbij en aldus bijeen te bewaren. 

Schoon nu de een van ons meer de voormalige, de ander meer 
de tegenwoordige gesteldheid van den Dollard heeft bewerkt, zoo 
kan evenwel dit werk van elk onzer in zoo ver ook als beider ge- 
zamenlijk werk beschouwd ivorden , als ieder over en weer het zijne 
daartoe heeft bijgebragt. Wij hebben daarbij echter misschien niet 
geheel kunnen vermijden , wat natuurlijk van zoodanige verschillende 
bewerking het gevolg is, namelijk verschil hier en daar in stijl. 

Wij moeten niet nalaten te melden , dat wij voor de zamenstelling 
van onzen arbeid hier en daar veel aan anderen verschuldigd zijn, 
vooral door terhandstelling of aanwijzing van verschillende stukken 
en het opgeven van plaatselijke bijzonderheden. In het werk zelf 
zal men de blijken daarvan aantreffen, terwijl wij hier, niet wel in 
het bijzonder personen en zaken kunnende opgeven , in het algemeen 
onzen hartelijken dank daarvoor betuigen. — Onder de gedrukte 



Digitized by Go 



VII 



bronnen hebben wij tot aanwijzing van vele aangehaalde oorkonden 
niet eerder dan in de Bijlagen gebruik kunnen maken van het nieuwe 
Register van het Archief van Groningen , door Mr. H. O. feith , 
Archivarius der Prov. Groningen, I, 1853, en II, 1854, daar 
reeds vóór de uitgaaf daarvan ons werk voor een groot deel afge- 
drukt was, hebbende de voltooijing van het laatste gedeelte en van 
de kaarten, door omstandigheden, tot ons leedwezen, nog al eenige 
vertraging ondergaan en alzoo ook de uitgaaf zelve van het werk. 
Deze opheldering meenden wij te moeten geven aan hen, die het al 
eerder verwacht hadden. 

Wij hebben ons ook nog te verontschuldigen wegens eenige feilen , 
die , niettegenstaande de zorg aan de bewerking en correctie besteed , 
er in zijn gebleven of geslopen, vooral in de opgaaf van cijfers. 
Wij hebben getracht dit goed te maken , door de verbeteringen ach- 
ter het werk te voegen. Wij hadden gehoopt met de uitgaaf van 
onzen arbeid nog te hebben kunnen berigten , dat het plan van eene 
nieuwe indijking van den Dollard intusschen bepaald icas geworden , 
of dat althans de beletselen, daartegen bestaande, zooals o. a. het 
geschil met Hannover over de grensscheiding, uit den weg geruimd 
waren. Deze zaak schijnt echter haar volledig beslag nog niet te 
hebben bekomen. 

En hiermede zij verder deze onze arbeid aan den Lezer aanbe- 
volen, in de hoop, dat dezelve niet geheel zijne verwachting moge 
te leur stellen. 

GbO.WGEN, i Januarü 1855. 
Winschoten, ) 

DE SCHRIJVERS. 



Digitized by Go< 



„ Nicht auf dem Boden deiner Erde wandelst du , armer 
„ Mensch , sondern auf cinem Dach deines Hauses , das 
„durch yiele Ucberschwemmuugen erst t.n dem werden 
„ konnte , was es dir jetzt ist." 

J. G. von Herder. 



INHOUD 



EERSTE AFDEELING. 

De voormalige staat en geschiedenis van den Dollard. 

EERSTE HOOFDSTUK. 

dchets van de in den Dollard vergane landstreek en van den 
loop der rivieren door dezelve. 

Benaming van den Dollard, bl. 1. — Vroegere Schrijvers over 
het ontstaan daarvan, emmius en anderen, bl. 2, 3. — Oude 
kaarten van het in den Dollard verdronken land, bl. 3—7. — 
Beschrijving van dit land, bl. 7. — Dc loop der rivieren door 
hetzelve, de Ee en Tjamme, bl. 8—13. — Het Huninga meer , bl. 

14 — 15. — De Termunter Ee en hare takjes, de Zijpe enz., bl. 

15— 20. — De westelijke tak of Zijpe, bl. 20. — Vroegere vaart 
tusschen de Stad en het Oldambt, bl. 21, 22. — Vermeende 
oude loop der Eems door Reiderland, bl. 22—25. — Verklaring 
der genoemde riviernamen, Aant. bl. 25—27. 

tweede hoofdstuk. 

Beschrijving van de plaatsen, in den Dollard vergaan. 

Aantal daarvan, bl. 26—28. — A. Plaatsen ten westen de Ee 
en ten noorden de Tjamme gelegen : 



Digitized 



X 



a. In Reiderland : Westerreide , bl. 29 , 30. — Homburg , bl. 
30. — Tijsiveer, Stokdorp, Zanddorp, Hakkelsum, bl. 31. — 
Saxurn , Hermenswolde , Saxwnerwolde , Wijndeham , Ockeweer , bl. 
32, 33. — Reidenoolde, Kappeldebeerde , Palmar, bl. 34 — 36. — 
Megenham, bl. 36. — Golthorn, bl. 37, 38. 

b. Plaatsen ia het Oldambt: Zwaag, As tok , bl. 38, 39. — 
Beerta niet, bl. 39, 40. — Menterwolde, bl. 41 — 45. — Fimel, 
Baamsum, beide veel verminderd, bl. 45, 46. — Oud Midwolde, 
bl. 46, 47. — Oud Scheemda, bl. 47. — Oud Meeden, bl. 47, 
48. — Zuid- en Noordbroek ook verplaatst, bl. 48. — Oostwold 
en Finserwolde wel desgelijks, bl. 48, 49. — Oostfinserwolde ge- 
heel vergaan, bl. 49, 50. 

B. Plaatsen tusschen de Tjam en de Ee of in het Osnabrugsche 
Reiderland gelegen: Wijndeham, bl. 50, 51. — Haijkeweer, Do~ 
nellen, bl. 51. — Torperen, bl. 51—54. — Meerhuizen, Markhui- 
zen , Hovingagast , bl. 54. — Stoksterhuis , Oud-Exterhuis , bl. 55. — 
Beerta en Winschoten weinig veranderd , doch Blijham wel geheel 
verplaatst, bl. 56. 

C. Plaatsen ten oosten van de Ee gelegen: Oosterreide, bl. 57, 
58. — Lutgerskerk, bl. 58. — Beda, Jansum, Liede, Berum, Fle- 
tum, bl. 59. — Nesse, Wilgum, bl. 60. — Peterswolde, Torum, 
Uiterpawing, bl. 61. — Duvelee, Uiterbeerte , Oosterbeertc , Garme- 
den, bl. 62. — Homingeham, Blijham, bl. 62, 63. — Winemeer , 
Harkenborg, Medum, Bundergartenij , Exterhqf, bl. 64, 65. — 
Bellingioolde en Vriescheloo verplaatst, bl. 65. — Twijfelachtige 
plaatsen, bl. 66. 

Vergane plaatsen aan de Eems in Oostfriesland, bl. 66, 67. 

DERDE HOOFDSTUK. 

Het ontstaan en de vorming van den Dollard. 

Oorzaken daarvan, bl. 68. — Eerste inbraak in 1277 en an- 
dere, bl. 70—73. — Zinking van den bodem, daarby ook ver- 
ondersteld, bl. 73, 74. — Verdere uitbreiding van den Dollard 
door herhaalde vloeden, verzuim en inlandsche oorlogen, bl. 
74—80. — Bedijking daartegen in 1454, bl. 81, 82. — Door- 
braak daarvan in 1507 en vervolgens, bl. 83, 84. — Bedijking 
in 't Oldambt van 1545, bl. 85—87. — Allerheiligenvloed van 
1570 en volgende , bl. 88. — Bedijking aan de Oostfriesche zijde , 
bl. 89, 90. — Grootste uitgebreidheid van den Dollard, door 
den grond aangewezen, bl. 91. — Langzamerhand alzoo ont- 
staan, bi. 91—93. — Verandering daardoor in den loop der 
Eems voorbij Emden en verder ontstaan, bl. 93, 94. — Invloed 
van de inbraak op het overgebleven Reiderland, bl. 95, 96. 



Digitized by Go 



XI 



VIERDE HOOFDSTUK. 

Geschiedenis van de indijkingen en van den wederaanwas van 
land aan den Dollard, in verband tevens beschouwd met 
de veranderingen, welke de waterstaat der 
omstreken daardoor heeft ondergaan. 

Herwinning van land aan den Dollard , bl. 07. 

A. Bedijkingen in den westelijken boezem : Eemsdijk tusschen 
Delfzijl en Reide, bl. 98. — Dollarddijk van Reide tot Finser- 
wolde en andere binnendijken, bl. 99—104. — Omvang der 
hierdoor binnengedijkte kleilanden , bl. 105. — Veranderingen 
in den waterstaat van het Oldambt door de inbraak en die 
bedijking, bl. 105—108. — Indijking van 1597 en polderland 
daardoor gewonnen, bl. 108, 109. — Afwatering door de 
Carringerzijl , bl. 109. — Oprigting van het tegenwoordige 
Termunter zijlvest in 1601, bl. 110, 111. — Indijking van 
1626, bl. 112. — Aanleg van het Koediep in 1635 en van 
het Schuitendiep van Zuidbróek naar Winschoten in 1636 , bl. 
113. — Van het Kostverloren en het Kattendiep ten zelfden üjde, 
bl. 114. — Plan van een nieuw Termunter zyldiep, bl. 114, 
115. — Indijking van 1665, bl. 115, 116. — Indijking van 
1701, bl. 116. — Indijking van 1769, bl. 117-119. — Indijking 
van 1819, bl. 119, 120. — Gezamenlijk bedrag van het binnen- 
gedijkte land in den Westelijken boezem, bl. 120. 

B. Bedijkingen in den Oostelijken boezem. 

a. In het Zuidoostelijk gedeelte nog wt Groningen behoorende: 
Oude bedijkingen alhier, onzeker wanneer geschied, bl. 121 — 

128. — Bedijking van Oud Bunder Nieuland in 1605, bl. 128, 

129. — Afsluiting van den boezem door de overdijking van 
Drieborg naar de Nieuwe Schans in 1657, bl. 129— 132. — Aanleg 
van het Beertster zijldiep in 1636, bl. 133—135. — Van het Bel- 
lingwolder zijldiep in 1657, bl. 136. — Staat van beide uitwate- 
ringen, bl. 136—138. — Indijking van den Kroonpolder in 1696, 
bl. 139, 140. - Van den Stadspolder in 1740, bl. 141, 142. — 
Gezamenlijk bedrag aan land van genoemde polders, bl. 142. 

c. Bedijkingen in het Noordelijk gedeelte van den boezem of in 
Oostfriesland: Loop van den uitersten Dollardsdijk alhier, bl. 
142, 143. — Overzigt van de Oostfriesche polders, bl. 143— 
146. — Van al het aan den Dollard weder aangewonnen land, 
bl. 146, 147. — Voornaamste lotgevallen, welke de voor- 
noemde bedykingen door watervloeden hebben ondergaan, bl. 
147-151. 



Digitized by Go 



XII 



VIJFDE HOOFDSTUK. 

Over den gang der aanslijking , bepaaldelijk over den jaarlijkschen 
aanwas van den aangewonnen Dollardgrond , uit deszelfs 

bedijking afgeleid. 

Welke indijkingen hier alleen in aanmerking kunnen komen, 
bl. 152, 153. — Gevoelen van akends hieromtrent, bl. 153. — 
Bedrag van het aangewonnen land in elke eeuw, bl. 153, 
154. — Jaarlijksche aanwas op ons grondgebied en dat van 
Oostfricsland bereken.! en genoegzaam gelijk bevonden, bl. 155 — 
159. — Tegenwoordige aanwas hier en ginds, bl. 160. 



TWEEDE AFDEELING. 

De tegenwoordige staat en natuurlijke Historie van den Dollard. 

» 

EERSTE HOOFDSTUK. 

Grootte van den Dollard. 

Eerst bekende opmeting van den Dollard in 1733, bl. 161. — 
Regeling van de grensscheiding in den Dollard, in 1723, bl. 
162—164. — Hernieuwing daarvan in 1824, bl. 165, 166. — 
Geschil daarover ontstaan metHannover, bl. 167, 168. — Bepa- 
ling van de grootte van den Dollard, bl. 168—170. — Verhou- 
ding der slyk- en kweldergronden , bl. 171. — Jaarlyksche aan- 
was van de kweldergronden, bl. 172—174. — De plaatsen , 
waar deze aanwas het grootst en het geringst is , bl. 174— 177. — 
Verdeeling van den Dollard onder verschillende gemeenten, 
bl. 177. — Eigendom van den aanwas en verdeeling hiervan en 
van den Dollard tusschen verschillende eigenaars, bl. 178, 179. 

TWEEDE HOOFDSTUK. 

Over de toaterloopen in en de waterwerken langs den Dollard. 

Voorkomen van den Dollard b\j vloed en eb, bl. 110. — De 
verschillende stroomen en stroompjes in denzelven , bl. 180— 
183. — De overloopen, bl. 183, 184. — Onstandvastigheid der 



Digitized by Go 



Xlll 



waterloopen, bl. 184—186. — Het Schansrher diep de hoofd- 
stroom, bl. 18G, 187. — Zijlen, welke in den Dollard daardoor 
uitwateren; de Bel 'lin g wolder zijl en moe in het bijzonder, b!. 
187, 188. — Toeslibbing der zijlgaten en middelen daartegen, 
het spuijen en ploegen, bl. 188 — 190. — Afvoeringsvermogen 
der onderscheidene zijlen , bl. 191. — Onderhoud der zylen en 
dijken, bl. 191, 192. 



DERDE HOOFDSTUK. 

Grondsgesteldheid van den Dollard. 

Verschillende aard der gronden in den Dollard, bl. 193. — 
Scheiding in klei- cn zandgronden , bl. 193, 194. — Liggingen 
dikte der kleilagen, bl. 194— 19G. — Overeenkomst tusschen het 
afnemen van de kleilaag en het toenemen van den aanwas, bl. 
196. — Hoogte van de slijkgronden en platen, bl. 197, 198. — 
Hoogte van de kweldergronden , bl. 198, 199. 



V1ERDK HOOFDSTUK. 

Aanwas en ophooging der slijkgronden. 

Ophooging van den slijkgrond door slib en overgang in aan- 
was en kweldergrond , bl. 200. — De biets of slib op de slijk- 
gronden, bl. 201, 202. — Aanvoering dier slib met den vloed- 
stroom en diens loop , bl. 202—204. — Neerslag van slib vooral 
bij eb, bl. 204. — Invloed der winden daarop en daardoor ver- 
schil in de ophooging in verschillende maanden , bl. 204—206. — 
Invloed van den vorst en vooral van den plantengroei op de op- 
hooging van den grond , bl. 206 , 207. — Zij hangt echter vooral 
af van de rigting van den vloedstroom ten opzigte van de kust, 
bl. 208-211. 

VIJFDE HOOFDSTUK. 

Het bevorderen van den aanwas. 

Middelen daartoe en de grondslagen daarvan, bl. 212 — 214. — 
Begraving van den aanwas, bl. 214—218. — Plan daarvan op 
de Stads aanwassen , bl. 218 — 229. — Aanleg van het onverdeelde 
Munnekeveen, bl. 229, 230. — Op andere verdeelde kweldergron- 
den, enz., bl. 230—232. 



Digitized 



XIV 



ZESDE HOOFDSTUK. 

Voortbrengselen uit het plantenrijk. 

Voorkomen van de Dollardvlakte bij eb, bl. 233. — Eerste 
planten op de slijkgronden , de Hanevoet en Suite, bl. 234, 235. — 
Het Kweldergras en andere planten, bl. 235, 236. — Die drie 
genoemde planten vormen zoovele strooken, bl. 236, 237. — 
Over den groei nog van eenige der genoemde en andere gewas- 
sen, bl. 237, 238. — Gebruik en nut van deze en gene planten, 
bl. 239—241. — Van het Kweldergras en opbrengst daarvan , bl. 
241, 242. — In het bijzonder van den Stadskwelder , bl. 243. — 
Grondbelasting van de kwelder- en slijkgronden, bl. 243—245. 

ZEVENDE HOOFDSTUK. 

Dieren. 

Hazen, Vossen, Muizen, Mollen, bl. 246, 247. — Vogels, bl. 
247. — Ganzen en de Ganzejagt, bl. 248—250. — Eenden, bl. 
250. — Microscopische organismen, bl. 251 — 253. — De Bolworm, 
bl. 254. — De Koning en Stommel, bl. 254, 255. — De Botweide, 
de Krabben en Weekdieren , bl. 255. — De Garnaal en Garnaal- 
vangst, bl. 256— 259. — Ansjovis, Spierling, Giep , Knorhaan , Sprot 
(Barnsteen) enz., bl. 259, 260. — Vroegere vangst van Haring en 
Ansjovis, bl. 260—262. — Bot èn Botvisscherij , bl. 262—264. — 
De Schar en kleine Schol, bl. 264, 265. — De vischtuigen, bl. 
265, 266. — De Steur, Zalm en Elft, bl. 266. — De Bruinvisch, 
bl.267. — De Zeehond, bl. 268. — Aal, bl. 268, 269. — Aantal 
Visschers, bl. 269. — De kraite en booten, bij hen gebruikebjk, 
bl. 270. — Vermindering der vischvangst, bl. 271. — Staat daar- 
van, bl. 272. — De Botvangst met de botreep, bl. 273, 274. — - 
De Garnaalvangst met de lade, bl. 274, 275. 

ACHT8TE HOOFDSTUK. 

De Dollardpolders ten slotte nog iets nader beschouwd. 

Ligging der polders, bl. 276 — 278. — De oppervlakkige klei- 
laag, bl. 278. — Drieërlei soort van kleigrond, 1. gewone Dol- 
lardklei, bl. 279, 280. — 2. Roodoorn „ bl. 280, 281. — 3. Knik- 
klei, bl. 282. — Vruchtbaarheid der Dollardklei en afneming 
daarvan, bl. 282—285. — De zucht, bl. 285—291. — Verbete- 
ring van de roodoorn, vooral door kleigraven, bl. 291 — 293. — 



Digitized by Google 



XV 



Bouwstelsels , bi. 293—296. — Bemesting der kleigronden, bl. 
297. — Verbouw op de roodoorngronden , bl. 297, 298. — Op 
zuchtige gronden, bl. 298, 299. — Onkruiden op de Dollard- 
gronden, Kweekgras, Hoefblad, Onnyt, Riet, Kiek, wilde Haver, 
zwart Gras enz., bl. 299—802. — Houtgewas, bl. 302. — Die- 
ren, bl. 302, 303. — Het drinkwater, bl. 303. 



BIJLAGEN. 

No. I. Overeenkomst van eenige Reiderlander en Oldambtstcr Ho- 
velingen nopens de grensscheiding, wateren, zijlen en dij- 
ken van deze beide Landschappen van 1391 , bl. 304—308. 

No. II. De vorige overeenkomst met eenige veranderingen ver- 
nieuwd, 1420, bl. 309—312. 

No. III. Uittreksel uit een Register van de Friesche kerspelen in 
deze Provincie en het naburig Oostfriesland, onder het 
Bisdom Munster, inhoudende die, welke tot de Proostdijen 
Farmsum en Hatzum of Nes behoorden, uit de laatste 
helft der lbde eeuw , bl. 313—315. 

No. IV. Attestatie van den Kelner van het klooster te Termunten en 
eenige bejaarde Oldambtster ingezetenen over den Dollard, 
1565, bl. 316. 

No. V. Aanteekeningen over het ontstaan van den Dollard, bl. 
321, 322. 

No. VI. Gelijke en andere Aanteekeningen over den Dollard, ge- 
boekt door J. RENGERS VAN TEN POST, bl. 323, 324. 

No. VII. Dijkbrief van het Oldambt , van 1441 , bl. 324—326. 

No. VIII. Verdeeling van de goederen van het klooster Palmar tus- 
schen die van Wittewierurn en Dockum, bl. 327, 328. 
Vertaling van voorgaand stuk, bl. 328, 329. 

No. IX. Verdrag tusschen Groningen en Ommelanden ter eene , en 
het Oldambt ter andere zijde, over het maken en onder- 
houden der Reiderdijken, tusschen Palmar en Finserwolde , 
bl. 330, 331. 
Verbeteringen, bl. 332, 333. 



Digitized 



XVI 



KAARTEN. 

No. I. Kaart van het in den DoUard verdronken land. 

No. II. Kaart, inhoudende: Caarte van het begin der aanleg van 
een polder na de kant der DoUard, achter de Stads 
Nieuwe polder , zoo ver dezelve afgebakend is in de 'maand 
April 1796, door G. kuiper, Oud Bouwm. en a. sïeur- 
sixg, Geadm. Landm., naar de kopij van h. verburgh, 
Bouwm., en andere teekeningen, hiertoe behoorende, 
behalve Fig. 1, voorstellende de vorming van een 
Overloop. 

No. III. Kaart van den DoUard (bij laag water) en zijne om- 
streken. 



Digitized by Go 



DE DOLLAR D. 



EERSTE AFDEELING. 

DE VOORMALIGE STAAT EN GESCHIEDENIS VAN DEN 

DOLLABD. 

EERSTE HOOFDSTUK. 

Scïtets van de in den Dollard vergane landstreek 
en van den hop der rivieren door dezelve. 



Aan de noordoostelijke grens van ons land op het 
grondgebied van de provincie Groningen en voor een deel 
ook van Oostfriesland, in het Koningrijk Hannover, ligt 
een opmerkelijke zee- of liever een rivier-boezem, namelijk 
van de JSems, de Dollard of Dottart, ook wel Duüard 3e- 
heeten, waarschijnlijk naar de onstuimigheid zijner baren (1). 



(I) Zoo als BMMiüS {Rer. Friste. Hist. L. XII. f. 167) zegt: „a 
flucttmm rabie"; van deszelfs dollen aard, o. oüthop in een versje 
daarop, bl. 370 van zijn straks te noemen werk. De naam zal dan wel 
oorspronkelijk Dollaart of Dollaard zijn , even als men zegt wreedaard. 
Zoo droeg ook den naam van Dullart de aanzienlijke boezem, welke, 
later de Braakman geheeten, aan de noordkust van Vlaanderen door 
overstroom ingen in de 14e en 15e eeuw, vooral in den vloed van 1377 
is ontstaan, maar naderhand weder verzand is geworden. Zie fr. 
arend9, Natuurkundige Geschiedenis van de kusten der Noordzee, uit het 
Hoogd., met Aant. van Dr. n. westerhoef, D. II, Gron. 1835 ,bl. 65; III, 
1837 , Geschiedenis der Watervloeden , bl. 45. 

1 



Digitized 



2 



De plaats, welke deze boezem thans beslaat en vroeger 
nog meer besloeg, was eenmaal land, dat onder zijne 
golven is bedolven. De geschiedenis willende beschrijven 
van dezen boezem , dienen wij derhalve in de eerste plaats 
eene schets te geven van de gesteldheid der landstreek, 
welke zijne wateren hebben ingenomen, zoo ver men die 
nog kan nagaan. Dit een en ander is reeds meermalen 
gedaan , maar nog niet met die naauwkeurigheid en volle- 
digheid, als wenschelijk is, en wij zullen beproeven, om 
althans meer voldoende en naar waarheid dan vroeger het 
tooneel zoowel als het tafereel dier belangrijke gebeurfe- 
nis, gelijk het ontstaan van den Dollard is, voor oogen te 
stellen. Gebrek aan toereikende berigten uit zulk een 
ver verleden tijd, waarin dat plaats had, maakt het even- 
wel ondoenlijk alles met zekerheid meer te kunnen opdie- 
pen en opgeven. 

De voornaamste voorganger en bron in dezen is ge- 
weest ubbo emmius, de vader, kan men zeggen, der ge- 
heele Friesche geschiedenis (2). Hem toch zijn de mees- 



fS) Deze schrijver handelt daarover, even als over de gehcele geschie- 
denis van den Dollard , tot aan zijn tijd , in zijn boven aangehaald groot ge- 
schiedkundig werk, Rer. Fris. IlisL Lugd. Bat. 1616, L. XII, f. 176 en 
177, vooral in de bijgevoegde plaatsbeschrijving van Oostfriesland of De- 
script. Ckorograph. Fris. Oriënt, f. 36—40. Hij heeft echter, blijkens de 
voorrede van dat laatste geschrift, dit reeds eenige jaren vroeger opgesteld, 
toen hij nog in Oostfriesland woonde.' Achter hetzelve is eene lijst in onze 
taal geplaatst van dc in den boezem verdronken plaatsen. Hij schijnt , behalve 
uit de na to melden Dollardkaart en andere ongedrukte stukken of oorkon- 
den, zoo als wij zullen zien, zijne berigten ontleend te hebben uit de Chro- 
nica der Freessen, eene geschrevene Kronijk, doch onbekend van wien, 
denkehjk van een Oostfries, die tot aan het jaar 1443 of 1514 loopt 
en naar dc taal te oordeelen, in het begin der 17e eeuw geschreven zou zijn. 
Het werk is zoo hoogst zeldzaam, dat het exemplaar, hetwelk zich in de 
verzameling van H. S. van het Groningsche Genootschap : Pro excolendo 
Jure Patrio (no. 1 op de gedrukte' lijst van dc H. S.) bevond (want hot 
wordt sedert jaren daaruit vermist) en hetwelk hetzelfde is , dat de Oost- 
friesche historieschrijver t. d. wiarda bezat, volgens zijne aanteekening 
daarvoor, waarin hjj het bovenstaande daarvan vermeldt even als in zijne 
straks aan te halen geschriften, hoogst waarschyniyk het eenige exem- 
plaar uitmaakt , dat er nog van bestaat ; — bestaat , zeggen wij , omdat 
het gebleken is nog aanwezig te zijn , maar in handen van iemand van 
wien het Genootschap vruchteloos getracht heeft het terug te bekomen. 
Zoo is het ons dan ook niet gelukt van dat H. S. gebruik te maken, 



Digitized by Go 



3 



ten gevolgd, welke dit onderwerp hebben behandeld, zon- 
der zijne opgaven evenwel altoos genoegzaam te toetsen 
aan de oorspronkelijke bronnen, vooral aan de nog be- 
staande oorkonden, zoo wel die waaruit hij zijne be- 
rigten ontleend heeft, als die welke hij niet gebruikt 
schijnt te hebben. Oostfriesche schrijvers, waartoe emmius 
ook wel behoort, hebben zich vooral met dit onderwerp 
bezig gehouden, meer dan de onzen. Onder de eer- 
sten zijn dan verder als de voornaamsten te noemen 

OÜTHOF, HARKENROHT, WIARDA, REINHOLD en VOOral 

arends (3); onder de laatsten de schrijvers van de Oud- 
heden en Gestichten van Groningen enz., van den Tegen- 
woordige staat van Stad en Lande (Dl. II), alsmede voor 
kort nog a. smith (4). Allen, zelfs ook emmius, naar 
't schijnt, hebben daarbij gebezigd eene oude kaart, die 
het in den Dollard verdronken land voorstelt en vroeger 
hing op het Raadhuis te Emden (door een onzer daar nog 
wel gezien) , maar welke zich thans aldaar sedert jaren niet 
meer bevindt, zoodat wij vruchteloos daarnaar onderzoek 
hebben gedaan. Wel vindt men er onder de Archieven 
nog eene andere kleinere geteekende Dollardkaart , maar 
van weinig of geene waarde , daar er slechts de loop der 



welke moeite wij daartoe ook hebben aangewend. Dit is nu wel in zoo 
verre geen verlies als het wel niet veel meer zal bevatten, dan ons door 
emmius en ook wiarda daaruit is medegedeeld geworden , maar het ware 
toch wel van belang geweest te weten, ter betere beoordeeling daarvan, 
wat zij er uit geput hebben, en dit blijkt daarbij niet. 

(3) G. oüthop, Verhaal van alle hooge Watervloeden in Europa, van 
Noachs tijden af tot heden, Emd. 1720. J. t. iiarkenroht, Oostfriesche 
Oorspronkelijkheden enz. , Gron. 1731 (2e dr.), vooral D. I, bl. 232 en v. 
T. d. wiarda, Ostfries. Geschichte, Aur. 1797, 2e Aufl., Th. I, S. 262 
u. f. Ostfries. Mannigfdltigk. Jahrg. 1786: Wann und wie der Dollart 
entstanden? Fr. arkndb, Erdbeschreibung des Fürstenthums Ostfriesl. und 
des Harlmgerlands, Emd. 1824, vooral deszelfs a, werk Natuurk. Geschied, 
van de kusten der Noordzee, bl. 162 — 192. — Dr. reinhold , Kurze Dar- 
steil, der Entsleh. des Dollarts u. 8. w. in Ostfries. Volks-Buch, le Jahrg. , 
Leer, 1831, S. 63—74. 

(4) A. smith, Geschied, der Prov. Groningen enz., 1849, bl. 37-^46. Hij 
heeft echter grootendeels arends gevolgd en weinig bijzonderheden meer, 
dan wij niet van elders wisten, medegedeeld, hoedanige wij vooral van 
plaatselijke n aard verwacht hadden van iemand, die daartoe zoo zeer 
in de gelegenheid was ; integendeel bevat z\jn werk bjj zoo weinig oorspron- 
kelijks, gelijk wij zullen zien, ook hieromtrent vele onnaauwkeurigheden. 



Digitized by Go 



4 



rivieren, die hier alle, behalve de Eems, Ee of Aa 
heeten, met enkele plaatsen, op is aangewezen, zoodat 
alleen het naaste deel onder Oostfriesland, het toenmalige 
Nesserland, meer uitvoerig, even als op de vorige Dollar d- 
kaart, is geteekend, komende deze kaart overigens hiermede 
geheel overeen , ook in de op- of bijschriften en het bijge- 
voegde kaartje , den Dollard voorstellende , zooals deze gesteld 
was, ten tijde dat de kaart gemaakt is. Zij schijnt slechts 
eene schets te zijn, en wel gemaakt naar eerstgenoemde 
kaart, ten behoeve van dat gewest, waarom daarop alleen 
het hieronder behoorend deel er van , Nesserland , is afge- 
werkt (5). Naar die oude Dollardkaart , welke in het oor- 
spronkelijke niet meer voorhanden is, zijn dan ook wel 
al de andere dusdanige kaarten gemaakt, die hier en daar, 
zoo ongedrukt als gedrukt , nog gevonden worden. Van 
de eerste of de geteekende kaarten , bij welke dat meestal 
uitdrukkelijk is bijgevoegd, noemen wij de volgende, die 
ons zijn in handen of voor oogen gekomen : als die van 



(5) Deze kaart, waarvan arends (Nat. Geschied, van de kusten der 
Noordzee, II, bl. 164) ook gewaagt, maakt op het Archief te Emden 
n°. 53 uit van een M. S. folio boek, bestaande nit kaarten, teekeningen, 
genealogische en geschiedkundige aanteekeningen, en andere, alle tot Em- 
den en Oostfriesland betrekkelijke, sommige gedrukte stukken. Het is 
genaamd Trifolium aureum Oistfrisico-Embdanum en bijeengebragt en aan 
den Magistraat van Emden opgedragen door timan rudolphi , Raadsheer 
van Emden in Grasm. 1679. De kaart is breed 48 3 en boog 39 N. dm. 
Haar grondslag is even onzeker als die der grootere kaart van Emden. 
Zoo beschrijft feith (Onderzoek naar den gehuwden staat der Vriesche pries- 
teren in de Verhand, van het Gen. P. E. J. P. VI, 596, Aant.) deze kaart, 
door hem te Emden in 1844 naauwkeurig bezigtigd, geheel overeenkom- 
stig met eene in 1837 gemaakte Authentieke kopij van deze kaart, welke 
kopij berust bij bet Genootschap ter bevordering van Natuurkundige Weten- 
schappen alhier. Het verdient nog aanteekening, wat in zijne , onlangs door 
diens zoon en waardige opvolger, als Archivarius, uitgegevcne Kronijk 
(1854, 1, 78), j. rexgers van ten rosT vermeldt, dat er ook eene Dollard- 
kaart op het Groninger Raadhuis ten zijnen tijde hing. Deze Ommelander 
Edelman schreef die Kronijk , welke op deze en gene plaats meer belang- 
rijke berigten omtrent den Dollard behelst, in het laatst der I6e eeuw, 
als balling in Oostfriesland. Zoo hij dan niet de Emder kaart bedoeld 
heeft, kan er wel toen eene kopij van deze in het Raadhuis te Gronin- 
gen bewaard zijn, en mogen van deze kopij misschieu vele genomen zijn, 
welke men van Groninger Ingenienrs vindt; te meer daar eene andere blijkt 
niet bestaan te hebben. 



Digitized by Go 



5 



den heer Mr. l. t. van staeckenborg , denzelfden Om- 
melander Edelman, van wien wij ook eene nog zeer op 
prijs gestelde kaart van onze Provincie bezitten; wij ken- 
nen dezelve echter alleen uit kopijen, hiervan weder ge- 
nomen (6); eene door A. tideman in het jaar 1699 en 1705, 
zoo als het bijschrift luidt, naar oude kaarten geteekend ; eene 
naar die van Emden in 1722 gemaakt door H. w. polkers ; 
dergelijke in 1733 van al la ut verburgh, van hendricus 
teysinga en andere, meestal meer of min bekende 
Groninger Ingenieurs of Landmeters , sommige ook zonder 
naam, om van de nieuwere kopijen niet te gewagen. 
Er doet zich in deze kaarten nog wel eenig verschil in de 
opgaaf van de namen van plaatsen en andere bijzonderhe- 
den op, doch in de hoofdzaken komen allen overeen en 
toonen éénen oorsprong. De een heeft er dit , een ander 
dat bijgevoegd, zoo als de bedijkingen, die tot aan hun- 
nen tijd met den Dollard weder hebben plaats gevonden. 
Van de gedrukte Dollardkaarten , alle in klein formaat , is 
in de eerste plaats te noemen het kaartje , hetwelk men 
vindt op eene door w. blaauw op naam van ubbo emmius 
in zijn Grooten Atlas (Amst. T. II, 1664) uitgegevene 
kaart van Oostfriesland. Dit komt, hoezeer verkleind, zoo 
genoegzaam overeen met de geteekende Dollardkaart , dat er 
wel geen twijfel aan kan zijn of het is hiernaar gemaakt. 
Wat grooter naar deze kaart en naar de beschrijving van 
emmius door outhof vervaardigd is het door abraham 
maas geteekende kaartje, dat in zijn werk over de Wa- 
tervloeden bij de beschrijving van den Dollard is gevoegd 
en ook door harkenroht en anderen is overgeno- 
men (7). Buitendien is er een Dollardkaartje op meerdere 



(6) Als daar zijn gemaakt door de Groninger Ingenieurs a. verburgh 
en u. cleveringa van het jaar 1769 en eene andere door eenen x. b. van 
het jaar 1785 Nov. De eerste bezit de heer j. van clebff, de tweede 
de heerMr. j. n. quintus, Oud-Rentmeester der stads veenen, te Groningen, 
cn de derde berust in de Provinciale Archieven aldaar , met do volgende 

Van A. TIDEMAN. 

(7) Door HARKENRonT namelijk in zijn werk: Oostfriesche Oorspronke- 
lijkheden bij zijne beschrijving van den Dollard t. a. p. , alsmede in Oost- 
friesche Watersnood, Emd. 1723; voorts in het Ostfr. Volhsbuch 1831, 
L a. p. en op nieuw met ccnige onbeduidende verandering , doch gecno 
verbetering , door smith in zijn a. werk. 



Digitized by Go 



6 



kaarten van Oostfriesland en Groningen geteekend , zoo als 
van de laatste op die van a. d. G. de gboss van 1792. — 
Door wien de oorspronkelijke of eerste Dollardkaart van 
Emden vervaardigd is, is ons onbekend gebleven. Het 
voornoemde oude gedrukte kaartje op de kaart van Oost- 
friesland, die op naam van emmius door w. blaauw is 
uitgegeven, wordt bij Oüthof en anderen ook het kaartje 
van emmius genoemd, immers dit bieronder wel bedoeld 
en alzoo geacht door dezen vervaardigd te zijn (8). Maar 
deze kaart van Oostfriesland is wel geene oorspronkelijke 
kaart van emmius of die welke hij heeft uitgegeven met zijne 
werken in 1616, bij zijne pkatsbeschrijving van dat gewest, 
en die de eerste is die hiervan gemaakt is. Neen, maar 
naar deze en andere kaarten heeft w. blaauw de zijne 
vervaardigd, lang na den dood van emmius (in 1625 voor- 
gevallen), en zoo zal hij ook het Dollardkaartje naar de 
Dollardkaart te Emden er bij gevoegd hebben. Op de 
kaart van emmius is ook zoodanig Dollardkaartje niet aan- 
wezig. Evenmin schijnt emmius de eerstgenoemde getee- 
kende kaart te Emden gemaakt te hebben , schoon de tijd 
van vervaardiging daarvan wel mag overeen komen met 
dien , waarin hij die plaatsbeschrijving heeft opgesteld , na- 
melijk omstreeks het laatste der 16e eeuw (Aant 2). Aan 
den oenen kant komt zijne beschrijving van het verdronken 
land in den Dollard wel veel overeen met die kaart en 
blijkt het, zoo als wij zeiden, dat hij die gebruikt heeft, 
maar aan den anderen kant, is er ook genoeg verschil 
tusschen. Zoo is o. a. op de Dollardkaart de loop van de 
Tjamme verkeerdeüjk geteekend ten zuiden van de Beerta, 
daar die rivier ten noorden dier plaats vloeide , gelijk haar 
overblijfsel nog bewijst en emmius ook juist opgeeft. Had 
hij nu die kaart gemaakt, dan zou hij voorzeker die feil niet 
begaan hebben, noch andere die er op voorkomen, hij beter 
ingelicht, zoo als hij was en ook toont te zijn door andere 
bescheiden. Wat den tijd betreft , waarin de kaart vervaar- 
digd is, hoezeer deze ook niet met zekerheid is op te ge- 

— 

(8) Dit zal ook wel hot geval zyn mot het mede zoogenoemde Dollard- 
kaartje van emmius, hetwelk, volgens de aanwijzing der aftcokening, zich 
hevindt ter zijde op dc Dollardkaart van het Trifolium nureum geplakt. 



Digitized by Go 



7 



▼en , zoo kan men daaromtrent toch eene gissing maken. 
Uit de voorstelling , zoo op de kaart zelve als op het bij- 
gevoegde kaartje, (dat wel niet op alle kopijen wordt ge- 
vonden , maar toch al op de oorspronkelijke kaart schijnt 
geteekend geweest te zijn), van den Dollard in zijne groot- 
ste uitgestrektheid , die hij eerst , zoo als wij zullen zien , 
omstreeks het midden der 16e eeuw heeft verkregen, kan 
men besluiten, dat zij na dien tijd moet ontworpen zijn. 
Men zou het tijdstip nog nader, en wel op het jaar 1593 
kunnen bepalen, dat wij vonden onder het gewone on- 
derschrift van eene Dollardkaart, zonder naam, maar lui- 
dens het opschrift geteekend naar oude kaarten in 1664 
door een geadmitteerden Landmeter, als wij mogten aan- 
nemen, dat dit jaartal ook op de oorspronkelijke kaart ge- 
staan heeft. Wij worden daarin bevestigd, door hetgeen 
algemeen op de kaarten bij den jongsten dijk aldaar van 
Farmsum naar Termunten aangeteekend staat, namelijk: dat 
nu op dat jaar aldaar die dijk is gelegd. Dit toch wijst ons 
vrij zeker op dat jaar, als dat waarop zij is ontworpen. Dit 
is dus meer dan drie eeuwen later dan de Dollard is 
begonnen zich te vormen. Geen wonder dan ook , dat zij 
in vele opzigten gebrekkig is en eene meer ware en naauw- 
keurige afbeelding van het verdronken land, zoo als wij 
bij de beschrijving daarvan zullen trachten te geven , even 
wenschelijk. Wij zullen nader, nu hiertoe overgaande, 
op die kaart terug komen en de gelegenheid hebben, om 
de gewigtigste gebreken daarvan aan te wijzen. 

De landstreek, welke alzoo door de wateren van den 
Dollard is ingenomen en te gronde gegaan, bestond uit 
een groot deel van het toenmalige Reiderland , met een klei- 
ner gedeelte van het Oldambt , zoodat het eerste daardoor 
geheel is van een gescheurd, hebbende van hetgeen nog 
is overgebleven een deel aan de Eems in Oostfriesland 
nog alleen den naam behouden , maar zijnde het overige 
aan onze zijde vervolgens tot het Oldambt en Westerwol- 
de gerekend geworden. De landtong van Reide aan deze 
zijde was alzoo vereenigd met den hoek bij Pogum aan 
gene zijde; de Eems stroomde, meer bepaald binnen hare 
oevers, met eene bogt voorbij Emden, tusschen die stad 
en het voormalige Nesserland door, dat nu, zoo veel als 
er nog van overig is , aan dc vaste kust van Oostfriesland 



Digitized by Go 



8 



is verbonden. Al wat bezuiden dien loop der Eems nu 
water is en thans den Dollard vormt, was vast land, door- 
sneden dooreen paar rivieren. De eene of de hoofdstroom , 
welke den naam van Ee droeg, was een vervolg van de 
tegenwoordige Westerwoldsche Aa en vloeide in de lengte 
of van het zuiden naar het noorden door het oostelijk ge- 
deelte des lands, zoodat zij ten oosten van het tegenwoor- 
dige Reide, of tusschen de voormalige dorpen Wester- en 
Oosterreide door, omstreeks tegen over Logum in Oost- 
friesland , met een breeden mond in de Eems viel , en wel 
door zeven zijlen , zoo als de gezegde Dollard kaarten dit 
aanwijzen, alsmede emmius en anderen opgeven, luidens 
de overlevering. Men zal onder deze zeven zijlen echter 
wel geene zeven afzonderlijke sluizen, maar misschien zoo 
vele zijl- of sluisdeuren hebben te verstaan , en nog wel 
niet met de tegenwoordige te vergelijken. Deze stroom 
is, ter onderscheiding van andere van dien naam, naar het 
land, hetwelk hij alzoo doorstroomde, ook wel Reider Ee 
of Aa bijgenaamd , zijnde de naam Ee of Aa een algemee- 
ne oude naam voor dergelijke stroomende waters en van 
daar ook aan meer gegeven, die wij in of bij dit oord zul- 
len ontmoeten. Zoo zuilen wij die zijlen of zijl aan haren 
mond ook wel met den naam van Reiderzijl nog om- 
streeks 1413 aantreffen. Op de kaart van Starckenborg 
wordt, volgens de genoemde kopijen daarvan, vermeld, 
dat in het jaar 1673 de botten d. i. de slagbalken van 
deze zijlen aldaar nog te zien zijn geweest. Zoo als de 
loop der rivieren op de Dollardkaart wordt aangewezen, 
mag hiermede meer of min overeenkomstig zijn geweest 
haar ware loop en dezen ook nog behouden hebben de kil , 
welke thans, als een vervolg der Westerwoldsche Aa, door 
den Dollard kronkelt , zoodat zij voor de oude bedding der 
rivier te houden is, voor zoo ver zij namelijk niet ver- 
plaatst is geworden , zoo als wij zullen zien , dat met deze 
en andere stroomen , zoo wel als met de platen in den Dol- 
lard , van tijd tot tijd het geval is. Naauwkeurig echter — 
dit volgt wel hieruit — laat zich haar loop, zoo als hij 
zal geweest zijn, niet meer opgeven. 

Als een tak van deze Ee (zoo als wij haar zullen blij- 
ven noemen), doorliep een tweede minder aanzienlijke 
stroom , de Tjam of Tjamine geheeten , het verdronken 



Digitized by Go 



9 



land , en scheidde voor een groot deel of tot zeker punt 
Keiderland van het Oldambt, en geheel, namelijk tot aan 
haren uitloop in de Ee, het Sticht van Osnabrug van dat 
van Munster, zoo als die voorheen afzonderlijk bestaan 
hebben. Zoo zal toch haar loop te verstaan zijn, die wordt 
opgegeven in een paar oude hoogst merkwaardige beschei- 
den van de jaren 1391 en 1420, behelzende een verdrag 
tusschen de Reiderlanders en Oldambtsters over de grens- 
scheiding en afwatering beider landstreken en bisdommen , 
zooals die tóen herhaaldelijk vastgesteld zijn, maar reeds 
van vroegeren tijd her grootendeels zoo bestonden. Wij 
zullen deze oorkonden in de Bijlagen (N<>. I en II) achter 
dit werk in haar geheel mededeelen , schoon zij reeds 
geboekt zijn, maar de eene hier, de andere daar, en 
emmius ze beide wel kende , doch haren inhoud slechts 
kort mededeelt en evenmin als lateren wel heèft begre- 
pen. Zij zijn in zoo verre meer of min gelijk , dat de eene 
latere blijkt eene hernieuwing van de andere vroegere te 
zijn , en haar inhoud wel hier en daar in de lezing en 
den vorm iets verschilt, maar overigens in de hoofdza- 
ken overeenstemt. De loop der Tjamme nu wordt hier 
opgegeven van beneden naar boven , zoo ver ze de grens 
uitmaakte tusschen het Oldambt en Reiderland en beide 
bisdommen tevens, wel niet in zijn geheel, tot aan of 
van de Ee waarin zij viel. Men heeft dit echter alge- 
meen zoo begrepen en de Tjam gevolgelijk beschouwd 
als geheel de grensscheiding beider landen uitmakende , 
tot aan hare vereeniging met de Ee. Zoo wordt het 
op de kaarten, door emmius en lateren voorgesteld. Out- 
hof, op zijn kaartje, alsmede feith (t a, pl. bl. 519) 
maken hierop echter eene uitzondering, maar zoo dat zij, 
aan den anderen kant weder te ver gaande , de grens van 
de Tjam te westelijk tot aan de Termunter Ee laten loopen ; 
even verkeerdelijk beperkt outhof daarentegen die grens, 
als gaande van de Tjam tot de Westerwoldsche Aa en 
verder, zoo als nu de grens tusschen onze provincie en 
het tegenwoordige Reiderland is , maar welke niet die van 
dit voormalige land was. Doch raadplegen wij genoemde 
verdragen. Er wordt daarin gezegd, dat de Tjam be- 
gon als zoodanig, als burgerlijke en kerkelijke grens- 
scheiding , in WijnedaJiam — en wel, volgens den in 



10 



houd van het tweede verdrag, te Tijdwijnedaborg tus- 
schen die plaats en Megenham — en liep voorbij Rei- 
derwolde door Megenham en Torpsen, voorbij de St 
Nikolaaskerk in Oostfinserwolde en zuidwaarts tusschen 
Finserwolde, Oostwolde en Midwolde aan de eene, en 
Beerta, Winschoten enz. aan de andere zijde, door het 
moer in de Zijpe, die gelegen was tusschen de Eexta en 
Scheemda eenerzij ds , en Heiligeriee anderzijds , en ook 
de verdere grens vormde en zich ontlastte met andere 
takjes in de Ëe of Aa, die naar Termunten stroomde. 
„Deze Tkyamme" zoo luidt verder het verdrag van 1391" 
„uyt Tydwynedaborch in de Zijpe dale, hent aan den Santwech, 
„dit is de rechte scheydinge tusschen beyden Stichten ende 
„Landen voorschreven, ende scheydet alle Hammericken 
„ontweevan beyden Landen, die tusschen Tydwynedaborch 
„ende defl Santwech gelegen sint" De Tjamme kan dus 
verder dan Tijdwijnedaborg , waar zij tusschen Wijnedaham en 
Megenham begon de grens te zijn, nog doorgeloopen heb- 
ben in de Ee, en deze plaatsen, zoowel als Reiderwolde 
en Oostfinserwolde, waar zij voorbij liep en wel ten zui- 
den, gelijk blijkt uit den zin, waarin dit woord ook vervol- 
gens genomen wordt, kunnen nog tot Reiderland behoord 
hebben, dat zich alzoo nog meer ten westen de Ee zal 
uitgestrekt hebben. Zulks wordt buiten twijfel gesteld door 
eene oude lijst uit de laatste helft der 15® eeuw van de 
Friesche Proostdijen met hare kerkdorpen, die onder het 
Bisdom van Munster behoorden, waarvan wij een uittrek- 
sel in de Bijlagen (No. III) zullen mededeelen, namelijk 
behelzende de Proostdijen Farmsum en Hatsum of Nes. 
De eerste bevatte het Oldambt met een deel van Fivelin- 
goo, de laatste Reiderland, dat vroeger in twee Proosfc- 
dijen met die namen verdeeld was, maar welke toen reeds 
ten gevolge van de inbraak des Dollards tot ééne Proostdij 
vereenigd waren. Op deze lijst worden, zooals wij nader 
zullen zien, deze en andere dorpen opgenoemd, die ten 
westen de Ee lagen; gevolge! ijk moet Reiderland zich nog 
over deze rivier, benoorden de Tjam, uitgestrekt hebben, 
zooals ook buitendien van sommige plaatsen genoegzaam 
bekend is, als Westerreide enz. Dezelfde lijst bevestigt 
voorts ook, wat velen zoo vreemd is voorgekomen, de 
kerkelijke scheiding van Reiderland, schoon geheel een 



Digitized by Go 



11 



Friesch gewest, in een Munstersch en Osnabrugsch ge- 
deelte, en leert ons nader kennen, welke plaatsen tot 
dat, en bij gevolg ook welke tot dit gedeelte behoord heb- 
ben. Dit laatste was het zuidelijkst deel tusschen de Tjam 
en de Aa, en misschien voor een deel over de Aa, zoover 
het aan Westerwolde grensde, dat ook in den Osnabrug- 
schen sprengel lag. Het overige van Reiderland, benoor- 
den de Tjam en beoosten de Aa of Ee in ons gewest en 
land, lag in den Munsterschen sprengel. Dit onderscheid 
tusschen de wereldlijke en kerkelijke verdeeling niet in 
aanmerking nemende , maar de Tjam tot in de Ee , en 
deze verder ook als de grenslijn tusschen Reiderland en 
het Oldambt beschouwende, heeft emmius , als ook de 
maker van de Dollardkaart deze en andere plaatsen meer 
verkeerdelijk tusschen de Tjam en de Ee geplaatst, zoo- 
als wij straks nader zullen zien en aantooneh gezegde 
kerkelijke en wereldlijke scheidingen bij de bijzondere be- 
schrijving der oude Dollardplaatsen (9). Zeer verkeerde- 
lijk wordt dus op de Dollardkaarten de loop der Tjamme 
ook daarin opgegeven, dat zij voorgesteld wordt te vloei- 
jen ten oosten of zuiden van de Beerta en Winschoten, in 
de rigting van het Beerster en Pekeldiep , in plaats van ten 
noorden dier plaatsen. Zij heet daarop ook de Ae of Ee , 
even als de Reider en Termunter Ee; op de kopijen van de 
kaart van ötabckenborg, wordt geheel verkeerd de naam 
van Tjamme aan de laatste gegeven. Smith heeft die op- 
gaaf wel getracht te verbeteren, door op zijn kaartje een 
water in de juistere rigting bij te teekenen , maar hij heeft 
den verkeerden loop van de Tjam nog behouden. De ware 
loop is hier nog uit de overgebleven sporen op te maken. 

De Tjam namelijk is nog voor een deel daar als grens- 
scheiding tusschen de genoemde plaatsen of de gemeenten 
Finserwolde eenerzijds en de Beerta anderzijds en zal 
met eenige verandering, misschien door regt- of vergra- 
ving veroorzaakt, als nog voor den ouden weg dier rivier 
beschouwd mogen worden. Aan den ouden dijk van den 
Kroonpolder bij Stoksterhorn gekomen, wordt zij wel 



(9) Over den ouden aardrijkskundigen toestand van Keiderland is 
verder gehandeld in stratingh. Aloude Stemt en Geschied, des Vadert. 
IT , ii , 141 enz. 



12 



gezegd voort te loopen westwaarts bijlangs dien dijk en 
den Ganzedijk, en zich uit te storten nabij de Vierkar- 
spelen of Beerster zijl in het diep , dat daardoor in den 
Dollard uitwatert (10). Dit is echter een later gegraven 
en zoo genoemd kanaal; want men weet den loop van de 
Tjam, schoon thans bij Marijke en door den Stadspolder 
afgedamd, nog aan te wijzen door dezen polder heen, waar 
zij langs de tweede boerenplaats, van het westen afgere- 
kend, tot in den Dollard liep. Die rigting hebben wij alzoo 
te volgen, om ons haren verderen loop door dien boezem, 
tot in de Ee voor te stellen, die echter slechts, even als 
van dien hoofdstroom, meer bij gissing en ten naaste bij 
kan opgegeven worden, daar hare kil niet meer overig is. 
Met die , welke de Beerster en Bellingwolder moe of mude 
vormen, zal zij wel geen gemeenschap gehad hebben, 
daar dezelve met den aanleg dier diepen eerst ontstaan 
zal zijn. Doch keeren wij nog een oogenblik tot den oor- 
sprong of het bovenste deel van de Tjamme terug, waar 
zij met de Zijp in een liep. 

Haar oude loop tusschen Oostwolde en Midwolde, in 
het Oldambt eenerzijds , en Winschoten met Heiligerlee, in 
Beiderland anderzijds, dien men verder nog door de veen- 
landen dezer streek in eene sloot kan nagaan, is niet meer 
de tegenwoordige gemeentegrens, maar bevindt zich wat 
zuidelijker. Bij de nadere grensbepaling dier dorpen of ge- 
meenten , of bij eene andere gelegenheid zal eensdeels grond 
ontnomen zijn aan die Oldambster dorpen en gevoegd bij 
Winschoten , terwijl anderdeels ook van Beiderland geschei- 
den zijn Heiligerlee en Westerlee, en deze aan Midwolde 
en Scheemda toegevoegd. Zoo zijn hier de aloude grenzen 
dier dorpen en landschappen verbroken, maar nog vol- 
doende na te gaan in die overgeblevene waters, waarvan 
de Tjam nog Iaat ook hier haren naam heeft behouden, 
tot in de Zijpe toe, of daaraan geleend. Sommige lande- 
rijen in de Scheemda, welke op den weg langs het Win- 
schoterdiep uitloopen, worden in oude koopbrieven nog 
gezegd te strekken aan den Tjamweg. Deze weg droeg dan 



(10) Zie h. kremer, Beknopte Aardrijks- Geschiedk. en Plaats. Be- 
sehnjv. der Ptoü. Gron. 2de (door westendorp) verbeterde druk , St. II, 
1837 , W. 97. 



Digitized by Go 



13 



nog wel dien naam , omdat hij van ouds voerde naar de 
naburige Tjam. In een der Rapporten van de gecom- 
mitteerden tot het graven van 'tdiep en de wegen door 
het Oldambt, van den 13 Aug. 1627, wordt berigt, dat dat 
diep geleid werd van de Tjam tot naar 't olde Winschoterdiep , 
dat van Westerlee kwam. Hieruit blijkt, dat de Tjam wel 
tot aan het tegenwoordige Winschoterdiep strekte of zoover 
toen dus genoemd werd , waar anders , volgens de voorzeide 
oudere bescheiden , de Zijp reeds vloeide. Beide mogen 
afzonderlijk in de deels hier nog aanwezige hooge veen- 
of moergronden haren oorsprong gehad hebben; want of- 
schoon de loop der Tjam al in die oude bescheiden 
onmiddellijk tot in de Zijpe vervolgd wordt en hier mede 
verbonden mag zijn geweest, zoo zullen zij wel vroe- 
ger elk op zich zelve gestaan en ontsproten zijn, zoodat 
de Tjam oostwaarts en de Zijp westwaarts liep. De Zijp 
wordt ook alleen als grensscheiding voorgesteld te zijn 
een vervolg van de Tjam, maar niet uitdrukkelijk mede 
als waterleiding, en. zij mogen ook toen nog daarin ge- 
scheiden geweest zijn , dat de belendende landerijen , en wel 
van Reiderland , zich eensdeels in de Tjamme Dollardwaarts 
ontlastten, anderdeels door de Zijpe in de Termunter Ee, 
zooals wij straks bij de beschouwing van den loop dezer 
stroomen zullen zien. Men kan vragen , of het Oosterwol- 
der meer , dat tusschen het dorp Oostwolde en de Tjam op 
oude kaarten als zoodanig, en thans nog, schoon droog en 
in Meerland veranderd, met dien naam vermeld wordt, 
toen reeds bestond en als een oorspronkelijk meer is te be- 
schouwen , dan als later ontstaan , en wel door overstrooming 
van den Dollard, zoo als wijlen de bekende predikant van 
Oostwolde L. van bolhuis van meening was (11). In het 
verdrag van 1420 wordt de Tjam wel gezegd te stroomen, 
doer dat gantze meir in de Zipe , maar in dat van 1391 of 
het oorspronkelijkste, wordt zij gezegd te strekken over dat 
moer, zoodat men hieronder wel gezegde hooge veenen zal 
hebben te verstaan, juist geen meer. Het kan evenwel als 
- 

(11) Tweetal phglige Redevoeringen , Gron. 1778, bl. 75 der eerste, 
ter inwijding van de nieuwe Kerk te Oostwolde in 1777 gehouden. Zie 
ook voorts over dit meer het Art. Huningameer in het Aardrijkskundig 
Woordenboek van a. j. van der aa, V, 947. 



14 



zoodanig , als een meerstal , hoedanig men meer in de hooge 
veenen aantreft, bestaan en zijn afloop gehad of verkregen 
hebben in de Tjam. Aldus wordt het voorgesteld op de 
Dollardkaart, door een takje hiermede in verbinding staan- 
de. Op de latere oude kaarten van de Provincie wordt 
het meer verschillend voorgesteld, ook in den naam. Zoo 
droeg het mede den naam van Htminga meer, naar de 
voorname en vermaarde Oldambtster familie huninga, 
welke te Oostwolde haren hoofdzetel of stamplaats had; 
ook wel dien van Eeckelsmeer en van Fledder, zoo dit geene 
verwarring is met het Vledder of het dus genoemde land 
ten oosten van Finserwolde. Het komt dan eens als reeds 
droog gemaakt, dan weder als nog een meer voor, op zich 
zelf staand of uitwaterende door de oude Oostwolder zijl, 
ook wel in verbinding met de Tjam. Op de kaart van 
beckeringh van 1781 wordt het nog als meer voorgesteld , 
waaruit zelfs de Tjam ontspruit. Deze voorstelling is zeker 
onjuist, daar de Tjam wel met het meer in verbinding mag 
gestaan hebben, gelijk nog heden , maar ten zuiden daar- 
van haren weg nam. De bodem van het meer geeft het 
waarschijnlijkste te kennen, dat het wel door den Dollard is 
overstroomd, maar niet gevormd geworden. Het meer vormt 
eene kom, welke aan de noord-, oost- en zuidzijde door 
hooge gaastgronden , die uit leem, potklei, zand met veel 
vuursteen vermengd, bestaan, is ingesloten, terwijl het 
aan de westzijde door de Midwolder hooge veenen (voor 
een gedeelte reeds afgegraven) is begrensd en aan de zuid- 
westzijde ligt aan eene streek laag veen, waar nog gebag- 
gerd wordt. De kom heeft van boven kleigrond (roodoorn), 
die meestal op darggrond ligt en het dikst wordt aange- 
troffen langs de oude grenzen van het meer, het minst in 
het zuiden, zoodat er, bij het gedurig ploegen, bijna geen 
klei is aan te treffen. Die klei nu is denkelijk met het 
Dollardwater aangevoerd, schoon het zoete water ook zijn 
aandeel daaraan zal hebben gehad, gehjk wij zullen zien, 
dat zich de oorsprong van den roodoorn ook daaruit laat 
verklaren. Men vindt vooral langs de noordzijde , waar het 
meer het naast met den Dollard , althans bij hooge vloeden , 
in verband zal hebben gestaan of ingebroken zijn, op den 
darg- of ouden veengrond klei, ook westelijk van het meer, 
en aan de noordoostelijke zijde van de Midwolder hooge vee- 



Digitized by Go 



15 



nen tot digt naar dc Groeve een zeer moeras- en dargachtigen 
grond, die vroeger zeker tot het meer heeft behoord en vrij 
veel diepte moet gehad hebben, zoodat het meer, waarvan 
nu de oppervlakte, of van het zoogenoemde Meerland, zoo- 
als het door zijne wegen is ingesloten, op ongeveer 450 
B. geschat wordt, voorheen veel aanzienlijker van omvang 
zal geweest zijn. Dit meer, dat nog niet lang geleden 
voor een groot deel onbebouwd daarheen lag, levert nu, 
door een watermolen droog gehouden, goede vruchten op, 
en zou bij eene betere afwatering en drooghouding nog 
meer opbrengen. 

Behalve de Tjam, liep er, volgens de Dollardkaart , nog 
ten oosten een takje van de Reider Ee door het Oost- 
friesche gedeelte van het verdronken land. Dit nam op 
de hoogte van Bunde een begin, vloeide noordwaarts 
langs eene plaats Wijnemeer geheeten, waar het met een 
meertje in verbinding stond, en viel niet ver van Uterpa- 
wing in dien hoofdstroom. Dit takje is daarmede geheel 
verdwenen. 

Wij hebben nu ook nog nader te beschouwen de oude 
Termunter Ee, zoo als die, volgens de meergenoemde oude 
bescheiden van 1391 en 1420, uit de Zijpe en andere ri- 
viertjes ontsproten, als de oude waterlossing van het ge- 
heele Oldambt, door hetzelve stroomde, maar ook door de 
inbraak van de Dollard groote veranderingen heeft onder- 
gaan, zoodat zij van het latere en tegenwoordige Termun- 
ter zijldiep zeer verschilt. 

De Zijpe dan sproot waarschijnlijk, gelijk gezegd is, ook 
in dezelfde hooge veen- of moergronden, waaruit ook de 
Tjam een aanvang nam, en liep tusschen Scheemda en 
Eexta eenerzijds en het Nonnenklooster Heiligerlee met zijne 
landerijen anderzijds tot aan het smalle steenhuis in de Op 
(of Boven) Eesct, geheeten Nemehe Eppens Steenhuys (zoo 
als nog in het andere verdrag staat) ; voorts tot aan den 
Zandweg, die van Eexta ging naar de gast te Westerlee, 
en verder naar de Meeden (zoo als in het jongere ver- 
drag staat), makende alzoo ook de grens uit tusschen het 
Oldambt en Reiderland en tusschen de Bisdommen Mun- 
ster en Osnabrug. Door eene zijl in dien Zandweg stortte 
de Zijp haar water uit in de Addensloot, ten westen van 
dien weg, vervolgens in de Zijd- of Zuidwending en ein- 



delijk in de Ae of Ee, makende die Zijdwending ook de 
verdere grens tusschen Eexta en Westerlee en beide ge- 
noemde landen en stichten uit — De naam van Zijp is 
aldaar nu wel niet meer bekend, maar toch nog eene en 
andere sloot aanwezig, die als vervolg van de Tjam ten 
noorden van de buurt het Kloosterkok door moerassige 
plaatsen loopt naar het Winschoterdiep , even ten zuid- 
oosten van het vallaat der Ennemaborger veenen, en wel 
hetzelfde water is, dat tot zoo ver later ook dien naam droeg. 
Achter de boerenplaats , waar het klooster in die buurt ge- 
staan heeft — achter de hoogte, waarop het gedenkteeken 
van Graaf adolf in 1826 ook is geplaatst — vindt men nu 
nog eene streek roodoorn op den moerassigen darggrond, 
die men kan aannemen, dat door het tot in de Zijp inge- 
drongen Dollardwater hier is afgezet geworden. Ten zuid- 
westen van dit diep , loopt die sloot door den weg van 
Eexta naar Westerlee , daar waar nog eene aanzienlijke oude 
boerenwoning staat, welke den naam van Steenhuis draagt; 
van dit punt zal zij geloopen hebben langs de Hooilaan, 
die hierop uitkomt, naar de zandhoogte of gast aan het 
eind daarvan , tot aan eene tweede Eooüaan in eene nog 
bestaande watering, die vervolgens met eene bogt in de 
Ooster Ae voert Zij maakt, behalve in laatstgenoemde 
watering, even min als de Tjam heden de grensscheiding 
tusschen de plaatsen uit ; deze loopt tusschen Midwolde 
en Heiligerlee wat noordelijker tot aan voornoemd vallaat 
en dan tusschen Scheemda en Eexta eenerzijds en Heili- 
gerlee en Westerlee anderzijds, eerst zuidwaarts langs het 
Winschoterdiep en vervolgens westwaarts langs zekere wa- 
tering naar het einde van de eerste Hooilaan, hier te za- 
men met de oude grens. Maar die zal ook tot hier ver- 
anderd zijn; want dat zij langs die sloot geloopen heeft, 
is uit dë rigting der landerijen op te maken, die aan 
weerszijden daarop en op die Hooiland uitloopen en eindi- 
gen. De oude Zandweg, waardoor de Zijp uitwaterde, is 
ook met de plaats hiervan nog te herkennen. Er loopt 
namelijk van de Eexta, en wel van het eind des wegs 
die onmiddellijk van de kerk aldaar komt, naar gezegde 
zandhoogte of gast eene sloot, de Zandwegshot genoemd, 
en zeker zoo, omdat langs dezelve de voornoemde Zand- 
weg geloopen heeft. Er zijn nog sporen overig, dat hier 



Digitized by Go 



17 



vroeger, aan dien weg, huizen gestaan hebben, en die 
zandhoogte kan geene andere dan gemelde Oostergast te 
Westerlee zijn. Er wordt ook nog door de landbouwers 
verhaal^, dat Graaf adolf met zijne legermagt langs dien 
weg getrokken is naar die gast en hier gesneuveld is in 
den strijd met de Spaansche benden, die voorviel op den 
23 Mei 1568. Hier liep dan ook de Zijp door dien weg 
in de Zijdwending, en is deze dan de voornoemde nog 
bestaande grenswatering met haar vervolg, de Ooster Ae. 

In de Zijp en Zijdwending liepen voorts nog twee an- 
dere kleinere waters uit. In de Zijp, voor dat zij door 
den Zandweg ging, de Nije- of Monnikemloot , zoo gehee- 
ten, omdat zij was gegraven door de kloosterlieden van 
Heiligerlee, nadat hun en dien van Westerlee door het 
Zijlvest van het Oldambt was toegestaan , mede hun water 
in de Termunter Ee te loozen, waaronder hunne landen, 
als in Reiderland gelegen, anders niet behoorden. Voor 
die sloot zal waarschijnlijk nog te houden zijn het deel 
van de meergenoemde watering , hetwelk van de grond- 
pomp , die tegen de kloosterplaats onder het Winschoterdiep 
door ligt, tot aan meer gezegde zandhoogte of gast zich 
uitstrekt. Jn de Zijdwending waterde uit een riviertje, dat 
ook de Zijpe heette of de Letze en, tusschen Westerlee en 
de Meeden doorloopende , alzoo mede de grens van ge- 
zegde landen en stichten vorrrMe. Dit watertje zal nog 
overig zijn in de Zijpsloot , die tusschen beide genoemde 
dorpen of de gemeenten Sclieemda en de Meeden door 
uit de afgegravene hooge veenen in de Ooster Ae zich 
ontlast. Voorts wordt er ook nog gewaagd van derge- 
lijk water, gelegen tusschen de Meeden en Muntendam, 
en tusschen deze plaats en Broek (Zuidbroek). Hieronder 
is voorzeker te verstaan de nu zoogenoemde Oude Ae , 
die van Muntendam tot boven Veendam nog daar is, 
vroeger tot in het oude Zwanemeertje zich uitstrekte en 
wel als de hoofdtak van de Termunter Ee zal zijn te 
beschouwen. Zij ontsproot namelijk uit dit, bijna op de 
grenzen van Drenthe , in de nu ook afgegravene en 
ontgonnen hooge veenen gelegen meertje , liep dan 
langs de voornoemde plaatsen en verder door het later 
aangespoelde land, waar haar loop meer verdwenen is, 
naar den hoofdstroom , min of meer langs het Winscho- 

2 



Digitized 



18 



terdiep, of de nog tegenwoordige grens tusschen Zuid- 
broek en Muntendam met Meeden, naar het Sckeemder 
tolhek , na vooraf nog opgenomen te hebben dien tak , 
welke eveneens nog onder den naam van de Leest uit de 
veenen op de grenzen van het Gooregt ontspringt en, langs 
die van Zuidbroek en Muntendam heen vlietende, zich 
met de oude Ae ten zuiden van gezegd diep veree- 
nigt (12). 

De hoofdstroom of de Termunter Ee nu alzoo gevormd 
zijnde door genoemde onderscheidene takjes , liep , vol- 
gens dezelfde bescheiden, naar Broek, dat is Zuidbroek 
of wel Noordbroek mede, van hier naar de Zwaag en 
voorts naar de zijl te Termunten. Onder (Je Zwaag zal 
hier niet de buurt de Zwaag, onder de Scheemda enz., 
maar het meer noordoostwaarts gelegen, in den Dollard ver- 
gane dorp van dien naam te verstaan zijn. Overeenkom- 
stig deze aanwijzing kan men het spoor van haren loop 
nog volgen van het Scheemder tolhek tot aan den grind- 
weg tusschen Scheemda en Zuidbroek, en wel in eene 
kleine sloot, die in die rigting loopt op eenigen af- 
stand ten westen van den Oudendijker weg , zoodat de oude 
stroom den grindweg, ongeveer op de helft van den af- 
stand dier dorpen , zal gesneden hebben. Die Oudedijker 
weg 9 dus genoemd naar den uitersten Dol lardd ijk hier van 
1545 , maakt thans de grenslijn uit tusschen die beide ge- 
meenten en de dorpen Zuidbroek en Eexta, en zoo mag dan 



(12) L sanwks, de opkomst van Veendam, Vcondam 1830, bi. 106, 
schrijft, dat da oude Ee haren oorsprong had , behalve uit het kleine 
Zwanen- of Drenther-tneer , ook nog uit eon tweede grooter meerstal , te 
weten het nu ook droog gemaakte Boedmansmeer , hetwelk zuidooste- 
lijk, niet ver van het Nieuwe Pckcla-diep gelegen was, en meteen 
streng , de Hoedmansgoot genaamd , ongeveer 100 roeden boven het begin 
van de Wildervank aan het Westerdiep in de oude Ee zou uitgeloopen 
hebben. De Schrijver dwaalt hier zeker, want het Hoedmansmeer was de 
oorsprong van de Pekel Aa, in het diep van dien naam vergraven, en ge- 
heel afgescheiden van de oude Ee of Ae bij Veendam. Dit is uit beider 
loop , zoo als die op oudere kaarten van ons gewest nog aangewezen 
staat, onmiskenbaar op te maken. Dien loop zoowel als de ligging der 
beide meerstallen vindt men ook aangeduid op de Kaart van de Bro- 
vincie Groningen, onder toezigt van o. aokrr stratihgh, opgemaakt door 
j. a. smit vam der VROT, 1637 , die men ook verder mj onze beachry- 
ving kan raadplegen. 



Digitized by Go 



19 



vroeger de Eestroom die lijn gevormd hebben. In den 
dijk van dien stroom zullen dan hieromstreeks ook geweest 
lijn de twee zijlen , welke volgens diezelfde bescheiden , 
binnen Eexster-hamrik in den Eedijk plagten te liggen en 
geheeten waren ThyarUa en Ubbinga-zijl. Van genoem- 
den grindweg tot aan Nieuw-Scheemda is het spoor niet 
meer te herkennen , doch zal de Ee waarschijnlijk ten 
westen niet ver van dat dorp gekronkeld hebben naar het 
Waar., mogelijk voor een deel langs de zich aldaar nog 
bevindende oude watering, die nog voor een deel de grens 
uitmaakt tusschen Noordbroek en Scheemda. Men vindt 
in haren omtrek in den bodem onder de roodoorn een 
diepen besten kleigrond en heeft ook zelfs niet ver van 
daar, ten westen aan den Regie- Watster weg , in 1849—1850 
daarin ontdekt het onderste gedeelte van een schip en 
eene mast 2.5 el onder in de klei. Maar deze stukken 
kunnen later ook bij eene overstrooming, na de inbraak 
van den Dollard, hier in den grond gekomen zijn (13). 
Van het Waar mag men in het tegenwoordige Termun- 
ter zijldiep nog het vergravene oude diep aannemen , 
tot voorbij Nieuwolda namelijk ; want hier is het oude 
bed weder verlaten, door de latere verlegging van het 
diep , en liep door waar nu het Kattendiep is , weder tot in 
de overgeblevene oude Ae, die haren ouden naam zoo- 
wel als loop heeft behouden. Dat het tegenwoordige 
Termunter zijldiep tusschen het Waar en Nieuwolda het 
vervolg is der oude Ee, is blijkbaar ook uit den naam 
van Ae landen , welke de landerijen ten oosten van dat 
diep nog dragen, en uit het verband met de overig 
zijnde oude Ae. Deze zal , hoezeer verkleind en verland , 
evenwel nog grootendeels haren ouden kronkeligen weg 
volgen langs Woldendorp , misschien wel tusschen dit dorp 
en het verdronkene Zwaag door, omdat in gedachte be- 
scheiden gesproken wordt van den Eedijk (waarvan de 
sporen ook nog overig zijn) alom in dit dorp in goeden 
stand te houden; voorts langs het Grijze Monniken kloos- 



(13) Overeenkomstig hiermede heeft de heer dijkexa ook den loop 
der oude Termunter Ee opgegeven in zg*ne Proeve van eene Geschiedenis 
der Landhuishouding en beschaving in de Provincie Groningen , Gron- 
1851 , St. I, bh 243. 



Digitized 



20 



ter of oudtijds dat van Menterna naar Termunten. 
Hier stortte zij zich, niet op dezelfde plaats als de te- 
genwoordige zijl, maar wat oostelijker en noordelijker uit 
in de J5ems , en wel met vier zijlen, zoo als de oude 
berigten en kaarten inhouden, eene enkele heeft ook 
drie , en i. bengers daarentegen zelfs vijf zijlen (14). 

Deze Termunter Ee , om dit er nog bij te voegen , nam 
waarschijnlijk ook nog een westelijken tak op , die almede 
den naam van Zijpe of Sijpsloot droeg en nog draagt bij 
zijn oorsprong in het veen , niet ver van Kolham , en de 
grens vormt eerst tusschen het Gooregt en Fivelingoo en 
vervolgens tusschen dit kwartier en het Oldambt, min of 
meer Joopende bijlangs den ouden Veendijk en den Zomerdijk 
aldaar, door de Kromme- en Molensloot en het Hondshal- 
stermaar en eindelijk door een gedeelte misschien van het 
tegenwoordige Termunter zijldiep in de oude Ee , waar 
dat diep zich thans met dien ouden stroom vereenigt. De- 
ze Zijp moet vrij breed geweest, maar digtgeslijkt zijn. 
Tusschen Noordbroek en Siddeburen zal die breedte wel 
15 en meer ellen bedragen hebben; zoo breed strekt zich 
immers aldaar de kleilaag aan weerszijden van hare tegen- 
woordige wallen uit, en wel tot eene diepte van 2 el 
en meer. Verder van den oever verwijderd, komt men 
in roodoorn , die 2 of 3 palmen dik op den darg- veen- 
of zandgrond zit. Van die klei langs de Zijp maakt de 
landbouwer vooral onder Siddeburen een nuttig gebruik , 



(14) Kronijk , I, 74. — Men vindt in het meergenoemde verdrag 
van 1391 eene eukele maal van 'Zijlen ter Munten gewaagd, maar 
overigens in dit zoowel als in het herhaalde verdrag vau 1420 van 
eene Zijl aldaar, zoodat men daaruit het bestaan van meer dan eene 
zijl te Termunten niet kan afleiden. In dezelfde bescheiden wordt 
ook nog gewaagd van de Finser Ee , in het eerste, en van de FJi~ 
mell Ee in het laatste stuk. Men heeft, naar de eerste lezing, hierin 
wel een water gemeend te vinden , dat langs Finserwolde geloopen en 
daaraan den naam gegeven zou hebben , maar w\j meencn , naar de twee- 
de lezing, daarin de Termunter Ee te herkennen, die misschien , wegens 
haren ouden uitloop nabij het thans nog niet ver daarvan aan den Dol- 
larddyk gelegene gehucht de Fimel, zoo genoemd zal zjjn. Wy gissen 
dit ook daarom , omdat zij het eerst van .alle waters genoemd en het 
sluiten en openen daarvan bepaald wordt, zoo als er bijgevoegd wordt, 
om watersnood in het Oldambt, wat dus', in het algemeeu het geheele 
land betreffende , op dien hoofdstroom past. 



Digitized by Go 



21 



door ze uit te graven en op den bouwgrond te brengen , 
even als men elders meer doet. Het is dan ook niet on- 
waarschijnlijk dat deze Zijp hier en daar bevaarbaar is ge- 
weest, en een deel heeft uitgemaakt van de vaart, welke 
er bestaan heeft tusschen de stad Groningen en het 01- 
dambt en Westerwolde, voor dat zij het Schuitendiep in 
het begin der 17e eeuw heeft begonnen derwaarts door 
te graven en naderhand daaruit het Noordbroekster diep 
met deszelfs vervolg, het Buiten nieuwe Diep , tot in het 
Termunter zijldiepbij 't Waar. Die vaart zou namelijk door 
het Schuitendiep , dat al vroeg tot in het Drentsche diep 
gegraven is , uit dit diep en door het Foksholster meer 
geloopen hebben in het Abrams- of Oude diepje, dat nog 
tegenwoordig nagenoeg Kolham van het Hoogezand of 
Fivelingoo van het Gooregt scheidt, en vroeger om het 
oude Sappemeer of Duivelsmeer in de Zijp , die alzoo waar- 
schijnlijk naar 't Oldambt voerde en in verband stond met 
de vaart , die tevens van het Damsterdiep langs Slochteren 
naar het Oldambt en Winschoten liep. Deze vaart 
heeft de stad aangelegd in 1585, omdat haar de Spanjaar- 
den door het bezetten der kust en Eems allen toevoer 
hadden afgesneden (15). Zij is nog op oude kaarten van 
Groningerland (als die van coenders en barthold wi- 
cheringe) aangeteekend en heeft geloopen uit het Dam- 
sterdiep door de Poster en Slochter Ee in onze Zijpe 
benoorden Sappemeer, dan een eind weegs langs de- 
zelve tot in en langs de Noordbroekster vaart, ook 
verder van den Noordbroekster weg, waar die vaart nu 
ophoudt, maar voor een deel nog overig is in het Bui- 
ten nieuwe Diep, langs dien weg naar de Scheemda en 
viel zoo in de oude Termunter Ee, van waar men mis- 
schien door het Eexter diep naar Heiligerlee en eindelijk 



(15) Zie de Kronijken vau tf. h. i*hebens , p. 220, eü ab. eppens , 
bi. 435 , cn Tegenw. St. v. Stad en Lande , 1 , 506 , waar cr bijgevoegd 
wordt , dat volgens een Stadsbesluit van den 31 Januarlj 1585 zelfs ge- 
magtigden benoemd zijn tot onderzoek , of cene diergelijke vaart ge- 
maakt konde worden van Winschoten langs de Bourtange naar Rhenen 
in do Eems ; — een plan dat al vroeger was op touw gezet en hetwelk men 
thans weder het voornemen heeft , schoon langs een anderen weg , na- 
melijk door voortzetting van het Stads kanaal, ten uitvoer te brengen. 



Digitized 



22 



naar Winschoten enz. voer, langs het oude Winschoter- 
diep, dat, blijkens het rapport van 1627 (bL 13), hier 
reeds bestond, voor dat het tegenwoordige diep toen 
daarin gegraven is, en misschien oorspronkelijk een tak 
van de Pekel Aa was. Zoo laat zich verklaren, wat de 
overlevering meldt, dat door die Zijp het veerschip tus- 
schen Groningen en Wedde gevaren heeft (16). 

Voor dat wij hier van de oude Dollardrivieren afstap- 
pen, moeten wij nog het bijzonder gevoelen van abends 
onderzoeken , dat hij omtrent den loop van de Eems in het 
voormalig land van dien boezem heeft voorgesteld. Hij 
hield het er namelijk voor , dat er zelfs nog een arm van 
die rivier door Reiderland heeft gestroomd, die, onder 
den naam van Geise, zich bij Ween er van den hoofdstroom 
zou afgezonderd, tusschen Bomerwold en Mariënkoer 
door, westwaarts geloopen en eigenlijk die Ee en Tjamme 
opgenomen hebben, waarnaar hij bij Reide weder in de 
Eems zou gevallen zijn. Wel is waar melden noch oude 
berigten , noch de Dollardkaarten , noch andere beschei- 
den hiervan iets , maar hij meent toch daaraan niet te kun- 
nen twijfelen , dewijl die arm zich in de opgegevene rig- 
ting tot aan den ouden dijk des Dollards laat nasporen, 
en hier wel niet plotseling zoude ophouden , ja , volgens de 
berigten van den Oostfrieschen Historieschrijver e. henin- 



(16) Zie s. j. mJTO«R8, Beschrijving van Kolham, Gron. 1849 , bL 8. 
Die vaart naar Winschoten zal betreffen de Stadsresol. 20 Jutij 1611, 
waarby na gehoord rapport den Drost gelast is , dat het diep van Win- 
schoot na Slogteren door die van 't Oldambt opgeschoond en gegraven werde. 
Die van 12 Julij 1619 houdt in: Op rapport der Gecommitteerden tot de 
wegen gearresteert een schipvaart uit Oldambt na deze stad, moetende die 
van 't Oldambt graven het diep tot aan de Veendijk tusschen Noordbroek en 
Slogteren en van daar tot last van Duurswok en Fivelingo , enz. en kan 
betreffen de vaart door de Zij po uit het Schuitend iep , zijnde dit in 1617 
tot Hoogezand gegraven en het Sappemeer in 1618 uitgetapL Het 
Noordbroeksterdiep is veel later aangelegd. Volgens R. R. 24 Jan. 1637 is 
het ontwerp daarvan toen goedgekeurd , maar het heeft nog lang ge- 
duurd, eer het volvoerd is geworden, blijkens R. R* 11 en 14 April, 12 
Aug., 26 Sept. 1657, 15 en 19 April 1658, 1 en 15 Junij 1661 ; zijnde 
vervolgens ook beraamd en besloten dit diep te vervolgen naar het Ol- 
dambt tot in het Termtmter ztfldiep, en alzoo het Buiten nieuwe Diep 
gegraven, ingevolge R. R. 10 Dec. 1664, 15 Febr. 1665, 23 Maart en 
15 Mei 1666. En zoo zal hierna de vaart door de ZJjpe en die van 
Slochteren over Noordbroek naar Scheemda verlaten z\)n. 



Digitized by Go 



23 



ga , in de 16* eeuw nog aanwezig was , aan weerszijden 
met dijken bezet en in de Eems open. Want die berig- 
ten zouden inhouden , dat die arm aan de eene zijde bij 
Holtgast in 1494 doorgedamd is, bij We ener aan de an- 
dere zijde voor het eerst in 1555, en toen de dijk weder 
weggespoeld werd, voor de tweedemaal in 1556 (17). 
Doch kwalijk beroept, onzes inziens, arends zich op be- 
ningjl. Wij lezen bij hem, ja wel, hoe de Graaf edzard 
de Gene bij Holtgast, die sedert vele jaren open lag, zoo- 
dat men met geladen schuiten te Holtgast kon aanleggen , 
in 1494 heeft laten bedijken (18). Maar dit zal slaan op 
eene bedijking van den Dollard , die toen zoover binnens- 
lands tot aan Holtgast zal zijn doorgedrongen , waardoor 
deze plaats te midden van de klei of den aangeslijkten 
grond is komen te liggen op eene zandhoogte of gast, 
waarvan zij den naam draagt. Dit blijkt uitdrukkelijk uit 
een bescheid van den jare 1496 , waarin voormelde Graaf 
met Graaf uko aan het Johanniter Convent te Jemgum 
100 deimten van dat nieuws ingedijkte land bij Holtgast 
hebben verkocht, onder beding, dat dat Convent (dat 
toen naar Holtgast zou verplaatst worden) geene verdere 
aanspraak op het overige ingedijkte zou maken (19). Met 
dien naam van Gese of Geise wordt alzoo gezegde polder- 
grond genoemd; ook de aangeslijkte streep gronds, welke 
van Weener tot Holtgast zich uitstrekt, en geenszins be- 
doeld de stroom, welke hier langs zou gevloeid zijn. Die 
naam is misschien verwant met geest, gast, en ontleend ♦ 
even als deze, aan de hoogere ligging des bodems. Zoo 
toch wordt de zandplaat aan den hoek van Pogum in 
den Dollard ook nog de Geise geheeten; eveneens de rand 
der plaat , westelijk van het groote gat in den Dollard. — 
Er schijnt echter wel van Weener, tusschen dit vlek en het 
naast daaraan gelegene landhuis Boswijk , een oud bed der 
Eems geloopen te hebben naar Holtgast , langs die streep 
kleigrond. Dit duidt de grond en de naam van oude Eems, 

(17) Arehds, OstfriesL u, Jever, B. I, S. 168—174. Noordzeehiê- 
Un, D. II, bl. 166 en bL 192—194. 

(18) E. BBNuroA, Kronijk of Riêtorit van Ooitfrksl by matthaw , 
AnaL Vet. aevi, T. IV, bl. 384. Op het jaar 1533, bl. 664, spreekt hij 
ook van de Gese dike by Jemgum. 

(19) Zie dit bescheid bij sddb , Oslfr. Klöster, S. 119. 



Digitized 



24 



welke hij draagt , genoegzaam aan. Maar dit was een arm 
dier rivier , die zich bij Holtgast weder met de tegen- 
woordige Eems zal vereenigd en hier alzoo slechts een ei- 
land gevormd hebben. Die arm mag bij Holtgast en Weener 
afgedamd zijn , doch zoo min als het eerste berigt van be- 
ninga ziet op de afdamming bij Holtgast, even min zal 
zijn laatste op de afdamming bij Weener slaan. Hier 
dunkt ons eenvoudig sprake te zijn van het digten van 
een gat in denEeinsdijk aldaar (20). Arends noemt die 
hereeniging ook den natuurlijksten weg van dien arm, 
doch houdt alleen strijdig daarmede, dat de grond aldaar 
van Holtgast naar de Eems van denzelfden aard is , als 
de overige Eemszoom , namelijk uit zware klei bestaat, in 
plaats uit van poldergrond of den zaveligen bodem , hoedanig 
de Geise bij Holtgast en die van Weener tot deze plaats 
of gezegde bedding van de oude Eems oplevert. Maar 
hoe kan men zoo nabij de Eems een anderen grond 
verwachten, dan die aan hare boorden gevonden wordt? 
Wij houden dus die oude bedding voor niets anders, dan 
voor een verlanden arm der Eems , die zich te Weener ver- 
deelde en të Holtgast weder vereenigde. — Ten noorden van 
gemelde Geïse te Holtgast loopt de Muusdijk, bijna oost 
en west van de Eems bij Jemgum naar de oude Dollard- 
bed^iBg^ dezec,,d^ . mftafa; de scheiding tusschen Opper- 
en Ntdêf^Reiderktnd. Ook hier langs wil men dat er een 
stroom gevloeid hebbe, waarvan de bedding nog hier en 
daar te herkennen zou zijn , en welke den naam aan Rei- 
derland zou gegeven hebben (21). Hiervan is echter niets 
geschiedkundigs bekend; de regte rigting van den dijk 
duidt ook geen loop eener rivier aan : wel kan er eene 
gegravené watering, als gewoonlijk, bij langs geloopen 
hebben. Wij meenen alzoo geen anderen loop van de 

(20) Zoo z egt benïnöa (t. tu p. bi. 815) op het jaar 1555 , dat de 
Gravinnc Van 1 Öostfrieeland het Wemger gat, dat bij des Graven bnko 
jeven niet tocgéèlagen wa* , door Hollanders en Zeelanders heeft laten 
bédden maar mi\ht terstond weder ingebroken ia; en op het jaar 1556 
(bl. 819) dat egge i: ik mening a Drost te Lehrort dat gat toen ingedijkt 

(21) ARE5fos, Erdbesckreib. S. 218. In zijn later werk over de 
Noordzeekusten zw\jgt A. hiervan en hij schijnt dns 
aan dit gevoelen te hechten. 



Digitized by Go< 



25 



Reider Ee dan den opgegeyene door den Dollard te moe- 
ten aannemen (22). 



(22) Wij teekenen hier ten slotte nog het een en ander aan over de 
boven genoemde riviernamen. Ee of Aa , Ae is, gelijk gezegd is, een be- 
kende oude algemeene naam voor een stroomend water en eigen aan vele 
rivieren. Maar is 7)'amme ook een dergelijke meer algemeene dan bijzondere 
naam ? Emmiüs bekent dit niet te weten (Fris. Or. descript. Chorogr. 
f. 39). Wij vermoeden het eerste, daar die naam in het verdrag gelijk- 
namig wordt genomen met watering in het algemeen: „Thyamen , rivü- 
ren ende ook of Zijpen," staat er in het eene oudere verdrag en „alle ol- 
de Tiammingen offte Wateringe" in het andere jongere verdrag. Tjam, 
Tkgamme heeft veel overeenkomst met Thije, Tja, Tjarxjl , zoo als 
de uitwateringen in de ingedijkte landen achter 'tZandt in dit gewest 
genoemd worden, en hetwelk zooveel als tocht of loopend watter, van ft> 
en , tien d. i. trekken , zal willen zeggen. Verg. r. wbstbrhoff , de 
Ku-dder heest ie , Aant. bl. 95. Tjam enz. is misschien een verlengde 
uitgang van Tja enz., even als ook de naam van Eems , de Eem in de 
prov. Utrecht en andere dergelijke van Ee mag zijn en desgelijks een stroom 
aanduiden- Zoo is dan ook blijk!) aar de naam van Sijpe of Zijpe , zoo als 
die in datzelfde verdrag meermalen voorkomt, als eigeu aan kleine vlie- 
tende waters , vooral veenwaters , te beschouwen^ Jn de Provincie Noord- 
Holland heeft men den polder de Zijpe van de vroegere ingebrokene 
moerassige streek misschien zoogenoemd. De oorspTonkelglè ' beteekenfo 
van dit woord zal zijn te verklaren uit Sijpen of Zijpen , stroomen , vloei- 
jen {kjliax t EtymoL oprnw.); doorzijpelen, is Immers hier nog gebruikelijk 
voor doorvloeijen. Zoo mag de naam van Letze oud-Friesch , thans 
Leest, ook koomen van Lekken, en dan hetzelfde zijn en beteekenen als 
Lek , Leek , te weten een langzaam vlietend of gering stroomtfe. Zoo 
wordt de Jfoersloot of scheidssloot tusschen Oostfriesland en Hannover aan 
gene, en ons gewest en rijk aan deze zijde, In een stuk, door den heer 
feith bijgebragt , de Dunebroeker Leetze genoemd , naar de plaats , waar ze 
'angs loopt, nog heden voor een deel de Late. Op dc Dollard kaarten heet 
deze sloot weder de Sijpe. Volgens genoemden oudheidkenner zou het 
oad-Friesche woord Leetze of Letze een moeras beteekenen , en noemt on- 
der het landvolk de gemeene visscher kleine, met gras begroeide pool- 
tjes nog heden ten dage Ladden. Zie zijne Aanteek. bij de a. Verhand. 
van het Gron- Genoota, Pro Exeol Jure Patrio , D. VI , bl. WO. — 
Omtrent de Termunter Ee moeten w^j nog doen opmerken de gissing van 
wbstbhdobp , dat deze geheele rivier certyds of oorspronkehjk den naam 
van Menie of Munte heeft gedragen , even als die van Fivel en Hunse uit 
eene sedert eeuwen in onze streken onbekende taal afstammende , en van 
daar vele plaatsen in het Oldambt dus genoemd zyu , als Muntendam en 
Vermunten, oudtijds Mentena of Mentema, even als het klooster aldaar en 
het geheele Klei-Oldambt zoo geheeten werd ; alsmede Menterwolde , wel- 



26 



TWEEDE HOOFDSTUK. 

Beschrijving van de plaatsen , m den Dollar d 

vergaan. 



Eene bloeijende en bevolkte landstreek moet het ge- 
weest zijn, welke te gronde is gegaan. Dit laat zich uit 
hare ligging aan de Eems en andere genoemde stroomen 

ken naam het Wold-CHdambt en een in den Dollard vergaan kloos- 
ter vroeger droegen. Zie westendorp, Oudheidkunde Tijdschr. St. I , of 
zijne Verhand, over een ontdekten grafheuvel te Termunterzijl , Qron. 
1819, bl 15 en 16. Verg. driessbn, Monum. Gron.l f p. 51. Nergens 
is ons echter de naam van Mente of Munte voor dien stroom voorge- 
komen en sommige dier plaatsnamen laten zich ook wel anders verkla- 
ren. Zoo wil de schrijver van den Tegenw. Staat van Stad «n Lande, U, 
bi 288 , dat de naam van Muntendam eigenlijk Munnikendam zal geweest, 
zijn, trithoofde de veenen aldaar meest kloosterveenen lijn geweest. Dit 
is waar? men heeft er het Munnikenveen gehad, dat ook Munterveen 
genoemd werd, groot 800 akkeren en verkocht voor ƒ25,000 door de 
Provincie in 1650. Zie over dit Munnekeoeen janssoxiüs , vijftal Leerred. 
Gron. 1772 , bl. XXXVII, en sahkes, de opkomst van Veendam, bh 
108 en 112. Muntendam zon diensvolgens niet zijn een dam , gelegd in 
de Mente of Munte , anders gezegd de Ec, aldaar , maar een dam of dijk 
door de Manniken van een of ander klooster , misschien wel het nabu- 
rige Heiligerlee , aangelegd. In het Eexter Hamrik ligt nog eene sloot, 
Papensloot genoemd, in de rigting van dat Klooster en Muntendam en 
waarlangs men verhaalt, dat de Monniken van de eene naar de andere 
plaats voeren. Wij voegen er nog eene derde verklaring bij. Er heeft 
te Muntendam oudtijds een dam of dijk gelegen. Het verdrag van 1391 
maakt daar melding van , onder den naam van hooge dam , en dese 
zal wel dezelfde hooge dam zijn, waardoor de oude A« was afgedamd en 
welke vroeger was gelegen nabtf en boven een klein meerstal, de Wijdte 

gen dam zal aangesloten hebben de oude Veendijk , welke hier om de vee- 
nen van het Oldambt was gelegen tegen het vreemde water , ten behoeve 
van het toenmalige Termunter z ijl vest. Zie nog saknes t. a. p. , bl. 108 
en 109. Zou nn die dam en van daar de hierbij aangelegde plaats niet 
genoemd kunnen zijn Munter of Muntendam naar of even als dit zijlvest naar 
eene der hieronder behoor e nde dos genoemde landstreken zelve ? De schrijver 
van de Oudh. en GesL van Gron. bl. 466, leidt den naam van Termtenten af van 
dien , welke de Abdij aldaar zou gedragen hebben, namelijk , behalve 
dien van M enten a , ook of later dien van Trium Montium (Driebergen) , 
waarvan door verbastering Trimont , Trimunte en Termunie gekomen zou 
zyn , even als een Nonnenklooster in Vredewold of het Westerkwartier 
ook dien naam van Trimont voerde. . Wij twyfelen echter zeer of het 



Digitized by Go 



27 



reeds opmaken. De oevers van de eerste rivier vooral 
bestonden tot op eene aanzienlijke breedte uit zwaren 
kleigrond , waarop een ligtere bodem volgde (23). Bin- 
nenwaarts was het land laag en moerassig, meestal uit 
veengrond bestaande, zoo als nog de ondergrond aan- 
toont en de aangrenzende oude bodem nog heden ge- 
steld is , en hier wel minder dan daar , maar toch ook 
reeds vrij wel bewoond. Dit bevestigt het groot aantal 
plaatsen, welke er zijn geweest en ten onder gegaan. 
L rengers beweert zelfs, dat dit het beste van de 
Friesche landen is geweest, alwaar de meeste edellie- 
den gewoond hebben (24). Men is het echter niet eens 
over het geheele getal der verdronkene plaatsen; de op- 
gaven daarvan zijn verschillende. Vrij algemeen luidt van 



Grijze-monniken-klooster Mentema wel ooit dien naam gehad heeft ; het 
is ons althans nergens daarmede voorgekomen. Altinq, Not. Germ. 
Tnf. II, t 126, leidt den naam van Muntani , welken de bewoner» van 
Termnnten na dien van Menternenaes in het lat^jn verkregen hebben, 
zoo als nog heden Muntjers worden genoemd, af van het kasteel 
Munta, Munt of Munte, hetwelk in z^jn tijd aan den mond der Ee was 
gesticht geworden. Maar dit slot zal wel naar de plaats zoo genoemd 
en de naton hiervan, Termnnten, samengesteld zijn uit het voorzetsel ter, 
<L L tot of te, en Munte, gehjkt blijkt nit de verdragen ven 1391 en 
1426 , waarin to eoowel als ter Munte , gelijk vroeger meer zoo afgezon- 
derd, voorkomt. Het naast dunkt ons nog , dat Munte of Meute , Menten; 
Mentena , Mentema een naam is geweest oorspronkelijk eerst eigen aan 
de landstreek zelve of een deel daarvan, het Klei-Oldambt, en hiervan 
de andere hiermede samengestelde namen af te leiden z'rjn. 

Er is nog genoemd de Zijdwending of Zuidwending. Deae naam , ook 
Zmèwende en Zijdwende geschreven , komt voor een water en ook wel 
▼oor een d\jk of weg van ouds meer voor in deze Provincie en andere 
van ons land en schijnt ook wel eens eene grensscheiding aan te duiden , 
misschien omdat zfl dat tevens was, gelijk bovengenoemde Zrjdwending. 
Dat mag evenwel niet de beteekenis zijn , maar het woord meer aandui- 
den eene kromming, buiging van het water , den cüjk of weg en zaxnenge* 
«teld wezen uit zijd en wending , keering, afwijking van den regten weg , 
zoo als het woord wend en wenda in het oud-Friesch te kennen geeft. 
Zie k. vos kichthofen, Altfries. Worterb. Gött. 1840, op die woorden 
8. 1133 en 1134. Is het eerste lid des woords , gelrjk wü wel eens ge- 
dacht hebben, zooveel als zwet , grens , dan aou het geheel wel eene 

(23) Bmmitjs , Chorogr. f. 39 , bepaalt dien awaren kleizoom aan de 
Eems op 1000 schreden, doch zoo juist zal hfl, zoo min als wtf, m 
staat zijn geweest, dit op te geven. 

(24) Kronijk, II, Bijlage 1 , bl. 273. 



28 



ouds het verhaal, dat er drieëndertig kerspelen of kerk- 
dorpen, met twee kloosters en ééne stad vergaan zijn. 
Zoo wordt het op de Dollardkaarten opgegeven ; en in 
eene beëedigde verklaring van 1665, door den kelner te 
Grijze Monniken en andere oude Oldambster ingezetenen 
gedaan , omtrent het geen hun van den toen- en voor- 
maligen staat der Dollardstreek , zoo bij overlevering en 
geheugen, als ook uit aanteekeningen in een oud Psalm- 
boek (Solter) en registers van dat klooster bekend was, 
worden vierendertig groote schoone dorpen met twee 
kloosters opgenoemd — geene stad — maar deze is er dus 
waarschijnlijk onder begrepen. Wij zullen dit belangrijk 
stuk meermalen moeten aanhalen en , schoon reeds door 
driessen uitgegeven , onder de Bijlagen (No. IV) opne- 
men. I. rengers geeft 31 dorpen op (waaronder met 
name echter , buiten genoemde stad , ook twee kloosters 
zijn) , en wel mede naar een berigt , uit een oud Mis- 
saalboek van datzelfde klooster te Termunten ontleend. 
Op het Archief dezer stad bevindt zich een afschrift van 
eenige aanteekeningen over den Dollard, welke gedeel- 
telijk van gelijken inhoud , als dat berigt van rengers, 
en dus wel uit dezelfde bron zullen geput zijn. Ook 
deze stukken zullen wij onder de Bijlagen (N<>. V en VI) 
opnemen. Emmius zegt, dat er niet minder dan twee- 
endertig dorpen, behalve ééne stad, geweest zijn. Het 
geheele aantal plaatsen, gehuchten en enkele plaatsen 
mede gerekend , bedraagt bij hem , volgens de bijgevoeg- 
de lijst , 45 ; outhof heeft 53 , harkenroht 57 , wïarda 
49; de Tegenw. Staat 52; zooveel geeft arends ook op 
naar emmius, maar nog meer bij name , ook volgens de 
kaart van Emden , en wel 55. Op deze telt men wel 
zoo veel niet , bijv. op die van verburgh omstreeks 
53, op die van starckenborg 52 , en op die van tide- 
man 51 , zijnde er op deze en geene kopij wel eene of 
andere plaats uitgelaten. Het blijft ook moeijelijk dit ge- 
tal juist en zeker te bepalen , aangezien het omtrent som- 
mige plaatsen twijfelachtig is , in hoever zij hieronder al dan 
niet gerekend kunnen worden, gelijk zal blijken uit de 
stukswijze opgave en beschouwing der hierbij in aanmer- 
king komende plaatsen , welke wij hier zoo naauwkeurig 
mogelijk laten volgen. 



Digitized by Go 



29 



Wij zullen eerst nagaan de plaatsen , welke ten westen 
de Ee en ten noorden de Tjamme gelegen waren en deze 
onderscheiden in die, welke tot Reiderland, en dezulke, 
welke tot het Oldambt behoorden, zoo als dit vóór ons 
niet wel geschied is, en tot veel verwarring heeft aan- 
leiding gegeven. 

A. Plaatsen ten westen de Ee en ten noorden 
de Tjamme gelegen. 

a. In Reiderland. 

Westerreide. Een schoon dorp (zelfs met twee kerken vol- 
gens emmitjs) , aan den breeden mond van de Ee , waardoor 
hetzelve van het tegenover liggende Oosterreide gescheiden 
was (25). Naar deze aanzienlijke dorpen of het oord 
hunner ligging wil men niet onwaarschijnlijk dat geheel 
Reiderland zoo genoemd is (26). Wester- zoowel als Ooster- 
reide komen voor op genoemde lijst der Friesche kerken 
onder het Bisdom van Munster, als tot de proostdij van 
Hatzum of Nes, dat is, van Reiderland behoorende, en 
wel boven aan of de eerste van de toen nog bestaande. 
Er is dus geen twijfel aan of Westerreide, schoon ten 
westen de Ee gelegen, behoorde zoowel als Oosterreide, 
tot dat landschap , zijnde een en ander later door de af- 
scheuring van het overige Reiderland, ten gevolge der 
inbraak van den Dollard, bij het Oldambt gerekend even 
als andere deelen van Reiderland. Beide dorpen komen 
alzoo reeds voor in een ouden dijkbrief van het Oldambt 
van den jare 1441 , den oudsten dien wij kennen , onder 
en met de dorpen van dat landschap. Wij hebben hier- 
om, en om de bijzonderheden van namen van plaatsen en 



(25) Emmius, Chorogr. f. 37, bepaalt dien afstand op 1000 schreden, 
en arend s, Erdbeschreib. S. 255, op bijna 1,900 schreden, doch deze op- 
gaaf zal althans wel te ruim zijn , en die van beiden wel onzeker ; ook 
die vermelding van twee kerken in dit dorp. 

(26) En die dorpen zullen oorspronkelijk weder zoo genoemd zijn 
naar de gelegenheid des oords , als leverende eene geschikte lig- of aan- 
legplaat» op , zoo als Reide , dat toch zooveel als Reede zal z'nn , be- 
teekent. Zie Jdiot. Hamburg, op Rekde. 



30 

personen , welke dit stuk bevat , dat zich op het Groning- 
sen e Archief bevindt, hetzelve eene plaats onder de Bij- 
lagen (No. VII) gegeven. Er wordt in twee verzegelin- 
gen , van 1413 en 1426 , almede daar aanwezig, nog van 
het Huü te Reide gewaagd, dat wel te Westerreide zal 
zijn. Uit de eerste blijkt, dat dat Huis toen door zekere 
personen aan de stad Groningen en de Ommelanden over- 
gegeven was, terwijl bij de tweede dat Huis onder zekere 
voorwaarden door die stad ter bewaring wordt gegeven aan 
jacob beier, Proost van Loppersum (27). Nog lang 
bleef Westerreide na de doorbraak overig. In 1575 was 
er nog eene kerk (28). Eerst tegen het einde der 16e 
eeuw is het, naar emmius verhaalt, te niet gegaan, en er 
toen eene schans aangelegd geworden, aan den uitersten 
hoek, welken de Dollard hier van Reiderland overliet, ter 
verdediging van dien landtong, zoo als op oude kaarten 
te zien is. Deze is sedert nog veel afgenomen en moet 
steeds door sterke zeeweringen tegen de golven beschermd 
worden ; en dit geschiedt , omdat deszelfs behoud zoo noo- 
dig is ter beschutting van het land en dienstig ter bevor- 
dering van de aanslijking in den Dollard , gelijk wij zullen 
zien. Er werd eertijds jaarlijks nog eene markt gehouden, 
bekend onder den naam van Eeidermarkt Thans bevat 
deze landtong nog slechts drie huizen ; van de overblijfselen 
der kerk of van het kerkhof is voor jaren nog een zerken 
doodkist opgegraven. Dit , met den naam van Reide , is 
alles wat van Westerreide is overgebleven , terwijl Oos- 
terreide wel geheel vergaan is. Men zie verder hierbij 
wat wij van deze laatste plaats zullen aanteekenen. 

Homburg of Homborg, eenvoudig Borgh op de kaart van 
veebubgh. Dit schijnt ook slechts een burg of steenhuis 
in den uitersten hoek aan den mond der Ee in de Eems 
niet ver ten noordwesten van Westerreide geweest te zijn , en 



(27) De eerste verzegeling is gedrukt in driksskn, Mon. IV, 83*7, 
de tweede wordt vermeld in het Reg. van Gron. Charters van de bitter. 

(28) Teg. Staat v. Stad en Lande, 11, 228; smith, Gesch. d. Prov. 
Groningen, bl. 43—44 en 96, welke verkeerdelijk aan Westerreide 
een Nonnenklooster toeschrijft, even als v. d. aa, Aardrijkst Woor- 
denb. XII, 313, en van Oosterreide daarentegen geheel zwijgt; voorts 
KMMIUS, t. a. pl. 



Digitized by Go 



31 



komt bij emmiüS niet voor. Het is waarschijnlijk deself- 
de plaats , als waar gezegd wordt, dat de Tenxranter Ee 
zich bij het verdronken Zijlhuis in de Eems zou bege- 
ven hebben , maar de Beider Ee zal gemeend zijn (29) 

Teweer, Tijeneer of Düsweer, Düsari, Düswert, ook 
Ditfari, Ditmeer enz., zoo als deze naam op de kaarten 
verschillend luidt en doet zien , hoe deze en gene op de- 
zelve verminkt voorkomen. Het zijn toch alle benamingen 
van een en hetzelfde dorp, Tijsweer, gelijk het bij em- 
mius en in het stuk van 1565 voorkomt, als nog kort te 
voren bestaan hebbende met Zwaag en andere plaatsen. 
Tijsweer komt niet voor op het zoo even genoemde Mun- 
stersche Begister (zoo als wij het kortheidshalve zullen 
blijven noemen), maar wel Siweteswere, als een der ver- 
dronkene Beiderlandsche kerkdorpen. Dit schijnt hetzelfde 
te zijn als anders Ewüsweer genoemd wordt, bij emmius 
Ewirzwere en Ewelweer en van Tijsweer onderscheiden. 
Dit lag ten zuiden niet ver van Westerreide en Ewüsweer 
veel verder oostelijk aan de Ee. Wij zouden echter ook» 
deze namen wel voor dezelfde als Tijsweer willen houden. 
Dit vindt steun daarin, dat de plaats, welke in de voorl 
noemde opgaaf der Dollarddorpen bij rengees Ewijtsweer 
heet, in vermoedelijk hetzelfde uittreksel op het stads 
Archief Thijswere luidt. In dit geval, zou er een dorp en 
wel Ewüsweer uitvallen en wij zullen dit dan ook als 
twijfelachtig op de kaart brengen; hoe dit zij, Tijsweer 
komt zeker genoeg voor en zoo dat het niet wel anders 
dan nog tot Beiderland kan behoord hebben. 

Stokdorp, een dorp ook aan de Ee, nabij en ten zuid- 
oosten van Tijsweer gelegen; Stagestorp heet het op het 
Munstersche Register onder de verdronkene plaatsen van 
Beiderland. 

Zanddorp of Santdorp, ook Sansterdorp en Santerdorp 
op de kaarten genoemd, Zentorp op dat Munstersche Be- 
gister onder dezelfde kerkdorpen; het lag ten zuiden van 
ötokdorp. 

HakJcehum , Hackelsum of Hakelsum ook Baalcsum, en 
naar gissing , dezelfde plaats , welke men onder naam Van 
Kateknesincke op datzelfde Begister onder de 



(29) Zie k rtE mek , Btschrijv. der Prov. Groningen, 8t II, bL 107. 



32 



plaatsen van Reiderland aantreft Het was een dorp in 
de bogt van de Ee gelegen. 

Saxum of Soxum, een dorp zuidelijk van Zanddorp. 
Het zal Haxne zijn, op het Munstersche Register voorko- 
mende onder de nog bestaande Reiderlandsche kerken , 
maar die niets opbragten. 

Hermens- of Harmenswolde , Gharmswoldt op de kopij van 
starckenbobg's kaart van T. B. , mede een dorp westelijk 
van Saxum ; het schuilt misschien op het Munstersche Re- 
gister onder de verdronkene plaatsen van Reiderland on- 
der den naam van Kalentwalt. 

Saxumer- of Soxumerwolde was ook een dorp ten noord- 
westen van Hermanswolde. Het zal HaxenewaU zijn op 

vorige vermeld. 

Wijndeham, Wundeham of Windeham ook wel Wijne- 
ham en Wijnham (alzoo o. a. bij emmius) enz. , wordende 
eene andere plaats ten zuiden der Tjamme ook wel zoo 
genoemd, of Vinelham, Wineldham (aldus bij emmius) 
•enz. Tot deze laatste zal behoord hebben de plaats , voor- 
komende in het verdrag van 1391 onder den naam van 
Wijnedaham , in dat van 1420 onder dien van Wiveldaham 
met de burg of een steenhuis lïjdwijnedaborch of Tioid- 
dmga Borch, als het punt, van waar de Tjamme de grens 
tusschen het Oldambt en Reiderland uitmaakte , zoo wij wél 
lezen (bl. 9). Met deze aanwijzing komt de ligging van de- 
ze plaats, niet die van de eerste overeen. Deze zal echter 
zijn Wynedahaem , hetwelk op het Munstersche Register 
onder de vergane kerkdorpen van Reiderland vermeld 
staat en dus niet lag ten zuiden, maar ten noorden der 
Tjam. Emmiü8 kent aan beide plaatsen gelijkelijk eene 
burgstede toe, als zetel van aanzienlijke Reiderlanders, 
maar die, welke als zoodanig in de geschiedenis voorkomen, 
zullen wel tot de zuidelijk van de Tjam gelegene plaats 
te brengen zijn. Arends meent , in de waan verkeerende 
als of de Ee de grens was , dat Wijndeham verkeerdelijk 
in Groningerland geplaatst is, omdat het tot Oostfriesland 
behoorde; hij gist dat het hier veel oostelijker na aan het 
overig gebleven land heeft gelegen , misschien wel ongeveer 
op de hoogte van Mariënkoer, aangezien men aldaar on- 
middellijk aan den ouden dijk nog vindt een , thans droog 
gemaakt, meer, de Wijnhamster kolk geheeten , en eene 



Digitized by Go 



33 



aanzienlijke streek oud land, aan den Landschapspolder 
grenzende, den naam draagt van de Wijnliarmter lan- 
den (30). Doch dit zal wel te ver gezocht en toevallig 
zijn , dat deze kolk en landen een dorgclijken naam dra- 
gen. Het Wijndeham in de verdragen van 1391 en 1420 
en op de kaarten kan onmogelijk over of ten oosten 
de Ee gelegen hebben , daar het nog aan de Tjam lag. 
Denkelijk zullen die kolk en landen te brengen zijn tot het 
meer en dorp Wijnemeer, hetwelk op die hoogte gele- 
gen heeft aan het voormelde takje van de Ee , hoezeer wat 
lager, volgens de Dollardkaarten , maar dit kan eene on- 
naauwkeurigheid zijn. 

Zoo heeft men ook een Ockeiceer en Haiketoeer of Ailcc- 
weer op de kaart, het eerste ten zuiden, het laatste ten 
noorden de Tj am > waar zij in de Ee valt, maar bij emmius 
en in een n. s. , door otrrnoF aangehaald , omgekeerd. 
Rengers noemt de laatste plaats Aelckcweer. Het schijnen 
toch twee verschillende plaatsen te zijn. Het blijft ech- 
ter onzeker , onder welke van beide Ocketvcer , ih de verdra- 
gen van 1391 en 1420 voorkomende, als in Reiderland ge- 
legen, zal begrepen moeten worden. Een déT onderteekenaars , 
de Hoofdling wtjneko in dat van 1391 , wimcke in dat van 
1420 geheeten, was aldaar woonachtig. Er komt geen dorp 
van dien naam op het Munstcrsche Register voor ; het kan 
zijn omdat Ockeiveer ten noorden de Tjam geen kerk- 
dorp was , schoon de Dollardkaarten het even- als dat ten 
zuiden als zoodanig aanduiden , waaraan wij ons houden. 

"Wij plaatsen nog eenige plaatsen hier, als nog behoo- 
rende tot Reiderland benoorden , en niet bezuiden de 
Tjam, gelijk zij algemeen zijn en worden beschouwd, op 
grond welligt van den niet wel begrepen inhoud, gelijk 
gezegd is , van de verdragen van 1391 en 1420. Daar men 
namelijk hier den loop der Tjam van de Ee af als grens 
tusschen het Oldambt en Reiderland opgegeven achtte, 
moest men wel al de tot Reiderland behooronde plaatsen 
brengen tot dat gedeelte daarvan , hetwelk ten zuiden 
de Tjam lag. Maar aangezien de navolgende plaatsen . 
zoowel als de reeds genoemde , volgens het gezegde Rc- 



(30) Noordzeekusten, II, 171. 

x 3 



Digitized by Go 



34 



gister, in het Munstersche Reiderland en niet in het 
Osnabrugscho lagen , zoo kunnen zij niet anders, dan 
nog ten noorden gelegen hebben ; maar dan moet ook de- 
ze stroom een eenigzins anderen loop, om die plaatsen 
heen , gehad hebben. 

Reiderwolde , een magtig en rijk dorp, of liever vlek, 
met twee kerken en een kollegie van Kanoniken, zoo als 
op de kaart er bij staat aangeteekend , terwijl de plaats 
zelve in eene bogt aan den regter of zuidelijken oever 
der Tjam lag. Op het Munstersche Register worden de 
verdronkene plaatsen Uprederwalt en UtrederwaU genoemd; 
hieronder zullen die beide parochiën te verstaan zijn, 
waaruit liet bestond. Het prijkte bovendien met vele adel- 
lijke huizen of stinsen. De overlevering meldt zelfs, vol- 
gens kmmius , dat er alleen 180 vrouwen waren , welke alle 
eene schaal of spang van louter goud, die een Groning-' 
schen kroes vocht hield , behalve andere sieraden , volgens 
de gewoonte dier tijden, op de borst droegen (31). Dat 
Reiderwolde behoorde tot Reiderland benoorden de Tjam, 
bevestigt nog zijn naam, welke immers zijne betrekking 
tot Reide aldaar te kennen geeft. 

KappeU of Keppeldebeerde , op de kaart van stabckenborg 
door T. b. en op die van tideman staat Rijpeldebeerte. Dit dorp 
wordt opgegeven te liggen ten zuidwesten van Reiderwol- 
de , maar daar het vermoedelijk hetzelfde is als Roden- 
debord op het Munstersche Register, volgende op de voor- 
gaande plaats en dus met deze tot het Munstersche Rei- 
derland behoord hebbende, zal het ook, zij het in die rig- 
ting , ten noorden der Tjam gelegen hebben. 

Palmar, Palmaer, ook Palla , Poll, een klooster dat al- 
gemeen ten zuiden van Reiderwolde en de Tjam , bij een 
meertje of een poel op de kaarten , geplaatst wordt, maar on- 
tegenzeggelijk nog ten noorden van de Tjam lag in het Mun- 
stersche Reiderland. Zoo komt op het Register onder de 
kerken daarvan Poel voor, dat wei geen ander dan Pcdmar 
kan zijn , gelijk dit in authentieke bescheiden als een kloos- 

(31) Outhof, a. w. bl. 190, 191, vergcl. met emm. Rtr. Fris. Hist. 
f. 177, en Fris, Or. Descr. Chorogr. f. 37, en de verklaring van 1565 in 
de Bijlage IV. Eon Groningschc kroes stond gclyk , te minste tijdens 
do invoering van het nieuwe stelsel dor maten en gewigtcn , aan 
1,37106 N. kan. 

f 



Digitized by Go 



35 

ter van het Munstersche bisdom voorkomt. Beiderlei naam 
zal ontleend zijn van de moerassige plaats, waaraan het lag. 
Het moet een aanzienlijk Nonnenklooster geweest zijn met 
een Proost aan 't hoofd van de Premonstreiter en niet van 
de Benedictijner orde , zoo als het op de voornoemde kaart 
van starckenborg verkeerdelijk luidt, op andere kaarten 
van de Werumer orde, naar de Abdij te Wittewierum van de- 
zelfde eerstgenoemde orde. Het droeg ook den naam van Porta 
major en had in 1288 , toen na de eerste doorbraak van 
den Dollard in 1277 en daarop gevolgde overstroomingen 
de staat dier kloosters opgemaakt werd , eene bevolking van 
190 personen. Het bezat, behalve de omliggende landerijen, 
te Kleiwierum, (of Kleinwierum onder Holwierde) en te Flnser- 
wolde eenige plaatsen (voorwerken) in de provincie Groningen 
en het landgoed Boneburg bij Groothusen in Oostfriesland. In 
het jaar 1327 of 1375 werd aldaar in het ond-friesch opge- 
steld het oude Reiderlandsche landregt , dat later onder den 
naam van het Landrecht des Oldenamptes ende des vyfiten 
deels van Reyderlani in 1471 uitgebreid en nader bevestigd 
is geworden te Midwolde, zoo als het nog voorhanden 
is en ook nog den naam van Beüingwolder Landregt 
draagt (32). Van de geschiedenis van dit klooster is ove- 
rigens wel niets meer bekend, dan zijn ondergang. Het 
hield zich staande tot in het midden der 15e eeuw, be- 
schut nog door den dijk, welke, ingevolge het nader te ver- 
melden verdrag van 1427, tusschen de Friesche gewesten 
van de Lauwers tot de Eems met focko ukena en an- 
dere Oostfriesche Hoofdlingen gesloten , van Reide naar 
het Wold-Oldambt gelegd zal zijn geworden. Doch de 
buitendien moerassige bodem maakte het al minder en 
minder bestand tegen het aandringende water , zoodat in 
het jaar 1447 de Abten van Wierum en Dokkum er toe 
overgingen de gezamenlijke bezittingen en bewoners van 
het klooster Palmar onderling te verdeelen. Het klooster te 
Dokkum ontving het goed Boneburg , dat te Wierum al do 



(32) Zie dit Landregt, opgesteld hot eerst, zoo als het opschrift 
inhoudt: per decem electos in terra Reydensi in communi coetu Ihl- 
lae, met de Aant. daarop van de bccren fbith en J. s. o. konikg , 
in de Werk. van het Gron. Gen. Pro excof. Jure Patrio, D. VI, bL 77 
en vv. 



Digitized by Go 



36 



overige landerijen van liet gesticht met den hierop liggenden 
last der dijken ; dit laatste nam vijf nonnen en een leekebroe- 
der even als de Abdij te Dokkum den Proost folkerd en de 
overige nonnen , over , om ze levenslang te onderhouden ; 
van beide zijden werd beloofd de verdeelde goederen te- 
rug te geven , bijaldien het Kapittel hunner orde het 
klooster mogt willen herstellen, nadat de Reiderdijken tot 
in het Wold-Oldambt zouden zijn hersteld. Men schijnt 
het, althans het land, toen met kadijken zoo veel mo- 
gelijk nog omgeven en getracht hebben te behouden. 
Daarvan wordt althans gesproken in het verdrag van 
1454, tusschen Stad en Lande of Groningen en de Om- 
melanden benevens het Oldambt ingegaan , zoo als wij nader 
gullen zien , tot het maken van de Reyderdijken tusschen 
Palmar offte kadijken en Finserwolde. Deze dijken bescherm- 
den het dan nog eenigen tijd, zoodat het, of liever zijne 
plaats in den aanvang van de 16 o eeuw nog bestond , im- 
mers zonder, zooveel men weet, weder als klooster ge- 
diend te hebben. In de verklaring van 1565 wordt Pal- 
mar met Zwaag en Tijswecr door de bejaarde getuigen op- 
gegeven , als plaatsen wier bestaan hun nog bekend was. 
Nieuwe vloeden verslonden ook die bedijking, ten gevolge 
waarvan omstreeks het jaar 1520 de wateren niet meer 
konden tegen gehouden worden en Palmar verloren 
ging (33). 

Megenham. Wij plaatsen hier ergens mede dit dorp, 
en niet , zoo als men bij emmius en op de kaarten bij 
oütiiop en van verburgii aantreft, ten westen de Ee 
aan een takje daarvan (op andere kaarten, zooals van 

STARCKENBORG, FOLKERS , TEYSINGA , 8taat deze plaats 

niet geteekend), dewijl in de gemelde beschrijving van 
den loop der Tjam in de oude bescheiden van 1391 en 
1420 deze plaats uitdrukkelijk genoemd wordt onder die 
gene, waardoor die rivier liep. Zij wordt daar Meggen- 
Jia?n en Meyham geheeten. Op het Munstersche Register 
komt onder de verdronkene plaatsen van de Reiderland- 



(33) Zie suur, a. w. S. 70, u. f. on in /u il. X de oorkonde van 
1477 uit het Aurichcr archief, beholzende do vordeeling van het kloos- 
ter Palmar, welk gedenkstuk wtf ook in Bijlage VIII zullen mede- 
dcclcn. 



Digitized by Go 



i 



37 



sche proostdij voor Afegalzem, en daar deze naam wel 
dezelfde plaats aanduidt , zoo moet dit dorp nog wel ten 
noorden de Tjam in Reiderland gestaan hebben. 

Op hetzelfde Register vindt men desgelijks opgenoemd 
GotJiom na Wynedahaem; zoo mede een dorp van dien 
naam na Wyneham op de lijst bij rengers en de ge- 
schrevene in het Groningsch Archief, hierop Goldthoern, 
bij rengers verkeerdelijk Holtharen {Bijl. V en VI). Nu 
staat er op de Dollardkaarten ook een Golthorn of Gold- 
hoorn , op sommige ook SoUhorn of Southorn , en op de 
eene als een dorp , op de andere als eene buurt opgege- 
ven, doch vrij wat westelijk in den Dollard in eene bogt 
ten zuiden van de Termunter Ee, waaromstreeks wij ook 
nog eene plaats van dien naam opgeteekend vinden in de 
op de Dollardkaarten bijgevoegde schets van den toen- 
maligen boezem , zoodat zij dien ten gevolge in het Oldambt 
zou gelegen hebben. Eindelijk droeg ook nog dienzelfden 
naam van GoUhoom de Kommanderij der Johanniter orde, 
welke te Finserwold in de buurtschap nog zoo genoemd, 
tusschen dit dorp en Oostwold, en dus ook in het Ol- 
dambt , heeft gestaan — misschien wel nader ter plaatse , 
waar eene aanzienlijke boerenplaats nog in 't bijzonder dien 
naam voert — en welk gesticht sedert het begin dor 14e 
eeuw alhier voorkomt (34). Wanneer nu de voormelde 
opgaven alle juist waren , dan zouden er twee verdronkene 
plaatsen van denzelfden naam , GoUhoom , geweest zijn , 
eene in Reiderland en eene andere in het Oldambt, waar- 
van de eerste dan het vroegst is vergaan en de laatste 
later, en deze van gene kan ontsproten zijn, indien zulks" 
het geval niet is met de nog bestaande buurt van dien 



(34) In een Groningsch charter van het jaar 1319, bij drjessbn , Mon. 
III, GI8, betreffende eene uitspraak tusschen den Kommandcur te Stcin- 
furt en de conventen in Friesland van die orde , wordt daaronder ook dat 
van Finserwolde opgenoemd, hetwelk wel niet anders dan do later zoo- 
genoemde Kommanderij van Goldhoorn aldaar kan zyu, oven als in het 
voornoemdo verdrag van 1454 over do bedijking van Patmar naar Fin- 
serwolde en in andere stukken uit de ecr«f£ helft der 15de eeuw , aan- 
gehaald bij akends, Noordzeekusten, II, 168, en suou , Ostfr. Klonter, 
S. 121, 122, die beide echter dit Johanniter klooster in het vermeende 
verdronken dorp Golthoorn plaatsen , zonder aan het oord van dien naam 
te Finserwolde te denken , waar het toen zeker reeds stond. 



Digitized by Go 



38 



naam en er geene verwarring bestaat, zoodat men deze 
of die plaats in Reiderland voor gene in het Oldambt 
heeft genomen. Dit zouden wij wel vermoeden , daar van 
de opgaven de eene , de kaarten , wel de plaats in het 
Oldambt melden, de andere, de borigten, die in Reider- 
land , maar geene beide te gelijk. In dit geval zou er 
alleen een , én wel die in Reiderland onder de vergane 
plaatsen en wel dorpen op te noemen zijn. 

b. Jn het Oldambt 

Hiertoe brengen wij de volgende plaatsen : 
Zwaag of Swaag, Scwaach, Swaegh , Swaghe ; Swartft op dc 
kaart van verburgh , Sioart op die bij outhof enz. Volgens 
deze en de andere kaarten was deze plaats gelegen tus- 
schen de Tjam en do Termunter Ee even binnen den 
ouden Dollarddijk , gezegd van 1545 , op de hoogte van 
Woldendorp , en wordt zij als eene buurt voorgesteld ; in dc 
verklaring van 1565 echter als een dorp, dat toen ge- 
heel vergaan, maar eenigen tijd te voren nog in stand 
geweest was met Tijsweer en Palmar. Het komt in de 
verdragen van 1391 en 1420 duidelijk voor als eene 01- 
dambster plaats en wel nog in het Munstersche Register 
onder de kerkdorpen van de Proostdij van Farmsum , welke 
die van het Oldambt mede bevatte. Men heeft nog eene 
buurt de Zwaag en wel bijzonderlijk de Scheemder Zwaag 
genoemd , ter onderscheiding van dat gedeelte , hetwelk on- 
der de Eext is gelegen, alsmede onder Noordbroek, ge- 
lijk er dan ook op sommige oude kaarten van dit gewest 
een Noordbroekster Zwaag voorkomt; doch deze streek schijnt 
geen overblijfsel van het oude Zwaag geweest te zijn, dat 
meer noordwaarts gelegen was (35). Er loopt nog een 

_ ■ 

(35) Vos ledebuk, a. w. S. 23 verklaart Swaghe op het Register 
door Oude-Swaag en schijnt dus do Scheemder- Zwaag er onder te ver- 
staan , misleid misschien door den naam van oude Zwaag-ztjl , welke men 
op dc kaart dezer provincie van beckeringh en van tiomann aantreft by 
dc oude zijl , die gelegen heeft in do oude Geule , waar deze vroeger door 
den dijk van 1701 uitwateriffe, en even oens is te onderscheiden van dc 
andere te melden ZtvaagzijL Dc naam van Zwaag komt overigens meer 
voor, zoo als in Beelster-, Kollummer-Zwaag enz., en schijnt aan te dui- 
den cene byzondcre grondstrcek , wij hebben wel gedacht , van maai- of 
hooiland, en van zwade of zwaden , cene zcisscn en maa\jen , zoogenoemd. 



Digitized by Go 



39 

eind wegs van Woldendorp zuidoostwaarts, 'twelk den naam 
?an Zwaagweg voert en zeer waarschijnlijk derwaarts leidde, 
zoodat niet ver daarvan de voormalige plaats van dit dorp is 
te zoeken. Men meent die dan ook gevonden te hebben 
in den noordelijken hoek van den Finserwolder polder; 
zijnde hier in den zomer van 1827 bij het graven van de 
bermsloot geheele menschengeraamten opgedolven, 1.9 el in 
den grond , en is deze daarom voor het kerkhof van het oude 
Zwaag gehouden. Naar deze plaats zal ook nog genoemd 
zijn de oude Zwaagzijl, die in oude stukken van het Ter- 
munter zijlvest nog wel voorkomt en in de Termunter Ee 
zal hebben gelegen, waar deze beneden dien hoek den 
Dollarddijk raakt 

Astok, Aestok, Astock , ook Assock, Ackstock en Altock, was, 
volgens de eene kaart, een dorp, volgens eeno andere, 
eene buurt, ten zuiden in de nabijheid van Golthoorn, nog 
dieper in dien westelijken inham van den Dollard gelegen. 
Op het Munstersche Register komt wel Stoth voor onder 
de vergane Reiderlandschc plaatsen, maar het kan wel 
niet hetzelfde zijn naar deszelfs 

plaatsing in het Oldambt gelegen hebben. Misschien is 
Stootshorn , dat als een gehucht bij Noordbroek nog op oude 
kaarten van dit gewest, als die van starckenborg , voor- 
komt, alsmede in eene Stads Resolutie van den 26 Mei 
1666, maar dat nu niet meer bekend schijnt, hiervan nog 
afkomstig , en daarentegen Stoksterhorn onder Nieuw-Beerta 
van gene plaats, straks te vermelden. 

Er wordt ook algemeen opgenoemd, en op sommige 
Dollardkaarten gevonden, zoo als op die bij Oütiiof en 
door verburgii afgeteekend, doch niet op die van starc- 
kenborg, tideman, folkers enz., Beerta, Berüta of 
Bcrethe, als een dorp, liggende ten noorden van Mid- 
wolde aan een takje (de oude Geuto?) van de Tjam ; 
maar het bestaan van dit dorp , althans hier ter plaatse , 
komt ons ook zeer twijfelachtig voor, en wij houden het 
voor later bijgevoegd, door verwarring met het nog be- 
staande Beerta ten zuiden van de Tjam of met een kloos- 
ter van dien naam in Oostfriesland. Zoo is Berda, 
in het verdrag van 1391 voorkomende, voorzeker ons 
dorp Beerta, Dit blijkt uit het hernieuwde verdrag van 
1420, waar in plaats van den Hoofdling uit Berda, met 



Digitized 



40 



name liwert iiayens, de Hoofdling wy^vwert iiayens 
in het onderlioorigo Ulsda, zeker een afstammeling van 
den vorige, als onderteekenaar genoemd wordt; en in 
het Munstersche Register wordt geen Beerta opgeteld, 
noch in Reiderland, noch in het Oldambt. Wat men 
hier en daar van een Premonstreiter Nonnenklooster van 
dien naam vindt en toepast op het hier of daar verdron- 
ken Beerta , of op het tegenwoordige Beerta en een vroe- 
ger klooster aldaar, is onjuist, of zal het klooster Bere- 
tlte of Bartlia in Oostfriesland gelden (36). Wij meenen 
dus zoodanige plaats niet te moeten opnemen onder de 
rij der verdronkene plaatsen in den Dollard. 



(36) Zoo spreekt emo in zijne kron'rjk (mattii. Anal. II, 4) van de 
stichting van het Maagdenklooster , dat te Kuscmar onder Marum in het 
Wcsterkwartier gestaan heeft en St. Maria's poort ( Portus Mariae) genoemd 
is, door den Proost van het Nonnenklooster te Berethe in het begin der 
13o eeuw, na dat van Schildwoldo en anderen. De schrijver van de 
Oudk. en Gest. van Groningen (bl. 465 vcrgl. met bl. 162) plaatst dat 
'Berethe in hot tegenwoordige Beerta en zegt even onjuist, dat dit kloos- 
ter naderhand naar Maria's poort verplaatst is, vermoedelijk omdat hy 
er geen overblijfsel meer van vond. De schrijver van den Teg. Staat van 
Stad en Lande (II, 219), willende dit berigt verbeteren, zegt, dat dit 
van het verdronkon Berethe is te verstaan , maar faalt niet minder hierin 
en in zijn zeggen, dat na don watervloed van 1287 in het klooster Be- 
rethe aldaar nog 40 monniken waren overgebleven. Zoo hadden ook 
reeds öAjthóf, «arkenbout en wiaïïda Beerta voor eenc der verdron- 
kene plaatsen gebonden, en daarin een monnikenklooster geplaatst; waar- 
in arend* (Noordzeekusten, II, 168) hen navolgt. Die meening berust 
op de opgaaf van do bevolking der Frieschc Premonstreiter of Nor- 
bertijner gestichten , na die ovorstrooming overgebleven , te vinden bij 
sibrandi LEONI8 vita et res gestae Abbat. in Lidlum. in mattu. Anal. T. III, 
p. 550 en voor oen deol overgenomen door emmius, lier. FrisHisLf. 179 
on westendorp , Jaarb. II, 52, 53. Hieronder wordt ook Bereüie ge- 
noemd, doch blijkbaar het Oostfrieschc klooster van dien naam bedoeld, 
hetwelk eerst of oorsponkelijk door monniken naar het schijnt, maar la- 
ter door y nonnen werd bewoond. Zoo worden op het llegistrvm curarum 
onder do Proostdij van Leer do Monachi in Berthe prem. ord. opgenoemd. 
Zie dat bij van* t.kdebur, a. w. S. 34 on 110. Emmius plaatst het dan 
ook te regt in Mocrmerland aldaar. Ook wordt er dc toenmalige bevol- 
king niet op 40, maar 140 personen aangegeven. Dit klooster Berethe in 
Oostfriesland is waarschijnlijk genoemd Porta Frisiae orientalis , gelijk des* 
zelfs dochter , het Kuscmer klooster , ter onderscheiding hiorvan Porta 
S. Mariae. Süur , welke, a. w. S. 101, over dit Oostfrieschc klooster 
Barlha spreekt , zal zich dus wel vergissen , als hij waarschijnlijker 
acht, dat het klooster Pahnar dien naam van Porta Fris. o r . gevoerd 



Digitized by Go 



41 



Onder de voormalige plaatsen in het Oldambt is daar- 
entegen hier nog te noemen, schoon niet op de Dollard- 
kaarten vermeld, het klooster Menterwolde of Menterawolda , 



heeft In datzelfde Register komen ook roor onder dezelfde Proostdij 
Cruce êignati in Porta. Hij noch v. lbdbbur weten welk Johannitcr- 
kloostcr daaronder te verstaan zij, maar het is blikbaar dat, hetwelk 
te Hasselt naby BertJic gclcgon is geweest, niet dat te Hcssel, ge- 
lijk von ledebub meent, hetwelk op het Register onder don naam van 
Cruce signati in llerslo zal begrepen zijn. Verg. nog süüb, a. w. S. 121 
en 124 over deze conventen. De tfld der stichting, dien htf ook niet 
weet, kan uit het boven bijgebragte uit bmo aangevuld worden , alsmede 
wat hare opheffing aangaat, uit betgene volgt. W\j vernemen uit suub , 
dat het goederen bezat in Groningerland, als een heerd lands te Ecl- 
werd onder Opwierdc, welke de nonnen, uit nood gedwongen, in 1586 
moesten verkoopen ; hij wil het berigt van abehos (Erdbescltreib. S. 552) , 
dat hot klooster Bartha met dat van Schildwolde in Groningerland in 
1576 ia veroonigd geworden , alleen van deze goedcron alhier verstaan 
hebben , omdat de Oostfricscho tot de GrafeÜjke domeinen zijn getrok- 
ken. Dezo inlyving van het Oostfriesche Nonnenklooster Bartha in dat 
van Schildwolde, wordt ook vermeld in den Tegenw. Staat van Stad en 
Lande, II, 370. Hoe zij echter eerst haar vol beslag verkreeg in 1587, 
na veel geschrjjfs er over, is te zien uit de stukken deswege aangehaald 
in het Register van Charters van db bitter op de jaren 1564, 1576, 1580, 
1582 en 1587, en meerendeels in zyne nagelateno verzameling aanwezig. 
Wij moeten nog aanteekenen, dat, volgens von ledebub, in het H. S. 
van het meer genoemde Register van kindlinger onder de Oldambstcr 
kerken , door dezen met potlood tusschen hot klooster to Tcrmunten on 
Woldendorp ingeschreven is (Berta Claustrwn). Volgens kindlinger zou 
er dus zulk een klooster in het Oldambt gestaan hebben, maar hiervan 
is niets bekend. Von ledkbur (a. w. s. 23) verstaat er onder do Beerta , 
maar dit kan het niet zijn , omdat deze plaats , in Reiderland en wel be- 
zuiden dc Tjam , en dus niot onder het Sticht van Munster behoord heb- 
bende , in dat Register geen plaats kon beslaan , al stond er ook een 
klooster van dien naam aldaar. Westendorp gist, dat het klooster Ber> 
tha onder Finserwoldo gelegen heeft, waar men op i/ 4 uur afstands van 
dit dorp, naar don kant van Veenhuizen, eenigo doodkisten, eene poort, 
zwaar uitgestrekt muurwerk, en meer andcro bijzonderheden , als over- 
blijfselen eener oude Abdij aantreft. Zio a. Beschrijv. der Prov. Gronin- 
gen, door ii. krbmer, St. II, bl. 98. Dit is evenwel slechts eene gis- 
sing en er bestaat gecne dc minste zekerheid, dat deze overblijfselen van 
een klooster , nog mindor van een klooster Bertha zijn ; veeleer behooren 
zc tot dc kerk van het verdronkene cn hior omstreeks gelogen hebbende 
dorp Oostflnserwoldc , zoo als wy zullen zien. Evenmin zal er in Rei- 
derland benoorden de Tjam dergclyk dorp of klooster bestaan hebben , 
daar er op hot voornoemde Register geenc melding van gemaakt wordt. 
Er biyft dus nog alleen over de eerstgemolde gissing, volgens welke het 
in of bü het tegenwoordige Beerta bezuiden de Tjam mag gestaan heb- 



42 

van de landstreek, waarin het lag, waarschijnlijk zooge- 
noemd, namelijk het Wold-Oldambt, dat oudtijds dien naam 
schijnt gedragen te hebben, gelijk het Klei-Oklambt dien 
van Mentene en ook van Menterna. Zoo komen zij toch 



ben. Hiervoor zon pleiten de naam van Klooitergare , welken aldaar van 
onds dragen zekere kloosterlanden , bij de verdecling der kloostergoede- 
ren tusschen de Stad en Provincie in 1618 aan do eerste gekomen, en 
dien nog vooral heeft behouden die streek, welke ten z.z. w. van het dorp 
is gelegen en zich tot aan do Pekel Aa uitstrekt. Het hooge cn zandige 
gedeelte heet thans do Zandhoogte, en op deze zandhoogto bevinden zich 
de landen, door do stad, b() de gezegdo scheiding verkregen en thans 
sedert lang bestaande in twee boerenplaatsen , doch volgens de akte dier 
verdeeling vroeger éénó met den naam van Clooster Gaere uitmakende. 
Volgens de overlevering zou op die zandhoogte een klooster hebben ge- 
staan en inderdaad levert do grond aldaar nog sporen van vorige bewo- 
ning op, die men daaraan wol wil toeschrijven. Fbitii, welke dit me- 
dedeelt , verklaart het woord gare door gaard , een hof, tuin of in het al- 
gemeen eene omheinde plaats, en zoo ook een landgoed of boerderij. 
In Westerwolde ontmoet men op verscheidene plaatsen nog den naam van 
gare, als bij de Luthorschc kerk, by Winschoterzij 1 onder Blijham , cn elders; 
ook den naam van gaarveenen voor veenen die by boerenplaatsen en wel 
bij verscheidene kloosterplaatsen in deze provincie behooren of hebben 
behoord. Zie het Groninger Beklemregt enz., D. II, Gron. 1837, bl. 331 — 
333. In eene geschreveno aanteekening heeft Mj echter in zijn exem- 
plaar van dit werk er bij gevoegd eene opheldering hem door den heer 
Mr. h. l. wichseb gegeven, dat men door Gaarveenen verstond, veenen 
die gaar of aan do snede gebragt waren of konden worden , in tegen- 
overstelling van ongare veenen, welke nog niet afgetapt, begrupt en bc- 
raaid waren, zoodat men ze nog niet snijden kon of er turf graven. De 
weg van Midwolde na Nieuwolde heet do G'are- of (Jee re weg on wel zoo , 
omdat hij geert of schuins loopt door de polderlanden. Welke do be teekenis 
-/ ij van gare , gemelde plaats de Jüoostergare is blijkbaar een kloostergoed 
geweest, maar de vraag blijft, of er op zich zelf een klooster op gestaan 
heeft en ze niet liever behoord hebbo tot een of ander naburig klooster en 
wel Heiligerhe, dat behalve te dezer stede, in den omtrek vele bezittin- 
gen heeft bezeten , en ook by gezegde scheiding aan de stad gekomen 
is , benevens meer andere landorijon , dio mede waarschijnlijk daaraan 
behoord hebben. Van een afzonderlijk geestelijk gesticht aldaar ia niets 
bekend, en had er zoodanig een geweest, dan zou men er nog wel er- 
gens iets van vernemen. Wij meen en dus ook zeer te moeten betwijfe- 
len , dat er een klooster en wel het Nonnenklooster Bertha in de Beerta 
zou gestaan hebben , zoo als o. a. ook nog van meening zijn I* van 
dolhuis, Inwijding der kerk van Oostwold, bl. 46, en smith , a. w. bl. 73, 
dio, wat hij hier van het Nonnenklooster B< < rla in de Beerta vermeldt, 
elders, bl. 97, ook deels van het verdronkene Beerta herhaalt. Volgens 
hem ook cn krsme&'s Beschrijving van Groningen, bl. 94, zou die boer- 
derij by de Zandhoogte den naam dragen van Kfoostergavc (?). 



Digitized by Go 



43 



voor in de verbonden tusschen de Stad Groningen, in 
1283 met dit deel (of de nooiles hommes de Mentene) en in 
1287 met dat deel (of de nobilee hommes de Menterewolde) 
gesloten (37). Zoo komen beide ook bij de Wierummer 
kronijkschrijvers en elders meer voor (38). Van een dorp 
Menterwoide , dat sommigen hier ook bij brengen, wordt ner- 
gens uitdrukkelijk gewaagd , doch wel van een klooster , 
blijkens de volgende berigten , die ons met deszelfs geschie- 
denis vrij naauwkeurig bekend maken. De levensbeschrij- 
ver van de Abten van Aduard meldt ons, hoe er eerst 
eene Abdij te Menterwoide op de plaats Kampwoude (Cam- 
pi* Sijlvae) door de Abdij van Aduard is gesticht in het 
jaar 1259, maar alreeds in 1399, wegens de herhaalde 
overstroomingen is verlaten en verplaatst geworden naar 
Menterna of het Grijae Monnikenklooster onder Termun- 
ten. Er wordt daar bij gezegd, dat de drie eerste Abten 
van het klooster te Menterwoide binnen zeker kapel aldaar 
begraven zijn, welke kapel onder de wateren van don 
Dollard bedolven is (39). Dit wordt bevestigd en opge- 



(37; Zie DBiBSSKN, Mon. I, het eeratc p. 48, hot laatste p. 50, met 
zjjne aanteeken. daar bij. 

(38) Zie do plaatsen aangehaald in stratikoh , Alouds Staal, II, n, 
132 en dit werk verder hierover. 

(39) Zio de nieuwe uitgaaf van dio levensbeschrijving in Spec. Theol. 
cont. vitas ac gesta AbbaL Ad werden*, van Dr. KOPPIOT, Gron. 1850, p. 8, 
en dezelve vertaald in de Oudh. en Gest. van Groningen, bi. 222 en 223. 
De schry ver van dit werk spreekt later, bl. 467, van het dorp Menterwoide, 
waar het klooster van dien naam gesticht zou zijn , en wel op eeno plaats 
de Woldkamp geheeten , waar de kapel had gestaan , waarin do drie eer- 
ste Abten begraven zijn. Doch , zoo als wij hebben gezegd , van een dorp 
Menterwoide in ons niets stelligs gebleken. Wij hebben wel mot hem don 
naam van Campi* of Campi Sylvae voor den byzonderen naam van do 
plaats, Woldkamp, waar do kapel en dns ook het klooster Menterwoide 
gesticht was , boven aangenomen , schoon het ons nog twijfelachtig is , 
of ia de bijgebragte berigton die naam niet dezelfdo cn ecno latijnschc 
vertaling is van dezen. Emmius sproekt onjuist van Menterna, als het 
vergane klooster, dat daarop naar dat van Gryze Monniken bij Termun- 
tcn verplaatst is. Chorogr. C 38. Maar hij scheut Menteme voor hetzelfde 
met Menterwoide to houden. Fris. Wat. f. 179. De schrijver van den 
Teg. Staal van Stad en Lande , II , 227 , houdt Menterwoide voor oen 
Bernardynor Nonnenklooster en gist , dat om ergernis te vermyden , de 
nonnen naar het Bernardijner klooster dor Grijze vrouwen te Midwoldc 
.zouden zyn overgebragt. Dat hier zulk een klooster gestaan heeft is 



44 



helderd door de verklaring van 1565 en de oude aan- 
tcekening, beide in Bijl IV en V medegedeeld. In de 
eerste worden Menterwolde en Palrnar opgenoemd, beide 
als kloosters in den Dollard verzonken , en leest men , dat 
die drie eerste Abten van Mentema, volgens eene aan- 
teekening , die , als gezegd is , in een oud psalm- of kerkboek 
(Solter) bij dat convent berustende was , in de olde Stoeve , d. i. 
wel ter stede van die oude kapel van het voormalig kloos- 
ter, begraven liggen, welke plaats toen in 't diepste van 
den Dollard was gelegen , behalve een deel akkerland van 
die olde Stoeve , waarop de (oude) kerk van Midwolde met 
een deel van het koor gebouwd was. Geheel overeenkom- 
stig hiermede luidt, hetgeen voornoemde aanteekening , 
misschien wel uit dezelfde bron, inhoudt, omtrent de stich- 
ting en verplaatsing van het klooster Menterwolde. De 
voormalige plaats daarvan of de olde Stoeve wordt daarin 
nog nader omschreven te zijn een Vledder (d. i. waarschijn- 
lijk eene moerassige plek gronds), in de uiterdijken, achter 
Wagenborgen in den Dollard gelegen. En zoo wordt nu 
hiernaar eene plaats de Stoeff bij rengbes in het uittrek- 
sel van dat of dergelijk berigt (Bijl VL) onder de ver- 
gane Dollardplaatsen opgeteld. Die plaats is nu zeker de- 
zelfde , als het akkerland , dat voorkomt in do rekeningen 
van den Rentmeester der Klooster- of Provinciale vaste 
goederen van 1603 en vervolgens , en dus 'als oud klooster- 
goed, onder den naam van die Stoeve, behoorende bij eene 
boerenplaats, die bij den ouden Dollarddijk gelegen was, 



waar en blijkt niet alleen uit eene oorkonde , die hij aanhaalt , maar ook 
uit de plaats , die op de Dollard- en andere kaarten , alsmede door van 
BOLiïtJis , Oostwolder Kerkinwijding, bl. 46, wordt aangewezen, iets ton 
noorden van het dorp; maar Mentema was een mannenklooster, geen 
dubbelklooster, zoo als de schrijver der Oudh. en Gut. wel stelt, maar 
meer naar waarheid daarop laat volgen , dat althans digt by Mentema een 
klooster heeft gestaan van Cisterci-nonnon , de Grijze vrouwen genoemd. 
Do plaats is nog bekend , maar bestaat thans uit bouwland , behoorende 
bij cono boorenplaats , die het eigendom der Stad Groningen is en in do 
kom des dorps is gelegen. Op do plaats van het Grijze Alonnikenklooster 
staan thans vier aanzienlijke boerenplaatsen, welke nog dien naam dra- 
gen. Zio verder hier over van der aa , Aardrijksk. Woordenb. , IV, 
866 en 867, schoon ook zyne berigtcn over die oude kloosters niet geheel 
juist zijn 



Digitized by Go 



45 



strekkende over dc Ae in den DoUard, en nu den eersten 
heerd uitmaakt beoosten de Kerkenlaan onder Midwolde en 
Nieuwolde (40). Men kan dus, schoon die plaats nu niet 
meer bekend is, hieruit ook nog genoegzaam opmaken, 
waar het Benedictijner klooster Menterwolde gestaan heeft, 
ten noorden immers niet ver van het oude kerkhof van Mid- 
wolde, welks ligging uit het volgende nader zal blijken (41). 

Zoo moeten ook de volgende plaatsen in het Oldambt, 
die nog wel in naam , maar niet meer zoo als voorheen be- 
staan, min of meer onder de verdronkene plaatsen geteld 
worden. 

Arends en anderen noemen nog Mmar of nu Fimel en 
Bonsum of Baemmm , nu meer Baamsum, Bamsurn , onder 
de verdronkene plaatsen op (42). Deze zijn echter nog 
gedeeltelijk over , schoon veel geleden hebbende , even als 
de landen van Dallingeweer en Termunten, onder de ge- 
meente van welken naam zij thans alle behooren. Hoe- 

(40) Zie de extracten uit die Rekeningen der jaren 1603 en 1604, 
medegedeeld door fsith in het Groninger Beklemregt, II, 150. Dio oldc 
Stoeve behoorde tot het land of de plaats van abel derhs kinde- 
ren, waarover in der tijd zulk een zwaar pleitgeding is gevoerd, waarvan 
het eindvonnis ook aldaar bl. 1 en verv. is medegedeeld. Het land wordt 

in die Rekeningen aldus omschreven: „ b\j de Dullartsdijck , 25 

„deimpten, streckende oucr dio Ae in den Dnllart, als ock noch 17 
„deimpten , de lange Mede , met dat Nylandt , vnde S deimpten, die Stoeue 
„gehieten, met dat nye landt." In de volgende Rekeningen van 1608 af 
wordt de naam van die Stoeue niet meer gevonden, maar zeker begrepen 
onder dc 27 d. nicnw aangewassen land , de lange Mede , met dat Nyelandt. 
Zoo zal ook de ligging der plaats met den naam wel verloren zijn ge- 
gaan. Wat de beteekenis daarvan aangaat: ingiet oud-Friesch betec- 
kent Sta, Stoe, Stwe eeno zekere plaats of stede en wordt in dc oude 
Frieachc wetten gebruikt voor eene kerk- en regtplaats. Angelsaks. is 
Stav en IJsL Sta hetzelfde, ook een verblyf. V. bjchthoven, Altfries. 
Wörterb. S. 1050, op Sto. Hier zal het dus wol de oude plaats der voor- 
malige kloosterkapel van Menterwolde aanduiden. 

(41) Geheel verkeerd heeft smith op het Dollardkaartje achter zijne 
Geschied, der prov. Gron. Menterwolde geplaatst ten oosten van de l^jam 
in Reiderland en wel mede als een dorp. 

(42) Erdbeschrtib. S. 255. Noordzeekusten, II, 168. Hij verstaat (Wa- 
tervloeden bl. 31) onder Fischmar , waarvan menco in zijne Kronijk (l>ij 
matth. Anal. II, 166) op het jaar 1262 verhaalt, dat aldaar door dc 
overstrooming cone sluis was weggespoeld, eeno plaats in den DoUard, 
schoon al niet het tegenwoordige Fimel of Fimar in het Oldambt , zoo 
als emmiüs (Rer. Fris. Hisl. f. 164) en anderen op z'gn vootspoor. Wes- 



4ti 



veel van deze , tusschen Tijsweer en Zwaag gelegene plaat 
sen verloren is gegaan, blijkt nader uit de opgaven in de 
verklaring van 1565 te vinden (43). Even zoo is het land 
aan de Eems van Temiunten naar Oicvdum en verder zeer 
afgenomen , zoodat de dijk aldaar meermalen heeft moeten 
ingelegd worden , gelijk wij zullen zien , en de oude stand- 
plaats dier dorpen zelve voor een groot deel door de gol- 
ven is ingenomen. Van Oterdum zijn de sporen der voor- 
malige bewoning meermalen buiten den zeedijk gezien , aan 
wiens voet nu de kerk staat, en het thans geringe dorp 
was voorheen eene plaats van belang. 

Voor het tegenwoordige Midwolde heeft er een oud 
Midwolde meer noordwaarts gelegen. Emmius meldt zelfs , 
dat Midwolde wei tweemaal verplaatst is (44). Hoe dit zij, 
het oude Midwolde was een groot en rijk dorp , de woon- 
plaats van vele adellijke familien , zoodat er wel 180 steen- 
huizen stonden, volgens de verklaring van 1565. In 1413 
is er de oude of nu niet meer bestaande kerk gesticht 



tehdorp meldt ook eerst (Jaarb.1, 341), dat toen te Fismar in het 01- 
dambt eene sluis wegspoelde, en iets verder (bl. 343), ditzelfde voorval 
meer omstandig verhalende , dat die slnis lag in het Vischmaar of het 
diep , loopende van Wittewierum bij Bovendijks in het Damstcrdkp , thans 
het Vischhumer-maar genoemd, en dat het aan de kloosterlingen van Wifr- 
tewierum en aan de bewoners van dit kerspel en van Woltersum veel 
werk kostte, om die doorbraak te stoppen. Uit deze bijzonderheden, 
welke door mbhco er bij vermold wordon , blijkt derhalve voldoende , 
dat de slnis niet te Fimel noch ergens in het Oldambt, maar ter laatst 
gezegde plaats in Fivelingoo moet gezocht worden , gelijk de Vischmaar~zijl 
er bevorens nog bekend was. Zie krbmer , Beschrijv. der Prov. Gron. 
bi. 224. 

(43) Volgens oude registers, wordt daarin gezegd, waren in de ja- 
ren 1521—1524 Groot-Termunten nog van 700 grazen, Fimel van 650 
gr., Dallingeweer van 700 gr., Bamsum van 720 gr., Reide van 900 gr. 
(elke honderd tot zes stygen of 120 gr. gerekend) ; en toen in 1565 bedroegen 
al de landen van die plaatsen maar 2110»/ 2 gr. moer, dus juist de helft 
minder, en hoeveel zij sedert nog afgenomen zijn, blijkt uit de inzage 
van de tegenwoordige schot registers van het Termunter zylvest, volgens 
welke al de schotgevende landen van het Kloi-Oldambt onder dat zijl- 
vest bedragen 2137 dcimt, namehjk Groot-Termunten 800 d. , Wolcfen- 
dorp 800 d. , Oud- (Klein-) Term tm ten 200 &, Gr^ze-monniken 200 d., 
Les terhuis 137 d., dus maar 1337 d. meer, met aftrek van Woldendorp , 
onder bovenstaande opgaven niet begTepen, maar volgens een daarmede 
overeenstemmend oud register van 1555, 1324% gr. bevattende. 

(44) Chorogr. f. 38. 



Digitized by Go 



47 



door reinste of retnske abdena , dochter van den mag- 
tigen Proost hiske abdena van Emden en de vrouw 
van hajo addinga, Heer te Wedde van Weaterwolde, 
nit hare eigene goederen. Het was een groot gevaarte, 
eene kruiskerk met vier torens , alles van steen , waarvan 
de Oldambtsters het afbeeldsel vervolgens in hun wapen heb- 
ben gevoerd. Misschien werd deze kerk toen reeds op eene 
andere meer binnenwaarts gelegene plaats dan de vorige, 
om den aandrang van het water, gebouwd en ook het dorp 
verzet. Zij kwam dan naderhand door de niet ophoudende 
inbraken van den Dollard weder aan den oever daarvan te 
liggen, bleef aldus aan zijne woede blootstaan en alleen 
nog lang overig van het dorp, dat overigens door de 
baren werd ingezwolgen of binnenwaarts verlegd. Zij 'stond 
alzoo nog even binnen den dijk van 1545, die er omheen 
liep , zoo als wij haar op de oude kaarten nog aantreffen , 
terwijl het oude kerkhof daarvan nog aanwezig is , een % uur 
ongeveer thans van de tegenwoordige kerk te Midwolde 
beoosten de Kerkenlaan gelegen. Nadat in het jaar 1667 
een der torens van ouderdom was ingestort, is de meer 
en meer bouwvallig wordende kerk in het begin der vorige 
eeuw geheel afgebroken en door eene nieuwe vervangen , 
midden in het verplaatste dorp, die voltooid werd in 
1717 (45). 

Scheemda lag insgelijks voorheen verder noordwestwaarts , 
en is ook, wa,t het dorp aangaat, geheel verplaatst. Dit- 
blijkt mede uit de ligging van het oude Scheemder kerkhof , 
even zoo aan den ouden dijk van 1545, een % uur noord- 
westwaarts omstreeks van de tegenwoordige kerk of het 
dorp , dat zich ook geheel als nieuw voordoet en als met de 
Eexta vereenigd. Men heeft onlangs (1852) op dat oude 
kerkhof het puin uit den grond weggeruimd, maar be- 
halve de oude grondslagen eener kerk, niets bijzonders 
ontdekt. 

Van de Meeden is het insgelijks bij overlevering bekend, 
dat dit dorp eertijds brjlangs den lagen- of ouden weg ge- 



(45) Zie iiarkenroiit , O. O. bl. 318, 319. Oudh. en Gest. van Gron. 
bi. 461. Tegenw. Staat van Stad en Lande II, 221. Sm n u , a. w. bl. 
121, die echter verkeerdelijk de afbraak der oude Midwolder kerk in 
het begin der 17de eeuw plaatst. 



48 



staan heeft, gelijk er nog puin van woningen in den grond 
gevonden wordt, alsmede een zoogenoemd oud kerkhof, 
juist op den hoek waar die weg naar het dorp gaat, en 
dat de bewoners deze hunne woonplaatsen wegens de in- 
braak van don Dollard hebben moeten verlaten en meer 
zuidelijk verplaatsen op de hoogere zand- en veengron- 
den. Het had eertijds slechts cene kapel , onderhoorig 
aan do Eexta , en van daar wordt het nog op het Munster- 
sche Register Extengamedum , d. i. Eexter Meeden geheeten. 

Volgens sommige oude kaarten, als die van staucken- 
bobg, lag het oude kerkhof en dus waarschijnlijk ook de 
kerk van Zuidbroek meer oostwaarts aan den ouden weg 
bezuiden Uüerbuiren, waaraantoe de kleigrond reikt Zij 
zal derhalve ook om de overstrooming op den "hoogeren 
grond,» waar zij nu staat , verplaatst zijn , misschien ook wel 
met een , deej van het dorp ; ja, met Noordbroek mag 
dit ook wel gebeurd wezen , daar men eveneens aan den 
zoogenaamden Pastorieweg een oud Noordbroekster kerkïiof 
vindt. 

Even als de Dollard van dezen kant zoo ver in het 
westen en het zuiden het Oldambt is binnengedrongen, 
zpo zijn ook nog ten oosten van Midwolde andere plaat- 

min of meer verdrongen. 

Oottwolde strekte zich desgelijks wat verder noordwaarts 
uit , en misschien heeft eenmaal de kerk gestaan ter plaatse 
van de oude pastorij (46) , zoo niet vroeger eene nog lager. 
Voor de kleine kerk, in plaats waarvan in 1775 de tegenwoor- 
dige sierlijke kruiskerk is gekomen, heeft er eene groo- 
tere gestaan, die, zoo als rengers verhaalt, door den Her- 
tog van Qelre is gesloopt , hebbende de steenen naar Delf- 
zijl gevoerd erf deze plaats er mede bevestigd. Ook het 
voortijds zoo aanzienlijke dorp was , zegt hij , toen schier 
geheel verdwenen, zeker door den Dollard (47). En 
nog moet er eene vroegere kerk gestaan hebben, die 
in 1843 gesloopt is , waarschijnlijk almede ten gevolge 
van de inbraak der Dollardwateren , blijkens de man- 
damenten of aanschrijvingen van dat jaar, door de 
* * •? - * * • 

(4G) ~Van BOLHriP, OostwoMer Kalcinwijding, 1>1. 175. 
(47) Kronijk, I, 74. 



Digitized by Go 



49 



stad Groningen afgegeven en in afschrift in haar Archief 
voorhanden , betreffende het leggen van zeker hoofd aan 
den Dollarddijk (bij Hamkenpad) , waartoe mede gebruikt 
zou worden de puin van die kerk te Oostwolde en die te 
Winschoten (48). 

Flnsencolde zal ook veel geleden hebben ; buiten het dorp 
ten noordoosten nabij den Ganzendijk is eene kerkenplaats , 
waar de grondslagen van eene kerk en vele lijken met zer- 
ken doodkisten gevonden zijn , zoodat hier misschien ook 
eene vroegere kerk dier plaats gestaan heeft. Wij zouden 
althans deze overblijfselen liever tot dit dan tot het vol- 
gende naburige dorp willen brengen (49). 

Er is namelijk ook geweest een Oostfinsenoolde. Dit dorp 
lag ten oosten van het vorige en wel niet in Reiderland of 
ten oosten de Tjam, zoo als algemeen opgegeven wordt, 
maar in het Oldambt of ten westen van de Tjam. Het komt 
met zijne kerk , de St. Nïkolaaskerk gehecten, ten dezen opzigte 



(48) Het zgn zeven Mandementen van dat jaar , aangehaald in liet 
Register van de sitter. , 

(49) Kremer, Beschrijv. van Groningen, bl. 98 , en vooral smith, a. w. 
bl. 425, waar men het volgende leest: „In den loop van dit jaar (1 826) 
„ontdekte men in de nabijheid van den Ganzendijk, onder Finsterwold 
„achter de boerenplaats van den heer d. j. mulder, in eenen hen vel , 
„sporen van eenen gcmetselden muur, welke by het verder opdelven en 
„weggraven der aarde, eene buitengewone hoeveelheid stcenen opleverde, 
„van welke sommige 6 tot 8 Ned. ponden wogen. De muren hadden 
„de dikte van vier voeten en waren heel diep nit den grond opgetrokken; 
„het fondament vormde een kruis, en ieder van dezen bevatte de ruimte 
„van p. m. 25 voeten vierkant. In deze ruimte vond men velo mcn- 
„schenbeenderen en geraamten, waarvan twee in zware toegemetselde 
„zerken doodkisten gelegen , mede werden uitgegraven. Eene groote 
„massa puin uit dezen heuvel is nog verkocht, en mede gebruikt tot 
„den in 1844 aangelegden grindweg te Nieuw- Beerta. Sommigen ver- 
„ moeden, dat het eene kapel zal geweest zijn; hiertoe echter schijnt de 
„omtrek wat te groot; welligt is het de Sint Nikolacukerk van Ooetfin- 
„tterwold geweest, hetwelk volgens de kaarten en oostelijke rigting vrij 
„wel overeenkomt." — Hiertoe behoor en echter waarschijnlijker de over- 
blijfselen van gebouwen in de volgende noot vermeld. Er is ook nog 
een verhaal van eene hoog bejaarde vrouw voor een 25tal jaren te Pin- 
serwolde overleden, dat in die gemeente eens eene besmetteiyke ziekte 
moet geheerscht hebben , waarin velen gestorven zijn , en dat de kerk- 
voogden, deze niet gaarne op het kerkhof binnen het dorp willende 
begraven hebben, genoemde plaats daartoe hadden aangewezen. 

4 



Digitized by Go 



50 



op gelijke wijs voor met Finserwolde , Oostwolde en Midwolde 
in de verdragen van 1391 en 1420, en , wat meer zegt, in het 
Munstersche Register der Oldambster kerken wordt Astwin- 
8erwalda zoo wel als Westwinserwalda opgenoemd. Het is 
ook eigenaardig , dat beide dorpen van gelijken naam in het- 
zelfde district gelegen zullen zijn geweest Men houdt de 
hoogte, loopende zuidwaarts langs de Finserwolder molens 
door het Vledder voor Oost/inserwolde ; er zijn sporen dat al- 
daar vroeger huizen gestaan hebben; men heeft er zelfs ont- 
dekt grondslagen van zwaar muurwerk met overblijfselen 
van doodkisten, lijken en andere van een gebouw, dat eene 
kerk, en wel die van Oostfinserwolde kan zijn geweest (50). 

* 

B. Plaatsen tusscken de Tjam en de Ee of in 
( het Osnabrugsche Reiderland gelegen. 

Wijndeham, of Windeham, Vimelham, Wineldham enz., 
boven reeds genoemd en onderscheiden van de plaats van 



(50) Hiertoe zal toch veeleer behooren , en zeker niet tot een kloos- 
ter JBertha, wat westendorp meldt van overblijfselen van een groot en 
uitgestrekt gebouw, aldaar gevonden, volgens het aangehaalde in noot 
36. Smith maakt, naar het schijnt, van dezelfde ontdekking melding met 
deze woorden: „Bij het afgraven van eene andere hoogte, nog verder 
„in het oosten, op een stuk land van den heer r. j. land, te Nieuw- 
„Beerta, vond men korte jaren hierna ook de fondamenten van een 
„muur van 4-5 voeten dik, welke niet kruisvormig, maar eenigzins 
„een langwerpig vierkant uitmaakte, met een ingang of portaal voor- 
„zien, en welk gebouw slechts 15 voeten vierkant ruimte zal gehad 
„hebben, hetgeen dus misschien eene kapel zal geweest zijn van Exter- 
yfhuis. Ook hierin cn in den omtrek vond men vele beenderen van men- 
„schen , ijzeren handvatsels en ovcrblyfsclen van doodkisten. De daar- 
„ uit opgedolvene steenen hadden denzelfdcn vorm eu gelykc zwaarte 
„als die, welke in den omtrek van den Ganzendijk waren gevonden. 
„Hier echter vindt men overigens mindere sporen van vroegere gebon- 
„wen, dan aan den Ganzendijk; welligt zijn deze dieper onder den 
„aangeslijkten grond bedolven, en derzelver fondamenten aldus ge- 
„heel verdwenen. Wij althans houden beide genoemde grondslagen voor 
„gebouwen uit vorige eeuwen , die door den Dollard verwoest «\jn." — 
Over die laatste ontdekking met betrekking tot (Oud) Exterhuis nader, 
als w\j hierover spreken (bl. 55). — Nog een woord over den naam van 
JFïnserwolde of Finsterwolde , zoo als men op beiderlei wyze schreef en 
schrijft, cn daarnaar ook den naam verklaart. Men leidt namelijk den 
eersten af van het riviertje de Finser Ee, waarvan het oud bescheid 



Digitized by Go 



51 



dienzelfden of dergelijken naam , ten noorden van de Tjam en 
aan de Ee gelegen gelijk zij voorkomt in de verdragen van 
Udl en 1420 met den burg of het steenhuis Tijdwijnedaborch 
en dit als het punt, van waar de Tjam de grens tussehen het 
Oldambt en Reiderland uitmaakte en als de zetel van de 
m de geschiedenis voorkomende aanzienlijke Reiderlanders 
of Hoofdlingen van dit gewest (bl. 32). Tot dit Wimde 
ham zal ook te brengen zijn of het naast behoord hebben 
het gehucht van dien naam (Windeham of Wijnedaham)\ 
hetwelk met ülsda als onder de Beerta gehoorig nog 
noemd wordt in een der nader aan te halen stukken over 
de nieuwe Beerster indijking en uitwatering, die in 1636 is 
aangelegd (13 Febr. 1636). Het zal misschien in het noor- 
delijkst gedeelte van de Beerta gelegen hebben, als een 
overblijfsel van het oude Windeham, zoo het niet her- 
waarts en binnenwaarts verplaatst is, als het zich zoo ver 
met mag hebben uitgestrekt, daar er volgens de Dollard- 
kaart en meerdere opgaven nog andere plaatsen tussehen 
hebben gelegen , gelijk de beide volgende. 

Baijkeweer of Aikeweer, desgelijks -boven (bl. 33) reeds 
aangewezen, en onderscheiden van Ockeweer ten noorden 
van de Tjam. Meer valt er niet van te zeggen , dan daarbij 
aangestipt is. J 

Bonellen, een dorp aan de Ee, ten zuiden van het vo- 
rige, overigens onbekend. Verg. Duvelee, bl 62 

Torperen, Torpen bij emmius Torpsum en in de verdragen 
van 1391 en 1420 TorpUen en Dorpsenn genoemd, was den- 
kelijk een dorp , gelegen volgens de kaarten en voormelde 
oorkonden aan de Tjam , die er gezegd wordt door te loo- 



van 1391 gewaagt en hetwelk dan voor een water gehouden wordt, dat 
langs Finserwolde zon geloopen hebben; maar dit wordt in hetzelfde'stuk 
van 1420 FJimell Ee genoemd en zal buitendien dat niet zijn. Zie boven 
Aant. 14. Den anderen naam Mnsterwold leidt men af van het H D 
finster, duister, en het zou dus een duister woud beteekencn. Maar die af- 
leidmg is strijdig met de hier oudtijds gesprokene Friesche taal. Wij 
stellen nog eene derde verklaring voor, namelijk dat de naam eene ver- 
korting is van Veenhuizerwolde, en dat dus dit dorp genoemd is naar het 
naburige gehucht Veenhuizen, dat vroeger aanzienlijk moet geweest ctfn , 
daar het uitdrukkelijk in oude beseheiden met de naburige dorpen voor- 
komt. Zie zeker verdrag van 1435 in het Reg. der Ckart., bl. 65, en 

bij WESTENDORP, Jaarb. II, 171. 



52 



pen naar Oostfinserwold. Er is nog lang, zelfs tot heden, 
eene streek van dien naam bekend gebleven, onder Fin- 
serwolde. Zij is het toch waarschijnlijk, welke in het ver- 
drag van 1636 (16 Aug. Art. 5) tusschen de kerspelen 
Winschoten, Beerta en Blijham over het leggen van de 
Beertster zijl onder den naam van Torpsen wordt vermeld» 
en in sommige afschriften (in het Archief van het kerspel 
Beerta) ook dien van Turphum of Turschum draagt. De 
zoogenaamde Modderlanden achter Finserwolde worden nog , 
althans bij oude lieden, Torsen, Torsen of Tórschen, inde 
uitspraak bijna als Dorsclien en zelfs Turksen, geheeten. 
Zoo geeft men aan de landen langs den Dollarddijk ten 
oosten van de Bellingwolder zijl mede den naam van Turk- 
sclie of Egyptische landen. Men heeft gemeend dezen naam 
wel voor den waren naam te moeten houden , en alzoo van de 
Turken afgeleid, waarvoor nog de volgende bijzonderheden 
zouden pleiten, te weten, dat aan Finserwolde zelve wel 
de naam van Turkije wordt gegeven , dat gezegde Dollard- 
dijk van ouds den naam van Egyptische of Egypter dijk 
draagt, dat de aloude dijk ten noorden van dat dorp Mu- 
seldijk wordt genoemd, en dat de overlevering zegt dat 
Muselmannen dien dijk zouden gelegd hebben , namelijk 
als gevangenen van de Spanjaarden en door dezen daar- 
toe gedwongen. Dit zou zelfs bevestiging erlangen door het 
vinden voor eenige jaren van eene oude Arabische 
munt, uit den tijd van 1162 — 1184, aan den voet van dien 
alouden dijk achter de Modderlanden (51). Hoe merkwaar- 



» • 

(51) Wij deelen hior nader do bijzonderheden van deze ontdekking 
mede, met de verklaring der munt, zoo als zij ons door de vriendelijke 
hand van den heer Notaris Mr. it. de sitteii te Winschoten is opgege- 
ven. — In den zomer van 1821 had men ter genoemder plaats, aan den 
voet van den aloude» dijk, achter de Modderlanden , om des droogen 
zomers wille, in de sloot eene wel voor drinkwater voor 't vee gegra- 
ven , en daartoe eerst 8 a 9 voeten klei en vervolgens 5 of 6 steek klijn 
of veen uitgegraven , om op het welzand te komen. De heer j. k. mul- 
ler, landbouwer en kerkvoogd te Finserwolde, zich naar zijn land in den 
Finserwolder polder willende begeven en bij die plaats gekomen zijnde , zag 
in do aan den voet des dijks uitgeworpenenc veenspetie iets blinkends, 
raapte dit op en, eene stift voelende, was hij voornemens dit als eene 
oude knoop weder weg te werpen, toen hij eene tweede stift gevoelde en 
het voorwerp nader onderzocht. Het bleek nu te zijn eene gouden 



Digitized by Go 



53 



dig of' liever zonderling deze vond ook zij en de zanien- 
loop van deze Oostersche namen van dijken en landen, 
zoo zouden wij dit echter nog liefst voor toevallig houden 
en denken , dat omgekeerd deze of gene naam aanleiding 
heeft gegeven tot die overlevering^ gelijk met zoodanige 
meer het geval is. Finservvolde mag den naam van Tur- 
kije gekregen hebben in een tijd, toen deze plaats niet 
meer dan een onaanzienlijk visschersdorp was , meest be- 
woond door armoedige en onbeschaafde lieden; van daar 
kunnen de landen onder den Egyptischen dijk de Turksche 
landen genoemd zijn, terwijl die dijk zelf naar een gehucht 
aldaar, Egypte, zal geheeten zijn, zoo als er meer zoo- 
danige plaatsnaam wordt aangetroffen in ons gewest, 
gelijk er een huis van dien naam is onder Veendam en 
Zandeweer; Mwseldijk zal dan ook wel van elders dan van 
de Muselmannen afkomstig zijn ; — hoe dit zij , de naam te 
minste van Turksen , Torsen , Dorschen aan genoemde streek 
gegeven, zouden wij voor eene verbastering houden van 
het oude Torpsen of Torpen. Er is echter eene zwarigheid 
om die streek voor de voormalige plaats of een overblijf- 
sel daarvan de houden. Zij zou hiernaar dan aan deze 
zijde van de Tjam en dus nog in het Oldambt gelegen 
hebben , en niet aan gene zijde van die rivier in Reider- 
land , zoo als de kaart en berigten aanwijzen , en zij ook 
niet voorkomt op het Munstersche Register van de 01- 



mant, ter grootte van een dukaat, bevattende voor op een vierkant ruit 
vreemde letters en op de keerzijde een zilveren kruis in twee reepjes 
daarop gesoldeerd met twee oogen, zoodat het zigtbaar om den hals, 
hetzij als amulet, hetzij tot sieraad gedragen was. Deze munt in handen 
van den heer de bitter gekomen zijnde , hoeft deze haar eerst aan de 
toenmalige Groningschc Professoren wolthers en muhtinghjb laten zien 
en , van dezen vernomen hebbende , dat het eene Arabische munt was , 
blijkens de Arabische opschriften uit den Koran, vervolgens aan den 
üooglecraar hamaker te Leiden gezonden, die wel zoo goed is geweest , 
de onderstaande beschrijving en verklaring daarvan te geven: 

„Op de eene zijde der Arabische munt leest mon in het midden (of 
in het vierkant): 

In den naam van Allah den goeder tier enen en barmhartig en. Er is geen 
Goct dan Allah , Mohammed is de afgezant van Allah , Al Modi is ds Imam 
der Imans (dat is Voorganger der Voorgangers). Om den rand staat: 

En uw God is een eenig God. Er is geen God behalve hem , den barm- 
hartigsten onder de barmhartigen. 



Digitized 



54 



dambtster kerkdorpen. Die zwarigheid liet zich oplossen 
door aan te nemen, dat het oude Torperen zich ook over 
den linker oeyer der Tjam zal uitgestrekt hebben , en dit 
strookt wel met de opgaaf van haren loop door die plaats 
in de oorkonden van 1391 en 1420, ten zij men liever aan 
eene verplaatsing wil denken , zoodat de naam met de be- 
woners tot dien oever is overgebragt , toen zij voor het 
water hebben moeten wijken en hunne woonplaats verlaten. 

Meerhuizen, denkelijk eene buurt, ten noordoosten van 
Torperen en naar een meertje, er bij gelegen, althans er 
bij geteekend op de kaarten, zoo genoemd. 

Markhuizen. Volgens de kaarten een dorp ten zuiden 
van Meerhuizen aan de Tjam (52). 

Hovingagast of Hówingagast , op de kaart van starcken- 
borg ffomingegast , Hommingastum bij emmius, komt als 
een dorp zuidwestelijk van Donellen voor aan de Tjam. 



Het is jammer, dat degcen , die van deze munt een knoop verkoos 
te maken, juist de tegenovergestelde zgde bedorven heeft, omdat deze 
buiten twijfel den naam van den Vorst en van de muntplaats en het jaar- 
tal behelsde. Thans laat zich met zekerheid niet lezen dan Abou Yakoub 
Yousef om don rand. Echter schijnt dit weinige genoegzaam te zijn om 
de zaak uit te maken; want onder de Vorsten, die den naam Abou Yakoub 
Yousef gedragen hebben, is er myus wetens slechts een, die een zekeren 
heiligen persoon , onder den naam van Al Mahdi, als den Imam der Imans 
kan vereerd hebben. Het lijdt dus geen twijfel dat hier abou yakoüb 
yousef bbn abd-el-moumin , de 2de Vorst van de Dynastie der al 
mowahhedoax of al moiiaden bedoeld wordt, die van het jaar 1162 
tot 1184 over een gedeelte van Noord- Afrika en Zuid-Spanje regeerde» 

De stichters dezer Dynastie waren abd-el-mumjk, de vader van dezen 
Vorst , en een zekere moiiammkd ben j umrat of tumert , welke laatste 
zich voor een Profeet uitgaf, en den titel van Al Mahdi (de door God 
geleide) aannam. Hij werd door de Vorsten van dezen stam bggeloovig 
vereerd, en men vindt hem ook op andere hunner munten Al Mahdi, 
onze Imam, genoemd. Eene munt, gelijk de onderhavige, was, zoo het 
schijnt, tot nog toe onbekend, althans voor zoo ver ik weet, niet be- 
schreven." 

(52) Markhuizen is in den Tegenw. Staat t. a. p. niet opgegeven ; mis- 
schien hield de Schrijver het voor dezelfde plaats als Meerhuizen. Em- 
mius noemt ook in den tekst alleen Merchusa (Chorogr. f. 38) , en op de lijst 
der verdronkene plaatsen achter dat werk staat alleen Meerhuizen, zoo- 
dat dicnsvolgens beide namen mot elkander schynen overeen te komen. 
W\j durven dit evenwel niet beslissen. Bovenstaande opgaven kunnen 
ook onvolledig zijn , zoo als meerdere. 



Digitized by Go 



55 



Stokster- of Stotterhuis, ook Stoksterhuizen, zoo als op 
de kaart van starckenborg; Stoetsterhuys bij emmiüS; 
een gehucht nabij de Ee , zuidoostelijk van Finserwolde. 
Het kan misschien van het op het Munstersche Register 
voornoemde vergane dorp Stoth afkomstig zijn, dat wij an- 
ders nergens vinden , en niet weten te plaatsen , zoo het 
Astock niet zij (bi. 39). Er is nog een Stoksterhom bekend, 
ten noordwesten van Finserwolde aan den ouden dijk , waar 
de grindweg dien bereikt en nu het gehucht Drieborg is 
gelegen en den naam van het eerste heeft vervangen, als- 
mede op oude kaarten dezer provincie, zoo als die van 
starckenborg , een ander ten zuiden van de Beerta , 
aan den nog ouderen dijk aldaar. Misschien is de eerst- 
genoemde dezer buurten nog van die oude plaats overig 
gebleven en de laatstgenoemde van de volgende of daar- 
onder bedoeld, en daarom op de lijst bij bengers en in 
het overeenkomstige M. S. niet opgegeven. 

Oud- of OU-Exterhm , ook Esterkuis. Zoo wordt deze buurt, 
ten oosten van de Beerta bij den ouden Dollarddijk gelegen, 
onderscheiden van Exterhuis of Exterhof over de Ee aan den 
ouden Oostfrieschen Dollarddijk, en staat op de Dollard- 
kaarten algemeen ten noorden van de Tjam aangeteekend , 
doch daar de loop van deze rivier verkeerdelijk in de rig- 
ting van de (oude) Pekel Aa aangegeven is, zal zij ten 
zuiden daarvan, zoowel als van de Beerta, gelegen heb- 
ben. Men heeft in de grondslagen , vermoedelijk van eene 
kapel, in een stuk land te Nieuw-Beerta ontdekt, de oude 
plaats van eene kapel te Oud-Exterhuis en dus van deze 
buurt vermoed (Aant. 50); anderen zoeken haar veel 
hooger, tusschen de Ulsda en de Bult, daar waar men 
in een stuk land aan de Aa ook overblijfselen van een 
oud gebouw heeft aangetroffen (53). Doch dit is zeker te 
ver gezocht, en hierbij misschien eerder te denken aan 
een ouden stins of zetel eener adellijke familie, welke ge- 
legen was, volgens de Dollardkaarten , te Ulsda op een 
eiland , gevormd door de Westerwoldsche en (oude) Pekel 



(53) Kremer, Beschrijv. van de Prov. Groningen , II, 124. Dit was 
het gevoelen van den voormaligen Burgemeester van de Oude Schans, 
den heer j. heeres. 



Digitized by Go 



56 



Aa, bij haren uitloop in den Doliard, toen deze zoo ver 
doorgedrongen is. 

Van de nog bestaande oude plaatsen in deze streek valt dit 
aan te merken : Beerta en Winschoten zullen weinig verande- 
ring hebben ondergaan. Achter het eerste dorp vindt men 
hier en daar nog sporen dat er vroeger huizen hebben ge- 
staan , en wel ter plaatse alwaar men aanneemt dat eer- 
tijds een zomerdijk heeft gelegen ; en van de , onder het 
laatstgenoemde vlek behoorende , buurt Bovenburen is het 
zeker , dat zij veel verder oostwaarts is uitgebreid geweest ; 
langs den zwarten weg en de tegenwoordige Oostereinder wa- 
tering zijn nog overal de sporen aanwezig , dat er vroeger 
huizen gestaan hebben. 

Blijliam is wel geheel verplaatst. Vroeger lag dit dorp 
noordelijker, zoo als de oude plaats der kerk nog aan- 
wijst, niet der voorlaatste, want deze heeft op dezelfde 
plek gestaan, als de tegenwoordige, die in 1783 is ge- 
bouwd, maar eener vorige (54). En misschien was dit 
oude kerkdorp reeds eene verplaatsing van het dorp van den- 
zelfden naam , hetwelk wij op de Dollardkaart ten oosten 
de Ee zullen aantreffen , als het niet hiermede verward is. 
Men acht het tegenwoordige Blijham anders wel zoo ge- 
noemd te zijn , om dat het de eerste verblijdende vrucht 
der aanslijking was (55). Volgens sommige oude gewes- 
telijke kaarten, als van n. vissciieb en F. DE wit, lag er een 
dorp Bliham, meer westwaarts dan het tegenwoordige, 
daarop niet voorkomende, aan de oude Pekel Aa. Zoo 
dit geen fout is, dan zou men kunnen gissen, dat Blijham 
uit het Dollardland eerst zoo ver terug is verplaatst en 
vervolgens weder nader bij op of aan den nieuwen Dol- 
lardgrond. Het gehucht de Heemen of het Heem onder 
Blijham (maar toebehoorende aan de kerk te Winschoten) 
ligt er op eene hoogte, als een terp, zijnde zamengesteld 
uit stroo en schapenmest, die hierin tot op eene diepte 
van 3 — 4 el wordt aangetroffen. Het zal dus ook om de 
overstrooming later, schoon vóór de bedijking des lands, 
hier op den nieuws aangeslijkten bodem aldus aangelegd 

z Ü n * , - 


f54) Kremer, Beschrijv. van Gron. II, 126. 
(55) Teg. Staat van Stad en Lande , II, 439. 



Digitized by Google 



57 

C. Plaatsen ten oosten van de Ee gelegen, 

Oo8terreide. Een schoon dorp met een Nonnenklooster 
van de Dominikaner of Prediker orde , tegen over Wes- 
terreide, gelegen aan den mond der Ee. Het wordt in een 
brief van 1282 Asterreide genoemd (56), op het Munster- 
sche Register Osterreide , en bleef nog lang in wezen , al- 
thans voor een deel , met Westerreide , waarmede het mis- 
schien vervolgens te zamen smolt, door de afleiding der 
Ee, tengevolge van de inbraak des Dollards of van de 
Eems bij Jansum tot in dien stroom benoorden die plaats. 
Het klooster bleef ook nog tot in de 16e eeuw bestaan, 
doch intusschen misschien ook verplaatst naar Westerreide; 
men zou dit althans uit het volgende kunnen besluiten, 
wat ons de geschiedenis van deszelfs uiteinde leert (57). 
Er wordt namelijk gemeld , dat het klooster in het jaar 
1534 op last van den Hertog van Gelder, toen Heer van 
dit gewest , verplaatst is naar Luxioolde (58). Welke plaats 
dit is, weten wij niet met zekerheid. Er is een Lwewolde 
in de provincie Friesland in de Grietenij Aengwirden, maar 
het is niet bekend, dat in dit gehucht vroeger een kloos- 
ter gestaan heeft, zoo min als ons eenig ander berigt om- 
trent deze verplaatsing is voorgekomen. Wel berigt daar- 




(56) Bij driessen, Mon. Gron. III, 442 met Holtgeist. Dkiesskn 
noemt beide als verdronkene plaatsen in den Dollard , doch het laatste 
is zeker bet nog bestaande dorp Holtgast in het Oostfriesche Reiderland. 

(57) Het wordt wijders nog genoemd o. a. in het jaar 1378, als wanneer 
het Nonnenklooster Dijkhuisen te Visquard in Oostfriesland gesticht en 
met Nonnen uit het Klooster Heide het eerst bevolkt is (Beninga, 
Chrtm. t. a. p. W. 154. Suub, Ostfr. Klöster, S. 110); in 1416, als wan- 
neer wiabdüs, Hoofdling te Uphusen in Oostfricsland , aan hetzelve eene 
koe vermaakte (akbnds, Noordzeekusten, II, 184); in 1492 toen het nog 
een Bynsche gulden vermaakt werd (volgens itarkenboht, die het een 
Bagijnenklooster noemt, op besinga a. w. bï. 448); hl 1496, 1530 enz. , 
als wanneer do Jufferen of Zosteren van Beide nog hier en daar land 
hebben gekocht, volgens verzegelingen dier jaren voorhanden in de 
Archieven van Groningen. Het komt in 1529 ook nog vopr op eene 
lijst der Kloosters uit een ond Handschrift opgegeven bij matth. Anal. 
T. VI, p. 15. 

(58) Die verplaatsing wordt aldus vermeld in een H. 8. , bevattende 
eene beschrijving van Reiderland en gedeeltehjk gedrukt in de Aanteek. 
achter de Verhand, van feith, in de Werk. van het Gen. Pro Exc.J. F. 
D. VI, bi. 520. 



Digitized by Google 



58 



entegen rengers, dat genoemde Hertog den steen van het 
gesloopte klooster heeft laten voeren naar het slot te Delf- 
zijl , doch zonder nader aanduiding van het jaar (59) ; en 
vernemen wij , dat in het jaar daarop volgende , 1535 , 'al 
de landen van het Nonnenklooster te Reide in den Hamrick 
ende Clockenslag Reide, binnen en buitendijcx, ende voortt 
over de Eemse gelegen, aan den Stadhouder en Hoofdman- 
nen in dit gewest overgedragen zijn, met den last, omme 
de oottersche dijcken met dat Jiovet aldaer ende kerkhof te 
Beide te onderhouden. Het is deze overdragt, welke ge- 
houden wordt voor den grondslag van de verpligting, op 
de provincie rustende, tot instandhouding van den uithoek 
Reide en de hiertoe behoorende zeeweringen (60). Er 
blijken evenwel nog landerijen aan de Nonnen verbleven 
te zijn. Althans de Zusteren te Reide komen in het jaar 
1542 nog voor als mededijkpligtigen tot de dijken tusschen 
Reide en Dallingweer; en dit bewijst, dat die afstand van 
landerijen zich alleen tot die van Reide heeft bepaald. 
Naderhand bij de wereldverklaring der kloostergoederen, 
zullen ook deze landen van het klooster te Reide aan de pro- 
vincie gekomen zijn, voor zoo verre zij nog bestonden (61). 

Lutgerskerk of St. Lutgeri. Eene buurt niet ver ten noor- 
den van Oosterreide aan de Eems met eene kapel , mis- 
schien aan lüdger, den eersten Bisschop van Munster, 
toegewijd en daarvan zoo genoemd. Op de kaart van 
outhop staat verkeerdelijk RutgerskerL Het wordt op het 
Munstersche Register niet gevonden, en wel om reden, 
dat het geene parochiekerk was ; ook niet bij rengers , enz. 



(59) Kronijk, II, in de Bijl 1, bL 273. 

(60) De acte Tan deze overdragt vindt men gedrukt in het Tydschrift 
van westendorp, Antiquit. ], 185, ontleend aan de hc lun grijke Memorie, 
op den 6 Oct. 1 644 aan de Staten Generaal der Vereenigde Nederlanden 
overgegeven , over den gevaarlijken staat der dij ken in deze Provincie en 
de middelen om daaromtrent te voorzien onder Byl. N. Zie ook kre- 
mer, Betchrijv. van Groningen, II, 111. 

(61) Zie boven a. Tijdschrift t. a- pl. De stukken waarin de Zusteren 
van Reide in 1542 als zoodanig nog voorkomen , worden hier genoemd 
twee ongedrukte bescheiden van dat jaar , het een van maendages na den 
Sondach Judica, en het ander van den 8 May ; er wordt voorts gezegd , dat 
de voormelde landen, over de Eems gelegen , waarschijnlijk dezelfde zyn , 
welke deze Provincie bevorens in Oostfriesland , te R^sum, ter Knokke, 
enz. heeft bezeten en op den 9 en 10 Jan. 1650 heeft laten verkoopen. 



Digitized by Google 



59 

Beda, op sommige Dollardkaarten , van starckenbobö 

en folkeks , Boder. Een dorp , volgens dezelve , zuidoos- 
telijk van Oosterreide aan de £e; misschien Bedamewalt , 
op het Munstersche Register onder de verdronkene plaat- 
sen van Reiderland opgenoemd. 

Jansum. Volgens de kaarten , emmius enz. schijnt het 
een dorp geweest te zijn, ten noordoosten van Oosterreide 
aan de Eems; in de verklaring van 1565 wordt Jansem 
genoemd, bij olis een dijck, nu een diep gat indesee, bij de 
Lidden toe Reyde gelegen ; en dat het geen dorp , op zijn 
hoogst eene buurt geweest is, volgt wel daaruit, dat het 
niet vermeld staat op het Munstersche register, noch hij 
rengers en in meergenoemd H. S. onder de verdronkene 
kerkplaatsen. Deze plaats is voorts berucht wegens de 
eerste doorbraak aldaar in 1277 voorgevallen, waardoor het 

Jansummer of Jansema gat ontstond , dat van de Eems tot 

....... * • 

in de Ee doorloopende, de bovengenoemde plaatsen van 
de volgende afscheurde, en zooveel toebragt tot haren en 
den verderen ondergang des lands. 

Liede , Lecde. Eene buurt waarschijnlijk, ook omdat het 
op het Munstersche register en in voormelde opgaven niet 
voorkomt, ten oosten van Oosterreide. Het wordt, on- 
der den naam van de Lidden , nog als eene streek of plaats 
op Nesserland tegenover Oosterreide meermalen in de 
verklaring van 1565 genoemd. 

Berum of Bierum. Een groot en rijk dorp, welks kerk 
eenen vrij hoogen toren had. Het lag aan de Eems bijna 
tegenover Larrelt in Oostfriesland. In de verdragen van 
1391 en 1420 wordt een campo HoofdUng te Berum ge- 
noemd en dit op het Munstersche Register en dus in het 
laatst der 15de eeuw nog bestaande met de volgende dor- 
pen Flyaihum {Fletum), Nesse, Wilgum enz., die nog min 
of meer lang tot Nesserland behoord hebben , in welks noor- 
delijksten hoek Berum was^ gelegen aan de Eems. Mis- 
schien woonde die Hoofdling en zijn geslacht op een stins 
of burg , dien men onder den naam van de of ter Borg , 
tusschen dit dorp en Jansum op de Dollardkaarten vindt 
aangeteekend. 

Fletum. Een dorp ten zuiden van Berum , hetwelk in 
het jaar 1464 nog in wezen zal geweest zijn , blijkens het 



Digitized by Google 



60 



opschrift op de klok van de kerk, die vroeger in Nesser- 
land gestaan heeft (62). 

Nesse. Een dorp ten zuidoosten van Berum en noord- 
oosten van Fletnm. Hiervan is het vroegere eiland en de 
tegenwoordige landtong Nesserland zoo genoemd. Het be- 
stond namelijk nog lang met een deel lands als een eiland, 
tot dat dit aan de zuidzijde bij aanhoudendheid door de 
zee afgeknaagd wordende, doch aan de noordzijde weder 
iets aanwinnende, en als het ware zoo verplaatst worden- 
de naar de Oostfriesche kust, voor omstreeks 50 jaren 
met deze door een dijk is verbonden geworden , zoodat 
het thans eene landtong in de Eems bezuiden Emden vormt 
Het eiland leed vooral nog veel in den laatsten geduchten 
stormvloed van 1825 , tengevolge waarvan» men de kerk , 
reeds lang zonder Predikant, eindelijk afbrak. Er be- 
stonden voor een aantal jaren (1834) nog zeven huizen op 
Nesserland, thans nog drie (63). 

Wilgum. Een dorp zuidelijk van Nesse, tegenover den 
hoek van Groot-Borsum , aan de Eems, waarbij deze me- 
de het eerst door den dijk gebroken is en zoo tot in de 
Ee aan deze zijde , waardoor met de doorbraak bij Jansum 
aan de andere zijde, het schiereiland, hetwelk Reiderland 
hier vormde, tot een eiland, Nesserland, gemaakt is. 
Het dorp schijnt echter daarop nog lang daarna in wezen 
geweest te zijn, want men leest, dat deszelfe burg met 
dien van Nes en andere , door de Hamburgers in het jaar 
1437 ingenomen en gesloopt en de afbraak hiervan tot het 
versterken van Emden, waarvan zij toen meester waren, 
gebruikt geworden is (64). 

»l I f f 4 « , ' 

■ - * » " / 

f62) Waarop men namelijk leest: „Anno Dni M. CCCC. LXIIIL 
„Maria lk hete. De van Flel hebbet. mi laten, ghet." Zie outhof , a. w. 
bl. 184 en 185. Hatikenroht O. O. bl. 203 en 229. 

(63) Lezenswaardig ie de schildering, welke arknds van den toestand 
van dit eiland en deszelfs bewoners geeft, zoo als het voor een groot 
30tal jaren nog bestond, in Ostfr. u. Jever , B I, S. 281 — 286. Het zal 
zyn naam hebben van den vorm van den neus, welken het voor dezen 
vertoonde , even als nu nog , maar omgekeerd , daar de Eems er heden ten 
zuiden om heen loopt , in plaats van vroeger ten noorden , en zoo als 
deze uitgang of die van nis en neus in zoo vele namen van plaatsen 
in ons laad en elders ook te verklaren zal zijn. 

(64) Outhof, a. w. bl. 185, uit emm. Rer. Fris. Bist. f. 341 , en be- 



Digitized by Google 



61 



Peterswolde. Schijnt eene buurt geweest te zijn, zuid- 
westwaarts van Wilgum, met eene kapel, of een kerkdorp, 
zoo men er Upwolde , in het Munstersche Register onder 
de verdronkene plaatsen voorkomende, en anders niet als 
zoodanig genoemd wordende, onder mogt kunnen ver- 
staan. 

Torum of Thorum, Tordingum op het Munstersche Re- 
gister, hier en elders voorkomende, als nog bestaande. Het 
was een stadje zuidelijk van Wilgum , volgens sommige Dol- 
lardkaarten tusschen de Eems en de Ee , volgens andere aan 
eene dezer rivieren gelegen , alwaar volgens de overlevering 
eene voorname markt en eene munt was en acht goudsmeden 
woonden. Het schijnt zelfs wel de hoofdplaats van Rei- 
derland geweest te zijn. Het bleef nog lang over tot in 
de 16de eeuw , hoewel met geen dijk meer beschut. In 
1507 is aldaar nog gerigt gehouden en was het de zetel 
van een der drie landregters van Emsigerland, waaron- 
der deze plaats alzoo, even als Nesserland, zal gekomen 
zijn, na de afscheuring van het overige Reiderland (65). 
Er is nog een vonnis bekend van een Landregter erd van 
tordingen en zijne drie doemdeelers in 1457 geveld in eene 
regtszaak van het Oostfriesche klooster Langen, dat in 
het voormalig dorp van dien naam, of Logum, Loge, aan 
den Eemsdijk heeft gestaan (66). Ten , tijde van emjuus, 
of op het laatst der 16de eeuw, was Thorwrn verdwe- 
nen, maar de plaats nog bekend. Hij verhaalt, dat 
er toen, bij een aanhoudenden oostewind gedurende, de 
ebbe, nog de overblijfselen der huizen en straten voor den 
dag kwamen , en men menigmaal onder het puin nog eenig 
geld en andere voorwerpen vond, eenmaal zelfs een pot 
vol oude zilveren muntstukken, waarvan hij zelf eenige 
had gezien (67). 

Uüerpawing. De kaart van tideman heeft Pamm. 
Een dorp ten zuiden van Torum of ten zuidwesten 

kikga, Bist. van Oostfr. bg matth. Anal. T. IV, p. 275. Zie nog emmius, 
Chorogr. f. 40. 

(65) Arend 8, Noordzeekusten, II, 184. 

(66) Süük, Gesch. d. Klost, in Ostfriesl. S. 84. 

(67) Emmius, Chorogr. f. 37. Outhof , a. w. bl. 348. AlWNns , 
Noordzeekusten , II, 184 cn 185. 



Digitized by Google 



62 



van het tegenwoordige Pawing of Pogum aan het 
(bl. 15) voornoemde takje van de Ee. Het hield zich nog 
lang staande (68). In het Munstersche Register komt het 
als zoodanig nog voor onder den naam van Uterapaum , 
Pogum onder dien van Urapaum. 

Duoelee, ook genoemd Duveler op de kaarten van out- 
hop en verburgh, Duneser op de kaart van starcken- 
borg door T. B., Dunker op die van tideman en folkers, 
en als een dorp geteekend, wat zuidwaarts van Uiterpa- 
wing gelegen tusschen de Ee en haar takje; maar daar 
het op het Munstersche Register niet voorkomt, zal het 
welligt slechts eén gehucht zijn geweest; wij hebben zelfs 
wel gedacht, of deze plaats niet voor dezelfde te houden 
is met Donellen voornoemd (bl. 51) , daar er bij rengers 
maar alleen eene plaats , Duvehê geheeten , en in de over- 
eenkomstige H. S. aanteekening hiervoor Dunelee voorkomt 

Uiterbeertè of Uiterbeerde. Een dorp zuidelijk van de 
vorige plaats, dat ook eene kerk met een hoogen toren 
had. Het was ten tijde van emmius ten deele nog op een 
eiland aanwezig, en komt als zoodanig nog op oude kaar- 
ten van Groningerland en Oostfriesland voor; op het Mun- 
stersche Register echter reeds onder de verlatene kerkdor- 
pen met den naam van Uterbert en elders. 

Oosterbeerte of Oosterbeerde. Een dorp weder ten zuiden 
van Uiterbeertè, volgens de kaarten; volgens emmius 
noordoostelijk van die plaats (69). Het staat niet in het 
Munstersche Register noch komt bij rengers en in hetH.S. 
voor, en de plaats mag dus als eene buurt onder üüer- 
bterte beschouwd worden. 

Garmeden of Garmie. Eene buurt ten westen van Oos- 
terbeerte, was nog lang over in een eiland, dat met 
dien naam op oude kaarten staat geteekend. 

Horningeham of Hommingham , ook Hovingeham enz. op 
sommige Dollardkaarten. Een dorp zuidwestelijk van Gar- 
meden aan de Ee, tegenover de plaats, waar de Tjam 
zich in dezelve stortte. Op het Munstersche Register 
komt onder de verlatene kerkdorpen voor Howenge- 
ham. Arends gist, dat dit dorp hetzelfde is als het veel 



(68) Emntrs, Chorogr. f. 40. 

(69) Zie over deze beide plaatsen emmics, Chorogr. f. S7. 



Digitized by GoOgL 



63 

zuidelijker gelegen Houwingaham y dat later voorkomt, 
en dat dus deszelfs ligging geheel verkeerd op de Dol- 
lardkaarten is opgegeven. Volgens eene mededeeling 
namelijk van den heer J. heeres, vroeger Burgemees- 
ter te Oude Schans, wordt er in oude registers gewag 
gemaakt van die plaats , tusschen welke en Bellmgwolder 
Ham het Hoholsmaar, de tegenwoordige veensloot of de 
Moersloot , welke Nederland van Hannover scheidt, door- 
vloeide en aldaar met eene sluis voorzien was; men wil 
dan dat dit Houwingaham in de omstreek van de eerste in- 
dijking bij Wijmeer of Oud-Bondernieland nabij de Boner 
Schans heeft gelegen en een kerkdorp is geweest (70). 
Men kan de ligging dezer plaats aldaar, en wel nader om- 
streeks de Nieuwe Schans ook opmaken uit den naam van 
Houwingaham, dien men aan deze schans bij hare stichting , 
in 1628 voltooid, had toegedacht, doch waarvan niet is 
gekomen (71), en uit dien van Hamdijk, welke de dijk 
tusschen die schans en Stoksterhorn droeg. Eene buurt 
van dien naam onder Bellingewolde komt hiermede nog 
zelfs voor in een der bescheiden over de Beertster nieuwe 
indijking en uitwatering, datzelfde van 1636 (13 Febr.), 
waarin wij ook nog Wïndeham aantroffen (bl. 51). Mis- 
schien is dit Houwingaham aldus verschillend gelegen, 
naar zijn vroeger en later voorkomen , zoo als met meer 
plaatsen, welligt ook met de volgende het geval is. 

Nevens Howengeham komt op het Munstersche Register 
ook nog voor Howingahoff. Deze plaats weten wij echter 
niet te huis te brengen, tenzij het dezelfde mogt zijn als 
voornoemde Hovingagast (bl. 54), maar dan kan dit niet 
bewesten de Ee gelegen hebben. 

BUjham of Bleijham. Een dorp ten zuidoosten van H6- 
mmgéham. Het komt niet op het Munstersche Register voor, 
evenmin als het tegenwoordige Blijham en Bellingwolde , 



(70) Arends, Noordzeekusten, H, 171, 172. Kbembr, Btsckrfv.van 
de Prov. Groningen, II, 117. 

(71) Zie de Raadsres. van de stad Groningen, 30 Junij 1G28. Teg. 
Staat van Stad en Landt, II, 436. Deze plaats is ons nog voorgeko- 
men in een paar bescheiden op het Stads archief voorhanden , zijnde 
namelijk twee vonnissen over land aldaar gelegen, de eene van het jaar 
1511 avond laetare , en de andere van 1535 avond Barthelomet. 



Digitized by Google 



I 



O 
o 



6* 

misschien omdat beide Jn het kerlselgke wiet meer tot het 
Munstersche, njoar het Osnabrugsche Reiderland behoor- 
den; dit zal evenwel niet met, het oude, veel lager ge- 
legen Biïjhvm hei geval geweest zijn.. , v ivV: 

Wmemeer. Een dorp ten oosten van Blrjbam, aan een 
meertje, dat het voormelde takje der Ee, volgens de Dol- 
lardkaarten, vormde. Het is niisschien hetzelfde als in het 
Munstersche Register genoemd wordt — en diensvolgens 
nog bestond in het laatst der 15de eeuw — Wynnamor, 
kunnende dit toch niet. Jiet thans bestaande veel zuidelijker 
gelegene Wijmeer, maar deze plaats wel later van gene 
afkomstig zyn. Zoo verklaren wij het .voorkomen van beide 
^naluidende, plaatsen op ie, PollarfJUoaart^, e»i va^eene 
^slec^t^^p ;4# ^gistejfai bw n o ,r.A ?ib>blovnoig .:>7# 
jNfft J^feen^or^ te^auidenj van ,£^am, tve^^ 
hfiborg 1 'm dejv Teg. Staat enz. genoemd; wprdt niejt gevonden 
b£, j^BSQ^pSt nock in\ . 4fti.H4 §. opgaaf ; i^r cfcrpen; ook 
n^at op 4e, kaarten van ïjüd^pujf en / F^KBïiS., Het 
^"^gelijk Huweghenborch oj> M .Mwi^c^e Register 
apf fnder de bestaande kerkdorpen; van Reider^d in 
^^We t ^^ryp^me»de (72). w. 7 terf n** ooiorba 
„ Medum.^xiAm zuidoostwaarts van Harkenborg^Aan 
',df& ^e. :T 9©^ t wo^iniet,op,Jiet Munstersche Register aan- 
getrpffeQ,,of : l^t nv>est zijn Oengum , dat onder de vergane 
. M njkatsen • van Reiderland, wordt aangeduid, ,en datj/WÖ; an " 
n dars^niet te huis wetfflR&fc trengen. ^ Jtmia toUoo'rA net* 

. Bundergartenrj , ook Bundetgaarden en Bottergmrden , 
^^aj^^^i hg emmius jTar<fo (d. i, ^ ifcn**a 
en ten zijnen tiide nop; als een eilandje bekend en op oude 
kaarten voorkomende, ,ook wel onder den naam ^an Hochee 
r oi Jfy&oe Jen, noorden van Bunde aan de Reiderlandsche 
r loist <7% Me», vindt Jietaie, vermeld in den Teg, Stapt enz. 

— r~+.w*r ,v<**-t**T fKn .if,'^: co. . ,i . '.» Miic^f ni rt /sol 
■ - 

' "(W tö^xED^üE, a. w. S. 50, verklaart dit door Vb***, aan de 

uit aal-toen «dö tai«t'«U Jhtt een 



(73) Het »on, volgens outhof t. a. p., bij emmih* {Chorogr.f. 37) 

uia* in ^tegenoverstelling van 5oo^c jBunde , 
;s stellig eene drukfout voor Jarda, dat met 
t , en die plaats dos dezelfde als Bundergarteny , dat 
oifthof bij Medum aanroert; en Hoogt Bunde mag zoo genoemd sijn 
ter onderscheiding van Bomt. - ^- ,n 5 ,. -; 



Digitized by Google 



65 



Op het Munstersche Register komt Bonewerda voor onder 
de toen nog bestaande kerkdorpen , en deze plaats zal wel 
eerder bovengenoemde zijn , daar de letters g en w meer- 
malen verwisseld worden , dan het tegenwoordige gehucht 
Boene ten zuiden van Bunde, aldaar Hoghebunde geheeten, 
zoo als TON ledebur wil (74). 

Exterhof of Eexterhof en Exterkitis , een gehucht, of een 
enkel huis, aan 't zuidoosteinde van den Dollard, nabij 
deszelfs ouden dijk ten noordwesten van Wijmeer , of ten 
zuidoosten van Bunde, te onderscheiden van Oud-Rtter- 
huis, aan de andere zijde der Ee vermeld (bl. 55). 

Wat de nog bestaande plaatsen , BelHnawold* en Frw- 
schebö' betreft, deze lagen vroeger veel digter aan de 
Westerwoldsche Aa, en wel langs de streek dié nu de 
Oude weg wordt genoemd. Deze oude weg is wel niet 
meer als weg aanwezig, maar hij lreji> vroeger ongeveer 
regt van het Hamster diep tot naar de ^djfcè^' öndèf Wedde. 
Later scMjnt 1 Vriescheloo nog eens te zgrr uitgelegd krtgs 
een óüden weg die nog te herkennen is , en tüe van 'de Bel- 
lingwolder brug liep tot naar de huizén die onder Vtfe- 
scheloo aan het voetpad van dat dorp naar TFedde [staan. 
Overal treft men langs de eerste lijn nog in -den grond 
sporen aan dat er vroeger huizen gestaan hebben. Achter 
Vriescheloo vindt men nog de plaats van het oude kerkhof, 
waaróp de overlevering zegt, maar zonder grond, dat eens 
een klooster stond. Den Ham en BeUxngewolde hebben' toen in 
eene lijn gelegen ; later BeUmgwolde en Vriescheloo; nu ligt 
Bellingwolde meer achterwaarts dan den Ham, en Vriescheloo 
dringt nog verder naar de veenen terug. Men vindt on- 
geveer in de rigting van de Aa, zeo als &e van de grond- 
pomp naar de Oude Schans loopt , naar de zijde van Belling- 
wolde op verlengd , in het land den grondslag van een 
toren in 1823 ontdekt, dien sommigen voor een vuurtoren , 
anderen voor een schiettoren bonden (75> Hei kan wel 
de toren zijn t waaruit gockinga van Zuidbroek, in zijn 

(74) T. a. p. 

den bouwval van den voormali gen fltkrlborg ; maar deze heeft ïsene 
geheel andere plaats gestaan, veel weeteigker, aan ew westelijk vstfi Hle 
Pekel Aa , waar vroeger de onde weg van Winschoten naar Blijham er 
bij Siêêê klapslaan orerging. 3-' " r ~^r* -«j 

5 



Digitized by Google 



66 



strijd met de stad Groningen, den doortogt liet belemme- 
ren, en welke door die stad in het jaar 1438 ten gronde toe 
geslecht is geworden (76). De huizen van den Ham zijn 
op hooge werven gebouwd, zeker ook al later, om zich 
op den nieuwen grond staande te houden. Bellingwolde 
komt in oude stukken met Utham en Upham als onder- 
hoorige huizen voor, die echter nu niet meer bijzonderlijk 
bekend zijn (77). 

Op het Munstersche Register worden, behalve de voor- 
noemde twijfelachtige plaatsen, Katelmesincke (bi. 31), Be- 
damewalt (bl. 58), Upwolde (bL 60), Oengum (bl. 64), Stoth 
(bl. 39), Rodendebord (bl. 34), Huwegenborch (bl. 64), nog op- 
genoemd onder de verdronkene plaatsen van Reiderland Dert- 
samewolt , Krijtzemewalt en Kalentwalt. Dertmmewolt zal zoo 
geheeten zijn van Derzum op het Munstersche Register of het 
tegenwoordige Ditsum aan de Eems nabij Pogum, en dus 
nabij deze plaats te zoeken zyn ; desgelijks KrijUemewak van 
en bij Oroylzum op het Register, of het hedendaagsche Krü- 
znm, hooger op aan de Eems gelegen; Kalentwalt weten 
wij niet te regt te brengen , of het moest zijn tot Calde- 
borch op het Register , thans Coldeborg , niet ver , noordelijk 
van Kritzum gelegen. Walt of Wolt duidt meestal eene veen- 
achtige landstreek aan, dergelijke als te Bömerwold en St 
Georgewold meer binnenlands tusschen de klei- en zandgronden 
gelegen is. Wij hebben voorzeide plaatsen dus ook misschien 
op zoodanigen , door den Dollard en deszelfs kleigrond nu in- 
genomen ouden bodem te plaatsen, omstreeks de dorpen in 
Oostfriesch Reiderland, waarnaar zij genoemd zullen zijn. 

Rengers heeft in zijne opgaaf der verdronkene plaatsen, 
even als die in H. S., nog Nieham of Nyeham, welke plaats 
ons echter elders niet is voorgekomen en wijders onbekend is. 

Wij voegen hier nog bij eenige plaatsen, welke aan de 
Eems in Oostfriesland hetzelfde lot als de vergane Dollard- 
plaatsen hebben ondergaan door overstrooming van dezen 
boezem of stroom, schoon eerst in latere tijden, nadat de 

■ ii- ■■ 

(76) Teg. St. v. Stad en Lande, ï, 157. 

(77) Zoo als in eene verzegeling in het Stads Archief, waarbij Bel- 
lingwolde met die huizon zich hebben begeven onder de bescherming en 
onderhoorigheid van den Bisschop van Munster van den 27 July 1498. 
Rea. van Charters, bh 121. 



Digitized by Google 



67 



Eems hare oude bedding langs Emden reeds verlaten liad. 
Menige plaats is aldaar ook verzwolgen, zoo als de dorpen 
Folkersweer , Betteiveer , Dreetoert , Ham , de Knok en het Roode 
Voorwerk. Ijogum of Loge is naar het Logummer Voonoerk 
verlegd en Geertsweer naar Wybelsum; in plaats van de oude 
is er eene nieuwe Knok ontstaan in de buurt en op den landtong 
van dien naam. De Eems heeft alzoo van deze zijde aanmerke- 
lijk zich uitgebreid en haren loop veranderd. Van Emden 
naar het een uur daarvan verwijderd liggende dorp Lar- 
relt liep voorheen de dijk in eenen bijna regelmatigen boog; 
thans vormt dezelve , op y k uur afstand van die stad , een 
zeer wijden cirkel landwaarts in, als een gevolg van twee 
zware doorbraken van den ouden dijk, de eerste veroor- 
zaakt door den Kersvloed van 1717 , waarbij dé groote 
Larrelter kolk ook ontstond , en de laatste in den vloed 
van 1825 , waardoor op nieuw eene kolk werd gewoeld. 
Van het Logummer Voorwerk verder naar en om de Knok 
beschreef de Eemsoever vóór de verwoesting dier dorpen 
een halven boog naar buiten , omgekeerd als ze thans naar 
binnen doet, zoodat die zich in het midden ten minste op 
een half uur afetands van de tegenwoordige rigting des 
oevers uitstrekte (78). 

...»...#• .*• . » . 

iili»€^^t! i , 1 ! 'f ,j M kV;*»'' 

(78) Harkenroht, O. 0. bl. 299 en v. en vooral de Aanieskeningen 
van deszelfs broeder op beninga's Hist. van Oostfriesl. bij matth. Anal. 
T. IV. Uit een ond stuk van het jaar 1538 aldaar (bi. 170) bijgebragt , 
büjkt dat Dreewert toen reeds, op eenig land na, geheel verslonden was. 
Het oude Betteweer ia in 't begin van de 17do eeuw grootendeels , mis- 
schien ten gevolge van de vloeden in 1602, buitendijk» geraakt, blijvende 
er toen nog eenige huizen staan. De kerk wqrd verder landwaarts in 
verplaatst en uit de afgesletene kerk van het oude buitengedijkte Bette- 
weer in 1605 herbouwd. Doch door den Kcrsvloed van 1717 is alles, 
wat van Betteweer en die streek overig was, zoo verwoest, dat het in 1720 
moest buit enge dij kt worden, zijnde toen do dijk langs den gevel van 
de kerk gelegd. Geertsweer werd sedert den watervloed in 1699 buiten- 
gedijkt en van de afgebrokene kerk eene nieuwe te Wijbelsum gebouwd. 
[O. 0. bl.301 en 312). Folkersweer schijnt op 't einde der 16de eeuw verloren 
gegaan te zijn , doch geen kerkdorp geweest , maar, even als Wijbelsum , 
onder Geerstweer behoord te hebben (Aant, op bening a , bl. 224). Logum 
geraakte in 1511 buitendijks; men sloopte de kerk en bouwde eene nieuwe 
op Logummer Voorwerk. In 1609 hebben er evenwel nog menschen op 
het oude Logum gewoond en werd er in 1639 nog gehooid (bkninoa, 
a, w. bl. 676). Verg. arends, Noordzeekusten, II, 194—198. 



Digitized by Google 



68 



DERDE HOOFDSTUK. 
Het ontstaan en de vorming van den Dottard. 



Beschouwen wij nu nader de gebeurtenis zelve, waarbij 
zulk eene uitgestrekheid gronds met al deze plaatsen eene 
prooi der golven werd — hoe de Dollard is ontstaan en 
zich tot dien aanzienlijken omvang heeft uitgebreid , als 
zijne wateren eenmaal hebben ingenomen. 

Verschillende oorzaken , zooals emmius die opgeeft, zul- 
len hiertoe bijgedragen hebben: vooreerst, de ligging en 
de aard van het land; ten anderen de one enigheid der 
landzaten, waarvan het verzuim der dijken het gevolg 
was; en ten derden eindelijk de magt zelve van het ont- 
stuimige water. Van den mond der Ee of van Oosterreide 
strekte zich Reiderland langs Jansum naar het noorden in 
eene landtong van bijna een uur lengte en breedte uit, 
waarom heen de Kems, vóór Emden langs, meteen engen 
bogt schuurde, zoodat deszelfs kusten hier aan den vollen 
aandrang en aanstoot eenerzijds van de noordwestelijke 
en noordelijke vloeden, en anderzijds ook van de ebbe- 
stroomen blootstonden , en de dijken , die buitendien toen 
nog niet zoo hoog en sterk waren als later en thans, veel 
te Ujden hadden. Vooral was de noordwestelijke wind hier 
gevaarlijk, als ook de noordewind, wanneer deze op een 
n zui4westew^ volgde, zooak verzekerd wordt in de ver- 
klaring van, 1565 en ook algemeen ten aanzien van onze 
zeedijken waargenomen is, en opgemerkt wordt. Deze 
kusten bestonden wel , zoo als wij zagen (bl. 27) , uit een 
hoogen en stevigen kleibodem, en waren daardoor nog al 
bestand tegen het geweld van het water, maar het bin- 
nenland was zoo laag 4 en moerassig , dat de vijand , een- 
maal ingedrongen zijndë , hier de grootste verwoesting kon 
aWigten (79). Hoe nopdig dan ook, by zulk een toe- 

ijth Ut jI'^u. j/ )d . na n*n**f< L v. . •■ •••• » •. '•.tawm» 

(TSO Levenswaardig is hetgeen bmmiub , Ckorogr- f. 39 , deswege schrift. 
„Die grond is," zegt hij , „van dien aard , dat hij onder de voeten sich 
„beweegt en als trilt, alzoo niet zeer bestand is, tegen den aanslag 
„van het water bij geweldige vloeden. In zulke gevallen lost hij zich 



Digitized by Google 



69 

stand, een steeds zorgvuldig en eenparig onderhoud der 
dijken was, daarvoor heerschten in die tijden veelal onder 
de inwoners, en vooral onder de groote landbezitters of 
de hoofden des lands, te veel naijver, vijandschap of ver- 
deeldheid , om daaraan de hand te houden of te slaan , 
terwijl het verder dikwijls aan de noodige openbare magt 
ontbrak , om dezen tot hunnen pligt te houden of te 
brengen. Outhof verhaalt uit eene oude geschrevene 
kronijk van Oostfriesland, dat de allereerste oorzaak van 
het onheil de oneenigheid was tusschen de Reiderlanders 
en zekeren keno ten broeke , die , uit den krijg in het 
Heilige Land met roem teruggekeerd , in het jaar 1269 
door den Rijksvorst kabel te Norden, waar zijn vader 
regent (ccmmi, redger) was geweest, tot overheid werd 
aangesteld , en ook tot Hoofdling van Broekmerland en 
Reiderland werd gekozen. Hij regeerde echter zoo wreed 
en streng, dat de Reiderlanders hem dreigden, een an- 
der in zijne plaats te zullen nemen. Dit verbitterde hem, 
en om ze met geweld tot gehoorzaamheid té dwingen, 
zou hij de zijlen in Reiderland verbrand en uitgenomen 
en de dijken hier en daar doorstoken hebben, zoodat het 
land orider water liep, en dit ten gevolge had, toen de 
Reiderlanders hunne dijken en zijlen ongemaakt liggen 
lieten, dat bij de opgevolgde groote watervloeden, èn 
wel die van 1277, het land inbrak én de DoDard is ont- 
staan (80). Emmius noch eenig ander schrijver maakt van 
deze gebeurtenis gewag; hij getuigt echter wel, dat er 
zoodanige KENO toen bestaan heeft, dié in 1310 gestorven 

is, zooals gezegdë kronijk mede vermeldt. Dat er destijds 

tsqfl >lr> «ilnow raTOfnftjj.p ' * n*n 'iivgimw fi**:lji.V;s 

„hier en daar op van den bodem en drijft boven, in kleinere en grdo- 
„tere stokken, zelfs met geheels huissteden en landen. Hiervan weten 
„de bewoners van den Dollard partij ,*e trekken,, . doctf^v/wanneer eene 
„ overstrooming hunne, gezaaide landen bedekt, paarden ( daaipp te laten 
„loopen, waardoor de grond zich weder gelijkblijk een paar* 1 voeten ver- 
gheft, met het water weder dalende. Dit mag wonderbaar schijnen, en 
„bij vreemden ongeloofelij k, ook bij ons, indien de ondervinding by 
„hevige overstroomingen de waarheid daarvan niet bevestigde en deed 
„zien, hoe geheele stokken lands, als een sclüp, met vee, dorpen ge- 
„huchtcn, kerken, op de baren daarheen kunnen drrjvW' Voorbeelden 
hiervan sullen wQ .later ontmoeten- oo.ui ,iiiu *i* -> r 
(80) A. w. bk 338, 339» . ^ 



Digitized by Google 



70 



ook veel oneenigheden in genoemde en andere Friesche 
landstreken aan beide zijden der Kems , en wel tusschen 
de Geestelijken en Leeken, geheerscht heeft, is almede 
uit de geschiedenis bekend. Die twist werd wel in het 
Munstersche Friesland door een vergelijk met den Bis- 
schap van dien Sprengel in 1276 bijgelegd, maar de ver- 
heffing van de gewone regters of regenten tot Hoofdlin- 
gen, die in dien tijd vooral voorviel, ook met anderen 
zoowel als met genoemden keno, zal voortdurend aanlei- 
ding gegeven hebben tot onderlingen strijd niet alleen, 
maar ook met de inwoners, gelijk hier van de Reiderlan- 
ders tegen keno verhaald werd. Het is dus wel moge- 
lijk, dat bij deze gelegenheid gebeurd is, wat van de 
vernieling der zijlen en dijken door keno gezegd wordt, 
maar het is toch ook opmerkelijk, dat iets dergelijks met 
genoegzame zekerheid ook verhaald wordt van een ande- 
ren keno ten broekb, omtrent eene eeuw later in zijn 
strijd met koppen jarges ; — en dit houdt ons terug , om 
'dat eerste verhaal ten vollen geloof te schenken, en doet 
denken , , dat het laatste op dien ouderen KENO is overge- 
bragt geworden, zooals sommige ook dat, wat van den 
moedwil van een vermogenden Reiderlander tidde win- 
NENGÖA' medegedeeld wordt, hebben toegepast op dien 
tijï of het eerste ontstaan van den Dollard, terwijl dit 
wel vrij zeker tot denzelfden lateren tijd behoort, zoo als 
wij zullen zien ■■ > - - <■' * 

1' Höö 'dit ' zij , algemeen wordt uitdrukkelijk de inbraak 
van den Dollard het naast toegeschreven aan de vloeden 
in het jaar 1277 voorgevallen. In den hevigen storm- 
vloed, nameHjk, van den lb* Januarij 1277, bezweek de 

Eemsdgk bij Janswn tegenover IxirreÜ en Emden , — en 

r««*I» o.v b^swsv fi-*>;' i )\ -> iv t•* , •.' , ' , : • o • • •• 

(81) Arknds, Gtsoht'ed. dér Noorèteek. II, 177, die breedvoerig over 
de genoemde' oorzaken spreekt, betwijfelt zeer de waarheid van deze 
verhalen ©f sagen en wel die omtrent keno , omdat er toen nog geene 
Hoofdtingeh in Oostfries] and bestonden, en toen die opkwamen, Reider- 
land niet onder Broekmerland is gekomen. Wel is waar is van dien kbho 
aöder«i>nk*t' békend , «och -Is het zeker dat hij reeds Hoofdling van beide 
landstreken geweest is v maar van zijn zoon van dien zelfden naam, die 
na Kïjn dood in 1876 hem opvolgde wel , althans van Broekmerland. 
Emmtos noemt dezen het hoofd van de Broekmer familie, maar de va- 
der mag welligt reeds zoo te noemen zijn; en het Rciderland is te wei- 



Digitized by Googl 



71 



met deze inbraak nam de rampspoed een begin. Want er 
volgde in hetzelfde jaar omtrent kerstijd, den 25 Decem- 
ber, een nog verschrikkelijker storm- en springvloed, 
waardoor op nieuw de naauwelijks en gebrekkig of nog 
niet herstelde dijk bij Jamum weder wegspoelde , en bo- 
vendien eene tweede doorbraak bij Wilgum ontstond (82). 
Hierdoor werd niet alleen een groot deel van Reiderland 
overstroomd, maar door verzuim of onmagt, om de ge- 
noemde dijkgaten te digten, bleef het voor de zee open 
liggen , die bij onderscheidene , in de drie achtereenvol- 
gende jaren woedende stormen , steeds meer en meer veld 
won en het verlies onherstelbaar maakte, vooral nadat 
zich tien jaren na den eersten, den 14 December 1287 , 

' ' » . -t» ij" t -i • ■:[ 't . «r 

nig bekend en zijne geschiedenis te dntater, om zijne betrekking tot 
Broekraerland en diens HoofdUngen te loochenen, even min als ze te 
bevestigen. Verg. 8üür , Gesch. d. Hauptl Ostfr. S, 76 , 135, 174. Het 
schjjnt , dat men hier te onderscheiden hebbe tnsschen Oppcr-Hoofdlingen 
van geheeTe landstreken en Oncfer-Hoofdlingen van enkele plaatsen. En 
zoo laat zich verklaren de opperheerschappij van het geslacht trïï broers 
met het bestaan van Hoofdlingen in Reiderland, gelijk uit voornoemde 
bescheiden van 1391 en 1420 blijkt. 

(82) Zoo meenen wij de berigten van emjuus (Chorogr. t. a. p. en 
Fris. Bist. XII, 177) en andere met octhof het naauwkenrigst op te ge- 
ven. In de aanteekening uit een missaalboek van het klooster Termun- 
ten bij rknoers , wordt de tijd der inbraak nog nader bepaald op een 
maandag te 11 nro als ratüs en mrmbrodus pattoren waren te Reider- 
wolde; desgelijks in het H. S. (beide in de Bijl. V en Vi; en wel op 
den 23 December; dus wordt de tweede inbraak bedoeld, want vervol- 
gens ook de eerste van den 13 Januarij vermeld. Die toenmalige pastoren 
ratüs en membbodus worden ook genoemd in een oud H. 8. b'ri oüt- 
hof bijgebragt , misschien wel uit dezelfde bron. Overigens verschillen in 
het een en ander nog de berigten van deze doorbraken. Op het op- 
schrift van de oorspronkelijke Dollardkaart wordt alleen gewaagd van den 
vloed van den 25 December 1277 , en deze opgaaf volgt de Teg. St. II, 
232, maar er wordt elders, gelijk boven, alsmede in eene geschrevene Kro- 
nijk door outiiof aangehaald , uitdrukkelijk ook van een voorgaanden 
vloed in J anuary gemeld en op do kaarten de twee doorbraken bij Jan- 
sum, als de eerste, en bij Wilgum als de latere onderscheiden met de 
verschillende datums. Akknds meldt, dat in den eersten vloed (dien hij 
in sijne Geschied. der Noordzeekusten t II, 173 op den iaden, doch in 
zijne Geschied, der Watervl. , bl. 32, later ook op den 18 Januarij stelt) 
de dijken van Beiderland vernield en in den volgenden op den 25 
December de beide dijkbreuken bij Jamum en Wilgum gebeurd ««n, en 
de eerste wel bij vloed en de laatste bij ebbe (t. e. pl.). Hij leidt dit 



Digitized by Google 



72 

eéri hóóge vïoed bei-haarde (83). Het gevolg van beide de 
doorbraken was af zoo, dat de Eems zich tot in de Se, 
bij J ansu m - éri ' Wilgnrn beide , éen weg door het schier- 
eiland, hetwelk ReÊderland hier vormde, baande, dat van 
het 1 overige afscheurde en geheel tot een eiland maakte, 
waardoor het een eri ander, steeds meer inbreuk van 
de wateren lijdende, aïlengskens nog meer afnam en on- 
derging. De waterplas breidde zich aldus zuid- en west- 
w aarts aan deze, zoowel als aan gene zijde der Ee uit, 
en vormde eerst een zuidelijken en vervolgens ook een 
westelijken inham, waarvan de eerste zich tot in Wester- 
wolde en de laatste tot in het Oldambt uitstrekte. Men 
trachtte no£ Wel tin . 'eti dair den voortgang der golven te 
stuitëh i doch dë veélat te zwakke dijken en onvoldoende 
maatregéïen konden ' net geweld daarvan niet weerstaan 
noc^èereh^ inih ais de losse, moerassige grond, 
waarop en waarvan z^-geïegd Wérden , zoodat die bi} bui- 
tengewbfië v!be»én ,T Wegi en zelfs bij dagelrjkschen aanslag 

zekel^w^wa^' Wij weten niet, dat dit ergens gemeld wordt. Op de 
kaarten worden, integendeel * ;beide dijkbreuken voorgesteld» als van de 
zee- ui vloed&ijde geschied, t tc ,^ün. Van de gewone opgaaf verschilt de 
vei'kjjajring^ jvan 15$5,,door te . getuigen, dat , volgens oude aanteekenin- 
gen in het Grijze monnikkenklooster te Termunten berustende, de in- 
braak net eerst it, Ü299 gebeurd is. Zie Bijl IV. Maar van eene in- 
braai «f «véKWoóktogt itt dat jaar voorgevallen, is niets bekend, en 
dere opgaaf taLjdw; wet «ie^nist, W ar t verward zijn met het berigt van 
deflatie* t^.het' koster te.^entexwolde in dat jaar, dat er mis- 

■^ 9 W M v ^ d ,»ii n ' ev ?? als in ona H - s * onder Bijl ' v * 

KEMA, Proeve enz, l, .506, spreekt van eene overstrooming van 1267, 
waarbij' dé : dljWn en-hr»>nderheid de Eemsdijken veel leden, en welke , 
door 1 ' hét 'tiiefr oelilboTigk J^retellen' derzelve, tyj; de volgende nieuwe 
doovbcakot», «Jen grondslag zou heb beu gelegd van den Dollar d. Hij 
haalt hierbjj aan; j Vïstb^dorp ,, Jaarb. 1 , 847 ; maar deze zegt inte- 
gendeel , dat <fe Eemsdijken (van Fivelingoo) juist bewaard bleven en 
teregt volgens de bron, waaruit dit geput is, t. w. de Kronijk van Wie- 
rum (in matth. Anal. II) , schoon hij ook daarin dwaalt, dat hij dien 
vloed in het jaar 1267 stelt; het-is de tweede Marcel! osvloed, die in het 
jaar 1266 plaats had. Het baart verwondering, dat de gelijktijdige S. 
dier Kronijk wel van dien vloed en anderen, als dien van 1387 melding 
nnf&fefcftitar'ttfét geen Voord gewaagt van dien van 1877 , noch van de 
inbraéflt deë 1 ÜWWstfds'. (jd , .... 

^83) Zie over dew» vloed akknds, Gesch. der Wattrvloedtn , 111,84 
en vervolgens bü verder te vermelden vloeden. , < 



Digitized by Googl 



73 

van het water af- en inspoelden. De van alles berp,ofo> 
naaste bewoner» waren ook geheel pwnagtig geworden^ 
om de dijken naar eisch te maken of te versterken, en 
waren dus wel genoodzaakt het land aan de wateren prijs 
te geven; en zij die nog konden, maar verder af woon- 
den en daartoe onverpügt waren, betoonden zich on- 
willig dat te doen, althans voor anderen (84). Gedurig 
ontstond «r dan nu ook twist over het maken der dijken, 
waarbij nog kwamen de ongelukkige verdeeldheden, die 
buitendien onder de ingezetenen, zoo lang en zoo hevig 
bleven heearschen, met name die der Schifringers en Vet- 

£r: z ij n die v ermo eden , dat b#ite n en , bij de voornoem- 
de oorzaken nog eene bijzondere of buitengewone aanlei- 
ding heeft gegeven tot het ontstaan van Dollard» en, , 
wel dat die bestaan heeft in eene y^inJking of pak- 
king van den DoUardgrond. Akends is, r was althans van 
die gedachte (85) , en na hem ook een en , ander, meer , , 
sedert men meer bekend is geworden met dergelijke ver- 
schijnselen , aan de kustlanden der Oostzee en elders waar- 
genomen. De gezegde oorzaken mogen, volgens hem , 
wel deel gehad hebben aan de vorming van den boezem, 
maar hij kan zich niet wel voorstellen hoe, zonder eene 
zinking of zakking van den bodem zelvén, zulk eene 
groote lap gronds door de baren konde ; verslonden wor- 
den. De zee breidt zich bij overstromingen wel over het , 
land uit, maar graaft het niet int? die bodem tkm> O» 
eenige plaatsen door zijne ligtheid' eU losheid wel van' 
een gereten en weggescheurd zijn, doch over hét geheel 
heeft dezelve zijne oorspronkelijke ligging behouden, zoo 
als men bij het put graven in de polderlanden nog be- 
vindt Behalve deze ontkennende redenen voert by neg*, 
tot staving van zijn gevoelen, de meer stellige tón; dat 

. *t • ... ... $ t ■ ,.- vil tint ) ^üjw^ütfinoj 5L ji.L' t S0*>2Ktta 

^ 'l*-- - i'' 1 •' ■ • 'i uutfu.vi ( aoid jh eu3*>iov ïgbiu) 

K A x/,,% . irc w . [::\ nooi!03 , (II .tattfi .httam ni) min 

(84) Zoo wordt dit verzuim van d ij k e n i nitduukkaiijk ,i» een, der t op- 
schriften op de. JJollardkaart als de ooraaak wen den oadergang ^sn t 
WesttReiderlaad aangeteekend. \„*j n.j fcaoj/ D*»ifc ia»v U/w iijjaoiil ivib 

(85) Erdbeschreib. v. Qstfo. S. «58, »5«. In *gn later. uigegeven, 
werk, Geschiedenis der Noordzeekusten, heeft hij dit gevoelen* niet .be T 
paaldeiyk van den Dollardgrond weder genit > maar wel van den aan- 
gesloten in het algemeen (I, 21*). • -t . - «. • 



Digitized by Google 



74 

de oude kleibodem in den DoUard veel dieper ligt, dan 
die in de aangrenzende landen. — Wij hebben dit punt 
zoo veel doenlijk ook onderzocht, omdat wij het van 
groot gewigt achtten , niet alleen ter verklaring van de 
vorming van den DoUard, maar ook voor geheel ons 
land, wat de toekomst zoowel als den oorsprong van 
deszelfg kustland vooral betreft. Wij kunnen echter onze 
daaromtrent gedane waarnemingen en onderzoekingen 
hier niet wel mededeelen , om den draad van de geschie- 
denis van den Dollard niet te zeer af te breken, terwijl 
zij ook eene geschiktere plaats bij de nadere beschouwing 
van den bodera zullen vinden. Tot daar stellen wij dan 
ook de beantwoording v*i deze en gene vraag uit; wat 
wij te eer kunnen doen, omdat wij nog niet wel in staat 
zullen zijn, een stellig oordeel omtrent deze zaak te vel- 
len, die even moeijelijk als van belang is. Zooveel meen- 
den wij hier voorloopig daarvan te kunnen zeggen, om 
nu verder de lotgevallen en gebeurtenissen van land en 
volk, ons onderwerp betreffende , zoo veel mogelijk , ge- 
regeld na te gaan en te beschrijven. 

Niet vóór de 15* eeuw treffen wij daaromtrent weder 
eenige bijzonderheden geboekt aan. De meergemelde 
belangrijke overeenkomst tusschen het Oldambt en Bei- 
derland over hunne grensscheiding en de afwatering vooral 
van het Oldambt, in 1391 opgesteld en in 1420 hernieuwd, 
schijnt wel op den ouden stand dier landen nog gegrond, 
maar toch ook reeds gemaakt te zijn met het oog op de 
veranderingen, welke de Dollard daarin had te weeg ge- 
bragt Dit blijkt vooral uit het slot van het laatste ver- 
drag , luidende , dat het gemaakt is : ofte dat landt bij 
Wolden (Wold- Oldambt) in syn stoet staen saü und mit 
guder laden hulpe, wente behoef is dat beste baden des lan- 
des dat beste cm sein. Van de Dollard- of buitendijken is 
er echter geene sprake. In de herhaalde vloeden, welke 
Friesland troffen, in 1375, 1376, 1379, 1380, 1387, 1391, 
1395, 1403, zullen deze ook zekerlijk nu en dan gele- 
den hebben, schoon daarvan niets naders geboekt is. Ten 
gevolge daarvan was misschien het geschil ontstaan, 
hetwelk hierop , volgens ehmitjs , tusschten de dorpen 
van het Wold -Oldambt, te weten: Midwolde, Oostwold, 
Scheemda, Eexta en de Meeden eenerzijds, en Zuidbroek, 



Digitized by Googl 



75 



Noordbroek en Muntendam anderzijds , over het maken 
der dijken aan den Dollard heeft plaats gegrepen. Dat ge- 
schil werd door de wederzijds gekozene scheidslieden, de 
beide pastoors van Midwolde en Scheemda en de Hoofd- 
mannen van Groningen in het jaar 1411 beslecht en hunne 
uitspraak bovendien door de pastoors van Zuid- en Noord- 
broek en de regters van het Oldambt bezegeld. Meer is 
ons echter , tot ons leedwezen , daarvan niet bekend (86). 

Omstreeks dezen tijd mag nu voorgevallen zijn, wat, 
volgens de overlevering , berigt wordt van den Reider- 
1 ander tidde wijnnengha, welke zeer vele goederen 
en deel in het bestuur van dat land had — een Hoofd- 
ling daarvan zal geweest zijn. Deze zou namelijk op de 
aanmaning zijner mede-ingezetenen, om de dijken te 
maken , geantwoord hebben , liever zijne landen ter hoogte 
eener speer onder de wateren bedolven te willen zien, 
dan eéne schop aarde te besteden , om hiermede zijne 
dijken of die zijner naburen te herstellen ; en deze zijne 
verwaarloozing zou voor Reiderland en hem zeiven die 
noodlottige gevolgen gehad hebben, dat de Eemsdijk bij 
Jansum doorgebroken en de Dollard ontstaan is, en hij, 
tot armoede vervallen zijnde, naderhand als provenier of 
kostganger in het klooster Palmar gestorven is (87). Men 

brengt alzoo dit verhaal tot de eerste inbraak van den 

; . ijl'.*: & * - ;\' . - t «••' 
■ — - — — . 

(86) EaontJB, Rer. Fris. Hiat. f. 256. Westkhdokp , Jaarb, II, 337. 
Deae deelt het niet naauwkeurig made, maar merkt te regt aan, dat 

het ongetwijfeld voor de geschiedenis van den Dollard vooral Tan den 
inham aan do zijde dezer kerspels van veel belang ware, dit stuk in 
*ijn geheel te bezitten , hetwelk echter niet meer in onze Archieven 
schijnt te bestaan. Het schijnt, dat de verst afwonende de naastbij den 
Dollard wonende in het Wold-Oldambt geweigerd hebben mede te hel- 
pen tot het dakwerk. Het staat vermeld in het Re§. van Charters van 
d» siTTER ? bl. 45 , onder den titel : Uitspraak van ze gamannen over het 
herstel der dijken in het Oldambt, Sept. 1411, en is wel hetzelfde als 
hetgeen aangehaald wordt in '< Bewijs van de Independentie der Oldambt- 
ten, Rotter d. 1640, bl. 22, alstoen berustende in der* el ver Archieven, 
schoon door driessen, volgens het door hem aangevulde Register, voor 
verschillend gehouden. i 

(87) Zie dit verhaal b\j ekm. Rer. Fris. Rist. f. 176 en Chorogr. f. 
39. Otjthof, a. w. bl. 173, Teg. Staat, II, 232, westendorp, Jaarb. 
II, 20, arend8 , Noordzeek. II, 177, en vooral de verklaring van 1565, 
in Bijl. IV, welke wtf gevolgd zijn. 



Digitized by Google 



76 



Dollard; maar dat het, gelijk wij zeiden, wel tot lateren 
tijd te huis behoort, blijkt uit het volgende. Die tidde 
wijnnengha is toch waarschijnlijk van het geslacht, welks 
zetel of stins de in de verdragen van 1391 en 1420 ge- 
melde Tydwynedaboroh in Wgnedaham was (bi. 10 , 32), 
ja misschien dezelfde persoon, als onder den naam van 
ttode wynnelde , als een voornaam Reiderlander , voor- 
komt in een brief van 1413 (bl. 130), waarbij hysseke 
of hiske abdena , Proost en Hoofdling te Emdèn , en 
haije adensche of addinga , Hooftlling van Wester- 
wolde, die gehuwd was met zijne dochter reinske, 
de stichteres van de oude fraaije kruiskerk te Midwolde 
(bL 42), zoo aan helm ató aan andere personen i,e Reide 
beloven, hen niefe te zullen moeijen , maar in het vre- 
dig bezit te laten van hun regt en goed. Wij worden 
üt dje meening bevestigd door het zeggen op dat jaar 
variv B5 wo*Nga , dat têdïnge (zoo als hij die familie 
noemt) hüime dijken lieten liggen en de zijlen inrijden, 
waardoor het land verarmd was en 24 kerspelen waren 
vergaan (8$)« ^ 'Tèt dezen tijd is zeker te brengen, wat 
men verder ¥atf kkno ten broek k en KOPPEN JARICH9 
óft*j|&ft E 8 verhaalt, namelijk, dat beide verscheidene slui- 
i*n m ReMérknd hebben doen verbranden of Vernie- 
len en de dijken doorst^en, om het land onder wa- 
tert ter laten loepen. Dit s'chijnt zich nader aldus toege- 
dragen te hebfeén. -I>é Proost HiSKE abdb*a stond aan 
het hoofd der iSchièrfngeri in Oostfriesland, en in vriend- 
schap "mé* > de T teen " Sehierihgsgezinde Groningers. Maar 
tfen f voormelde jarö 1 lil3 werd de stad Emden door den 
Hoofdlij Kmo i TEN moeke ingenomen en hiske met 
de zijnen verdreven, naar Groningen de wijk nemende. 



aet Mf t ^WfflPlV 4e ^etkqopets met keno hielden. De 
eersten behielden de overhand en trokken nu met kop- 
pen jarges aan het hooftl' öp tegen Jonker keno, m 
Rei der land zich ophoudende. J abgëb deed eerst in het 

sluizen, en toén keno uit 

(88) Bist. v. Oostvriesl. bij matth. Anal. IV, p. 183. 



Digitized by Googl 



77 

weerwraak andere in het Groningsche Reiderland, en wel 
èe te Reide verbranden en vernielen , waardoor het land 
zelf al verder en verder inspoelde. Jabges bezette ver- 
volgens , opdat zulks niet meer door den vijand mogt ge- 
schieden, Beider-, Munter-, en OterdummerzijL Bij die 
gelegenheid zou koppen jabges ook de kerken in Five* 
lingpo, die van Mi d wol de in het Oldambt, alsmede het 
Zusteren klooster te Reide van gouden en ailveren kost- 
baarheden beroofd en daarvan te Kampen Arendsguldons 
hebben laten slaan, die men naderhand Koppensguldens 
noemde (89). De toestand des lands werd dus doende al 
erger en erger. Want hoezeer, volgens de bestaande wet- 
ten, de eigenaren der landen en bij ontstentenis van deze, 
de ingezetenen der kerspels, waartoe dezelve behoorden, 
gehouden /.waren, om voor de hwsteUujg [ der tdijloen te 
zorgen , zoo r waren echter eigene* kracfcteu aBemi opbden 
duur daartoe te zwak. Zware vloeden., vieAwa erriook m 
dezen tijd voor, welke ook Reiderland zullen geteisfcerd 
hebben, zooals in 1421 de tweede Mzabei^^MèMim 
en de zes volgende jaren. De wateren drongen af meer 
en meer daarin door, en bedreigden, zelfs een aanzien- 
lijk gedeelte van Fivelingoo, zoowel als het Oldambt 
met een volslagen ondergang (90). Deze nood deediiie 
stad Groningen benevens de landschappen Hunzingoo en 
Fivelingoo in het jaar . M2& mMvk f^ute»; na lang 
twisten en talmen , om de ingezetenen ^n^Beiderlandilfce 
hulp te komen, znlks doende, niet ait vigrpligting , A maar 
uit medelijden met hunnen nood, zonder daaraan in het 
vervojg gebonden te züni^^qpaia; n>en gewoon was bij 
deze en, andere,, dergelijke gelegenheden ,jrelj ukdttkkeUjk 
' •• ' H 'H -A 'ivJt oh n^jv.'sunx) taan f nöV97imv nenjis &i> 

(89) Wbitemporp, Jaarb. II , 341—343. Émoos , ^Éêr^ Frjf, Jfift. 
t «61, 262. Westendorp meldt, dat do Schièrin^érs de sluizen dood- 
gestoken hebben , maar kmmids , dat alp ie kobwef 1 alt 11 de Vctkooper* 
verbrand hebben , gelijk ueninoa van koppbit Jlfcda* alléén meldt Ier 
kor©» plaato» Wsstbhdoiip sprec^ovftnj^ ^n*r^ A |n«DS<*it 
moet Munter- of TemunUrzyl ^ h , }od ^ f, nJi r- I0 f : ^tf 

hetgeen hem zeker priester ekgelbebt van Zandeweer medegedeeld had. 
b dit berigt juist, dan zou de Dollard reeds toen «oo ver zuidwaarts 
doorgedrongen zijn. , — / ,, .. H , ,, 5 ^ 



Digitized by Google 



78 



te bepalen (91). De stad Groningen gaf alzoo van elk 
huis drie blanken, en van eik gras land, dat te Delf- 
zijl uitwaterde , een blank , en Hnnzingoo en Fivelingoo 
elk duizend gulden tot de herstelling der Reiderdijken. In 
het twintigjarig verbond, hetwelk de landen tusschen de 
Lauwers en de Eems, met uitzondering van de stad Gro- 
ningen en wel tegen haar, met focko ukena en andere 
Oostfriesche Hoofdlingen in 1427 aangingen, werd, onder 
andere heilzame punten, besloten: (Art. 8) dat zij, die bui- 
ten het Oldambt woonden, maar aldaar goederen hadden 
liggen, mede de dijken aldaar zouden moeten maken, bij 
verlies van deze hunne bezittingen , ten behoeve van het 
algemeene land; en (Art. 10) dat al degenen, die woon- 
den boven den Del/dijk (langs het Damsterdiep) tot aan 
(Ooster) Hoogebrugge toe , den Oldambtsters een dijk zouden 
helpen leggen van Weeterreide af tot in de Wolden; in dier 
voege, dat zij, die in het Damster regtsgebied woonden met 
hen die woonden in het gebied van haijo bipperda van 
Farmsum, zouden helpen slaan den dijk zoover de klei ging, 
en de andere die binnen dien dijk woonden met Duurswolde 
zouden helpen eppo (gockinga) te Broek (Noord- en Zuid- 
broek) en het Wold- Oldambt den dijk voortzetten in de 
woudstreek , waar zulks het nuttigst mogt voorkomen ; en 
konde men op die wijs den dijk nog niet tot stand bren- 
gen, zoo zouden al de Ommelanden bijschieten, opdat ze — 
zoo eindigt deze bepaling — door den watersnood niet 

\ n .»•••« 
—————— , 

(91) Zie westbndobp, Jaarb, II, 404; leg. Staat, I, 145, en 
vooral den brief van 1425 des daags na Hemelvaartsdag afgegeven door 
ocko ten bkoeke , waarin deze betuigt van de stad Groningen , van 
Hunzingoo en Fivelingoo ontvangen te hebben de alzoo toegestane gel- 
den tot hnlp van Reiderland om zijne dijken te maken. Men vindt dien 
vermeld op het Rtg. v. Chart. bl. 57 en uit het Groningsche Archief 
uitgegeven in feiih's Gron. Bdelemregt, II, 538 en voorts in wbstbb- 
hoff's Ku,clderkwe*tie, Aa*u bl; 32. Deze brief levert niet alleen een 
blyk op van den nood, waarin Reiderland toen verkeerde, maar ts 
ook merkwaardig als een der oudste bescheiden van dien aard , ten op- 
aigto van Reiderland niet slechts, maar mede van ons overig gewest, 
waaruit men ziet, hoe het eene landschap het andere soms te hulpe 
kwam tot het bedijken der landen, in buitengewone gevallen. Wtf zul- 
len meer voorbeelden daarvan tot de DoUarddijken betrekkelijk ontmoe- 
ten, ook t. a. p. bygebragt. 



Digitized by Google 



79 



jammerlijk vergingen (92). De gedachte vloed , de grootste 
en laatste van de reeks van dien tijd , welke in het volgende 
jaar 1428 voorviel en waarbij de zee de kustlanden op 
enkele plaatsen tot aan Drenthe onder water zette, zal de 
uitvoering dezer bepalingen zoo niet verijdeld toch groote- 
Jijks verhinderd — maar des te noodzakelijker gemaakt heb- 
ben. Dat men ook ernstig hierop de handen aan het werk 
heeft geslagen, blijkt uit een bescheid van 1429, inhou- 
dende , dat eppo gockinga en andere gekozene dijkreg- 
ters tot de Reiderdijken , ten einde voor derzelver her- 
stelling te zorgen — zeker ingevolge voorzeide besluiten — 
de kerspels Middelbert en Engelbert, die hiertoe niet op- 
kwamen , hebben opgeroepen en aangemaand tot de mede 
....... . > 'u« . 'i •• 



(92) Zie tak idsinga , Staatsrecht , II , 347 , 348 , waar dit geheele 
verbond is opgegeven uit de Stads Archieven, hier nog berustende en 
blijkende te zijn van den 5den dag na Paschen (25 April) 1427, zoodat 
hy het teregt op dat jaar , maar bmmius (Rer. Fris. HisL t 307 , 308) 
verkeerdelijk op het jaar 1428 stelt. Suur (Ost/r. Klöster , S. 141) 
geeft er het bepaalde in Art 10 omtrent de bedijking van op nit het 
afschrift van bmmiüb , dat onder zijne in het Archief te Anrich bewaarde 
papieren bernst. Hij verdedigt ook (HHuptl. 0$i/r. S. 136) ïmjiius opgaaf 
van het jaartal 1428 tegen wiarda , Ost/r. Gesch. I, 435, die iDawaA 
volgt, gelijk de Teg. Staat, I, 149, weder emmiüb , omdat het beloop 
der zaken niet zoude strooken met het jaar 1427 , dat wij echter niet 
inzien, daar focko zoowel in 1427 als in 1428 in ons gewest is ge- 
weest. Westendorp brengt, behalve dit verbond op het jaar 1427 en 
genoemde bepalingen daaruit (Jaarb. II, 430, 431), ook nog uit de 
Ckronica der Freestn op het jaar 1428 bij (bl. 440, 441), hoe in dit jaar 
focko ckeka en andere medeverbondene Oostfriesche Hoofdlingen met de 
O ld ambtster Hoofdlingen eppo gockinga en menno hou wek da en eenige 
prelaten uit de landen tusschen Eems en Lauwers waren overeengeko- 
men de dijken in het Oldambt en in Reiderland langs den Dollard , die 
reeds gedurende twee jaren hadden opengelegen voor eb en vloed , te 
maken en nog andere gewigtige punten, de wet en regtspleging betref- 
fende , hadden vastgesteld. Maar bhjkbaar doelt dit op hetzelfde ver- 
bond, en zal das niet als een ander verbond, dan bovenstaand, te be- 
schouwen zyn, geluk W. het opgeeft Afschrift van bovengemelde Ar- 
tikelen met het 9de over het ophouden van het Drentsche water, cn 
het begin en slot des verbonds zijn o. a. stukken ook gevoegd bij een 
Request door volmagten van het kerspel Winschoten in Julij 1651 inge- 
diend aan de Staten van Groningen en Ommelanden en aanwezig in het 
Archief Tan dat kerspel, volgens mededeeling daarvan door den heer 
Mr. r. de sitter gedaan. Men heeft er zich dus toen nog op beroepen 
en die bepalingen als geldig beschouwd. 



Digitized by Google 



80 



deelneming aan dit goede werk; doch vruchteloos, om- 
dat deze kerspels zich daartoe ongehouden achten (93) — 
en dit te regt; want volgens de bovengemelde bepaling 
waren alleen zij die in Pmelmgoo woonden tot het dijk- 
werk verbonden, niet die van het QooTégt , waartoe voor - 
noemde dorpen behoorden. Die bedijking zal dus tot 
stand gekomen zijn, ondanks de tegenkanting, welke dit 
verbond al dadelijk, vooral van de stad Groningen ónder- 
vond , en de onlusten , welke daaruit ontstonden. Zij wist, 
na FOCKO's ondergang, die spoedig hierop volgde, weder 
de Ommelanden aan zich te verbinden , de magt der 01- 
dambtster Hoofdlingen, houwebda en gockinga, die 
zich aan het verbond wilden houden, te fnuiken; — en zoo 
werd Groningen genoegzaam weder het hoofd der Omme- 
landen en meester van het Oldambt De dood van eppo 
gockinga in 1444 stelde haar zelfs, volgens verdrag met 
hem ingegaan, in het bezit van deszelfs goederen en ge- 
regtigheden, ook aldus in het ambt van Dijkregter in het 
Oldambt , hetwelk hij uitoefende. En nu trok zich de 
stad de herstelling van de Reider Dollarddyken aan , die 

intusschen weder geleden moeten hebben, misschien in 

>i\i>'j iU;y ito AU, uulrt-j Sa. >/{<{». . ■i..;?j'if><iWi| u A\*ja f ^ r fo«** 

- ■ • 

• . • - ' '\ ' " ' ' .: : ' . 

(9*) WiSTMDOiF, Jaarb. II, 450, Reg. der Charters, bl. 61 , voor- 
handen in het Stads Archief. — Onzeker latende of hiertoe al dan niet 
behoort, vermelden wfl hier eenc uitspraak van 1428, in een verschil, 
gerezen over het leggen van een gedeelte van een nienwen dijk, tus- 
schen de Klooetelingen van Termanten en die van Warfum , welke hier 
ook landerijen schijnen te hebben bezeten, als webtbkdorp, welke die 
uitspraak uit een H. 8. mededeelt (Jaarb, II , 443), hier goed gelexen 
en er ook niet Wartum heeft gestaan, als meer zeker beneden. De 
regters van de kerspels Klein-Termunten , Oterdam, Woldendorp en 
Borgsweer besloten , dat de Kloosterlingen te Ter-munten , wegens hun 
landgoed in Lesterhuis , met 40 roeden bezwaard en het overige tot 
aan Wartum (zoo als loer gelezen zal moeten worden, en niet "War- 

in het II. 8.) door de gezegde gemeenten 




die met de 
i, maar ook op zich zelf kan ge- 
hebben. Op de Dollardkaarten wordt eene inlegging van den 
op het jaar 1486 aangewezen; deze zal, als zooveel later, hier 
dus wel niet in aanmerking kunnen komen. ' 



Digitized by Google 



81 



den stormvloed van 1436 , of verwaarloosd zullen zijn ge- 
worden. Zij vorderde in Let jaar 141 1 van do kerspels 
Midwolde, Finserwolde, Oostwoldo, Scheemda en Eexta, 
dat zij hiertoe de behulpzame hand zouden bieden; maar 
deze kerspels gaven aan dit opontbod geen gehoor (94). 
In 1454 zou eindelijk, volgens sommige opgaven, onder 
het opzigt van den Raadsheer gosen dulk, die toen 
Drost of Ambtman van het Oldambt was, op kosten van 
Stad en Ommelanden en van het Oldambt, een dijk ge- 
legd zijn van Jansum af tot Finsencolde, Zoo schrijft em- 
MIUS op dat jaar, en misschien wel in navolging van of 
althans eensluidend met de verklaring van 1505 , waar- 
in gezegd wordt: „dat van Jamem" (d. i. bier zooveel als 
Heide en wel Westerreide) „een dijk gelecjit is geweest tot 
„np Tysweer, Palmaer, der Swage end voert up Innser- 
„wolde, dewelcke, soe do Kellener" (van Mcntcrne oi 
Grijze Monnikenklooster) „in des Oouvents olde Registers be- 
tonden heft, omtrent anno 1454 gelecht, doen zalige GOE- 
DEN VAN DüLCK, Castelein van den Oldenampte waer." 
Het verdrag zelf over die indijking, in het Groningse li 
Archief nog overig, en dat wij onder Bijlage IX in zijn 
geheel zullen mededeelen , spreekt echter alleen van eene 
bedijking in het Wold- Oldambt van Palmar tot Finser- 
wolde of omgekeerd, en het waren, volgens hetzelve, de 
gemagtigden van Stad en Lande oosen van dulck^UL- 

GER VAN NOORDDIJK, CLAWES TER BRTGGEN , LTWWlG 
HOERNKINGH, Kastelein, JOIIAN RENGERS CU EG GERT K 

ripperda, die met de Iloofdlingen , Regters en de gan- 
sche gemeente van het Oldambt , onder toestemming van 
de Prelaten der kloosters te Termimten, Witteiwerum , Hei- 
ligerlee, Oosterwierum en Golthoom, overeen zijn gekomen 
de Reiderdijken tusschen Palmar en Finsencolde te maken 
en staande te houden. Tot dat einde zou ieder , geestelijke 
zoowel als wereldlijke , zijn land aangeven en laten opteeke- 
nen, dat tusschen beide plaatsen was gelegen en met den 
nieuw r en dijk mogt gewonnen worden, en hiernaar tot de 
onkosten bijdragen; wie dit niet deed, zou geene aanspraak- 
meer hebben op het land. Men maakte ook schikkingen 
voor het geval dat de nieuwe dijk weder inbrak, — alsot 

(94) Emnus, Rer. Fris. HisL f. 356. Westend. 'Jaarb: li, ROlïr; 

O 



82 



men daarvoor reeds vrees koesterde (95). Uit de opgege- 
vene rigting van dezen dijk kan men opmaken, dat hij 
misschien een vervolg was van den vroeger reeds gelegden 
dijk in het Klei-Oldambt en met dezen van Finserwolde tot 
omstreeks den hoek van Keide zal geloopen hebben, meer 
of min zuid en noord in eene regte lijn, waar binnen de 
waterplas dezerzijds nog begrensd werd, zoodat een groot 
deel van het Oldambt en Keiderland toen nog behouden bleef. 

Tot de uitbreiding van het gezag der stad over den wa- 
terstaat van het Oldambt bragt niet weinig bij , dat dat land- 
schap in 1456 aan haar toestond het aanstellen van een zijl- 
regter aldaar, en dit regt met de opkomsten en de vissche- 
rijen overdroeg, doch beide toen nog slechts voor den tijd 
van vijfentwintig jaren (96). Waarschijnlijk is dit Zijlregter- 
of Zijlmeesterschap der Oldambten, zooals het heette, hetzelf- 
de als de gewigtige betrekking van Overste Schepper, welke 
de Drost, even als het straks genoemde Opper- Dijkreg- 
terschap , later in haar naam voor vast bekleedde en zij al- 
dus aan zich heeft behouden. , 



(95) De Teg. Staat, I, 166 en II, 233 verstaat het ook alleen van den 
dijk van Palmar tot Finserwolde en haalt uit het Stads Archief C. 1 , 12 
aan: MS. accoord tusschen de Stad en Landen met de Abten van Ter 
Munten en Werum, den Proost van Hilligerlee , en de Commandeurs van 
Oosterwierum en Golthoom; westendorp, Jaarb. II, 537, even als em- 
miüs , van den gcheelen dijk van Reide tot Finserwolde en brengt dit in 
verband met eene bedijking aan de Oostfriesche zijde van Pogum over 
Bonde , de Boner en oude Schans en zoo verder ten zuiden van Blijharn 
noordwaarts naar Winschoten langs de Beerta tot laatstgemelde plaats, 
waarvan echter niets bekend is. Hij haalt mede aan: Het verbond tus- 
schen Stad en Landen en tusschen hovelingen , regteren en meene meente van 
den Oldampte, over het maken en onderhouden der Reiderdijken tusschen 
Palmar en Finserwolde , ook van 1454 in het Archief der Stad Gronin- 
gen , als een afzonderlijk Charter ; maar beide zijn één , als ons de in- 
zage daarvan heeft bewezen. Het is echter niet in het oorspronkelijke in 
het Stads Archief meer voorhanden , wel in meerdere afschriften voor een 
deel ook opgenomen in Beil. I, achter butjr, Klöst. Ostfr. S. 141, 142. 
Wat nog de personen betreft , die het verdrag sloten , zoo waren van de 
gevolmagtigden der Stad gosen van dtjlck waarschijnlijk Drost van het 
Oldambt en ltjdwio hoernkingh Kastelein van het kasteel der hoü- 
werda's te Termunten , immers nog wel dezelfde van dien naam als die 
het eerst ten jare 1438 daartoe aangesteld werd (westendorp, Jaarb. 
II, 492). 

(96) Westendorp, Jaarb. II, 547. Reg. der Chart. bl. 81. 



Digitized by Googl 



83 

Niettegenstaande de zorg, welke de stad zal besteed 
hebben aan de instandhouding des nieuwen Dollarddijks , 
hield deze echter slechts ruim 40 jaren stand. Ten tijde 
namelijk der Saksische krijgsberoerten liet men deszelfs on- 
derhoud liggen ; hierdoor onbestand geworden tegen de 
kracht des waters , werd hij eindelijk door zware vloeden , 
welke er toenmaals voorvielen, weggeslagen. Volgens de 
verklaring van 1565 brak de dijk het eerst door in 1507 in 
de Gaddvnge hom (een voormaligen dijkhoek bij Reide) , en 
werd hij het volgende jaar wel weder hersteld en ingelegd , 
maar brak in 1518, 1519 of daaromstreeks (de getuigen 
konden den juisten tijd daarvan niet zeker opgeven) weder 
door. Het jaar 1507 wordt ook op de Dollardkaarten , op 
de meeste waarvan de dijk van 1454 geteekend is, als dat 
der doorbraak opgegeven , en deze wel aan de doorsnijding 
der Tjam, tusschen Eeiderwolde en Palmar. Het is ech- 
ter de vraag of deze aanwijzing, even als de rigting van 
den dijk wel juist zij, daar zulks inet de ligging van die 
plaatsen , zoo als wij zagen (bl. 34) , niet het geval is. De 
tweede doorbraak zal ook misschien niet omstreeks 1518 of 
1519 gebeurd zijn, maar veeleer reeds in 1509, aangezien 
men op de eerstgenoemde jaren niet, maar wel op het 
laatstgenoemde jaar overstroomingen vermeld vindt en uit- 
drukkelijk dit bij bening A , dat toen de Gaddinge horne en 
de Swallich weder zijn ingebroken (97). Emmius verhaalt 
van den watervloed in 1509 een paar opmerkelijke gebeur- 
tenissen, waaruit men de aanzienlijke verwoesting kan op- 
maken , welke die vloed in het land , om den Dollard gele- 
gen , moet aangerigt hebben. In het Oldambt werd name- 
lijk bij die gelegenheid een stuk land, met 10 of 12 stuks 



(97) De hier b\j beninga (matth. Anal. IV, 475) genoemde Gad- 
dingeAom zal wel dezelfde plaats zijn als de boven vermelde met dien 
naam in de verklaring van 1565 en misschien dien naam hebben van 
de o Ai>ms o-en , eene aanzienlijke familie in het Klei -Oldambt (Menterna), 
van wier twist met de foucringen in do Wicrnmmcr Jaarboeken mel- 
ding wordt gemaakt op het jaar 1276 (matth. Anal II, 190). De 
Swallich zal z\jn de Dollarddyk aan de Oostfriesche zijde , dus genoemd 
op de Dollardkaarten, of Schwelchdijk , Swechdijk; Zwelgdijk (Schwehj- 
deich) bfl arends, Watervl. bl. 340; indien men er niet Zwaagdijk on- 
der nebbe te verstaan, zal het beteekenen den weldiy of stevigen zee- 
dijk. 



Digitized by Google 



84 



groot vee daarop grazende, door het water opgeligt, dreef, 
door den westewind voortgestuwd, over den Dollard en ge- 
raakte in Reiderlaud, aan de Oostfriesche zijde, weder vast 
met het vee; dit gaf naderhand aanleiding tot een regts- 
geding tusschen de eigenaren van het weggespoelde land 
en de bewoners der streek, alwaar hetzelve zich had vast 
gezet. Ook spoelden er verscheidene groote eiken en an- 
dere boomen bij het klooster Dunebroek met hunnen grond 
los, en dreven een tijdlang op het water heen en weder, 
totdat zij ten laatste bij andere boomen op hooger liggend 
land weder vast raakten. Hier groeiden zij zelfs nog vele 
jaren welig voort; een der eiken stond nog in 1530 in 
zijn volle kracht en luister daar (98). Eene herhaalde in- 
braak van den weder herstelden dijk mag dan nog la- 
ter, en wel in den St. Catharina- vloed van 1516, plaats 
gehad hebben (99), zoodat omstreeks het jaar 1519, vol- 
gens emmius, met algemeene krachten weder een nieuwe 
dijk gelegd werd, die echter evenmin stand hield, tot 
dat eindelijk , bijna twintig jaren later , dit gelukte en den 
Dollard nu meer paal en perk gesteld is geworden (100). 
Volgens de verklaring van 1565 schijnt het echter zoo te 
moeten verstaan worden, dat sedert 1519 achtereenvolgens 

(98) Emmius, Rer. Fris. Bist. f. 676. Arekds , Watervl. bl. 60. 

(99) Hoe de Dollardbednking geloden heeft door den St. Catharina- 
vloed van 1516, welke een springvloed was en, naar men wil, de 
hoogste sedert 100 jaren in Friesland (abksds, Watervl. bl. 63), blijkt 
uit eeuo Stadsverzegeling van dat jaar, Saturdag voor Bomfacii, vol- 
gens welke de Stad wegens den zwaren watersnood door de inbraak der 
Oostersche dijken, aooals de Dollarddijken hier en in het vervolg meer 
genoemd worden , de hnlp had ingeroepen der Ommelanden tot der- 
zelver herstel voor deze keer en die landen daarin hebben toegestemd 
en wel op die wijze, dat elke tweehonderd grazen, jukken, deimaten 
en groote honderden, nitwaterende door Winsumer zijl, Schaaphalster 
ztfl of Delfzijl zouden maken drie roeden dijks of geven vyf Arnhemsche 
guldens voor olke roede dijks enz. Deze verzegeling berust in de ver- 
zameling van wglen den Hepr Mr. o. j. kxiser en ia voor een deel af- 
gedrukt in feith's Gron. Beklemregt, II, 539, en in westerhoff's 
Kwelderkioestie , Aant. bl. 33. Hiertoe is dan waarsch'ynujk betrekkelijk 
zoodanige hulp tot horstel der Oostersche dijken door de stads Hamme- 
rikken verleend, volgens acte daarvan des jaars 1518, aangehaald in 
feith's aangevuld Register van db sitter , ons ten dienste afgestaan. 

(100) Chorogr. f. 40. 



Digitized by Google 



85 



de onderscheidene dijkpanden van Oterdum over Termun- 
ten, Reide, Fimel, naar de Zwaag, gemaakt zijn, zooals 
zij nog op dien tijd bestonden, en dat er dus eigenlijk na 
1519 geene nieuwe inlegging aldaar zou geschied zijn , maar 
het jaartal, hetwelk emmius daarvan opgeeft, namelijk 1539, 
▼oor dat der verdere voltooijing van den Dollarddijk ( zal 
moeten gehouden worden. Diens legging wordt anders 
op de Dollardkaarten en gewoonlijk later op het jaar 
1545 gesteld, maai- dit kan in zoo verre ook hiermede 
over een gebragt worden , dat toen eerst de geheele dijk 
voltooid mag zijn. Want het bovenstaande ziet alleen op 
de indijking van het Klei-Oldambt, en zoo min als deze, 
zal de verdere bedijking van den Dollard in één jaar af- 
geloopen zijn. Feith zegt, zich niet te herinneren ooit 
eenige papieren of aanteekenirigen , rakende de bedijking 
van 1545, gevonden te hebben (101). Ons is ook niet 
meer dan het bovenstaande en overigens geen zeker blijk 
omtrent haren aanleg voorgekomen, of dat er bepaal- 
delijk op dat jaar zoodanige algemeene bedijking geschied 
of volbragt is. Hoe dit zij, na alzoo meermalen , sinds 
1507 zeker driemalen, ingebroken en ingelegd te zijn, 
verkreeg de Dollard, althans deszelfs westelijke boezem, 
zijne volle grootte. Het land wordt in voornoemde verkla- 
ring gezegd daarbij soms, en wel omstreeks het jaar 1518, 
zoo open gelegen te hebben, met gebrokene dijken, voor 
ebbe en vloed, dat het zoute Dollard water er vrij in, en 
door de Winsummer en andere zijlen, op de oostzijde in 
het Reitdiep uitwaterende , weder uitliep. Telkens werd de 
bedijking met algemeene hulp der Ommelanden , en wel 
van die ten oosten van het Reitdiep waren gelegen, tot 
stand gebragt , maar het onderhoud alleen viel den inwoners 
zoo bezwaarlijk, dat velen liever, door de Staten der Pro- 
vincie daartoe gedrongen, niet alleen hun land, hetwelk zij 
aldaar hadden liggen, maar ook dat, wat zij in andere 
kwartieren bezaten, aan hen overgaven, om van het on- 
derhoud der dijken bevrijd te zijn. Dit had — luidens de 
de verklaring van 1565, die hoofdzakelijk tot uitwijzing 
daarvan schijnt ingenomen te zijn — plaats ten jare 1549, 



(101) Gron. liekkmr. II, 323. 



Digitized by Google 



86 



en ten gevolge daarvan is toen de dijk van Pimel tot 
Reide geheel, en twee deelen van den toemaligen zomer- 
of kadijk van Fimel naar de Zwaag , ten laste der Pro- 
vincie gekomen. Hoe vroeger in 1535 reeds de hoek van 
Reide aan de Provincie is afgestaan, door het Nonnen- 
klooster aldaar , hebben wij reeds aangeteekend (bL 
35). — Volgens een berigt van abel eppens in zijne Kro- 
nijk, leed het dorp Wagenborgen in het jaar 1538 zoo 
zwaar door een watervloed, dat het ook van zijne lan- 
derijen aan de stad Groningen moest overgeven (102). — 
De bedijking had overigens in het Oldambt (waarvan hier 
voornamelijk sprake is) telkens plaats , onder het toezigt 
van deze stad of van den Drost als Dijkregter, die van 
harentwege in dat landschap aangesteld was , hetwelk 
deswege veel aan die stad verschuldigd was. Zoo werd 
ook in 1452 de Eerste Dijkbrief van het Oldambt (Zaturdag 
na Paaschacïit) opgemaakt en wel zoogenoemd , omdat deze 
de eerste was onder haar bestuur over dit gewest , zijnde 
hernieuwd in 1563 (21 Mei) en 1573 (6 Julij) , want er 
bestonden immers al vroeger verordeningen omtrent het 
dijkwezen en den waterstaat aldaar, zoo als die van 
1441 en andere voormelde uitwijzen. Wij vermelden hier 
ook nog de onderscheidene mandamenten of bevelschrif- 
ten in de jaren 1542, 1543, 1546 en 1547 door Burge- 
meesteren en Raad uitgevaardigd omtrent de Oldambtster 
dijken, een mede van Stadhouder en Hoofdmannen tot 
herstel van de zeedijken van Fimel tot Reide enz. van 
den jare 1549 en andere verordeningen meer van om- 
streeks dien tijd en tot deze en gene Dollarddijken be- 
trekking hebbende (103). Aan hare zorg en die der Pro- 



(102) Teg. Staat y II, 225. Ia arends , Watervl. staat dit op het 
jaar 1531. Men noemde deze overdragt of afstand der landen: de spa- 
de op den dijk zetten of schieten t naar de symbolische handeling, welke 
daarbij plaats had en waarmede hij , die zulks deed , met don dij k ook 
afstand deed van al zyne landen en goederen daaronder gehoorig of 
ook wel elders gelegen. Zoo werd dit laatste bepaald bjj de gezegde 
overdragt van de Dollarddijken aan de Provincie, ook in de veraege- 
ling van 1516 en volgende nader te vermelden. Zie voorts over deze 
oude Friesche regtsgewoonte feith's Gron. Beklemregt, I, 67 en elders. 

(103) Die op het Register van db sittee aangeteekend staande en in 
het Stads Archief voorhandonc Mandamenten enz. luiden nader: M. van 



Digitized by Google 



87 

vinciale Staten had men dan ook te danken , dat zij staan- 
de bleven in of weder hersteld werden na de stormvloe- 
den, welke dezelve in den loop dezer eeuw nog te verdu- 
ren hadden, vóór dat namelijk, door de herdijking des 
lands, nieuwe zeedijken de oude vervingen. Waar dit het 
geval niet was , noch tot heden toe werd , te weten om 
en ten zuiden van den hoek van Reide, had en heeft 
nog steeds het behouden van dien dijk inzonderheid veel 
moeite in , en is dit pand dan ook voortdurend ten alge- 
meene laste van de Provincie of het Rijk gebleven. Be- 
halve de vloeden van den 1 April 1554 en 16 Mei 
1561 (104), was het bovenal de vreeselijke Allerheiligen - 



B. en R. v. Gr. nopens de Oldambster Dijkagien (tusschen Reide en Dallin- 
geweer) , 1542, Maand, na Zondag-Judica. Dito 8 Maart Zeven Manda- 
menten van 1543; deze betreffen het leggen van een hoofd bij Hamken- 
pad, waartoe zou worden gebruikt de afbraak van de oude kerken te 
Winschoten en te Oostwolde , boven (bl. 49) reeds vermeld. Dit hoofd 
en oord is ons overigens onbekend. Verbod aan de Zuid- en Noord- 
broeksters om eenige landen over de Ae te graven af te gebruiken, 1545. 
M. van B. en R. omtrent de dijkagie in den Oldambte, 1546. Dit is 
eene aanschrijving aan de ingezetenen van Borgswecr en Lalleweer om 
3 a. 4 gevolmagtigden te zenden tot het plaatsen van het hoofd in God- 
dinghorne. Dito van 1547 (omtrent de Oldambtster dijken tusschen Fimel 
en Swaag). Twee Stads Commissien tot het bekleden van de posten van 
Ambtman en Dijkgrave in den Oldambte, 1547. Mandament van Stadhou- 
der en Hoofdmannen, B. en R. enz. tot herstelling van de zeedijken van 
Fhnel tot Reide enz. 2 Julij 1549. Accoord tusschen de Ommelanden en 
het Karspel van Groot- Termunten over de Zomerdijk , daags na Martini, 
1551. 

(104) Tot den herstel van door die vloeden beschadigde Dollarddij- 
ken zullen betrekking hebben de volgende op meer genoemd Register en 
het Archief zich bevindende bescheiden: Mandament nopens de Ooster- 
sche dijken , 1554. Raadssententie omtrent den dijk te Wagenborgen, van 
dat jaar. Handelingen tusschen Stad en Lande over de reparatie der Oos- 
tersche dijken te Reide, Fimel, de Ztvaag , 2 Oct. 1561. Raadssententien , 
waarin de Dijkregters van Noordbroek worden aangehouden om ter keering 
van het water hun dijk of Zijdwende in een beteren staat te brengen, 14 
Febr. 1560, 25 Sept. 1561 en 13 Maart 1562. Aanschrijving van de 
Vrouwe Gouvernante aan Stad en Lande om orde te stellen , dat bij pro- 
visie de Ooster sche dijken gemaakt werden, 11 Jan. en 15 Nov. 1565. 
Missive van B. en R. aan den Abt van Termunten nopens Dijkagie, 9 
April 1566. Landdagsuitschrijving van Stadhouder en Hoofdmannen no- 
pens de Oostersche dijken, 13 Oct. 1567. Missive van B. en R. aan den 
Ommelander Syndicus fetbk van zwll , nopens de Oostersche dijken, 23 
Dtc. 1567. 



Digitized by Google 



vloed Ae^ jaar* 1530, welke ook zijne vernielende kracht 
aan de Dollarddijken deed gevoelen, zoodat hier en daar 
het land jaren achtereen open bleef liggen, en bloot stond 
voor de herhaalde vloeden van 1572 , 1573 en 1575, zoo 
zelfs dat de Zomerdijk bij Wagenborgen een tijd lang tot 
zeedijk heeft gediend. Men kan zulks opmaken uit de 
reeks van verordeningen , tot herstel der Dollarddijken in 
die jaren door de Regering der Stad en Provincie geno- 
men. Hóógst verdienstelijk heeft zich toen ook in dezen 
hier, zoowel als in Friesland, door zijne wel strenge maar 
heilzame maatregelen gemaakt de toenmalige Spaansche 
Stadhonder van beide provinciën gaspar de robles van 
bïlly/, wiens tusschenkomst zoo nuttig, ja noodig was, om 
de twisten bij te leggen, tusschen de Stad en Ommelan- 
den en met Oldambt daarover gerezen, en om de nalati- 
gen «n onwilligen tot het maken der dijkpanden te dwingen 
en den önvërmogenden daartoe bijstand te verleenen (105> 

s '\ivSj\ rsA.<É,'». »».!•; t • i . . 

. Ajiurjv i:t,'.:,< ..; ■■::,.< uin.,.c . ' ».i •.. • i- 
ui.,ibisri j ' : : n„\,< ar »v ui u% .• » ■ ... »..\ .. 

(105) De bedoelde verordeningen zijn te talrijk om hier te noemen, 
Téèï minder om haren inhoud, hoe kort ook, op te geven. Wij moe- 
ten dus hier alleen verwijzen naar voorzegd .Register van de sitteb op 
geirielde jaren va» 1570 -en volgende, en voegen hier liever nog bij wat 
"RESQER8 (Kron. I, 248) omtrent den Do Hard en zijne bedijking in dien 
tijd mededeelt, wat verward en vooringenomen, zooals hij is, tegen de 
stad Groningen, maar genoeg om er ook uit te zien, hoe zorgelijk het 
er 'tóen met ^ het land daar gesteld was. „Bouen is gescr." zoo vervolgt 
hij K !rier, „wo de dullert gecomen sij: so is darna een dijck gemaket 
:, van Reide aff na duerswolt, dewelcke vm des groten wterdijk willen 
,janno 1574 wederamt is verlaten als dat hamrick achter wagenborg so 
„geweldig is vander* OldampsterB bedijket. De orsake des vorser, dnl- 
>,,lerts inbroeck is ^nede gewest, wantct lege landen vnde thom deel 
^darchaebtig wöj*mi: ivndo (dar godt vor sij) wen nu oeck de oeatersche 
„doeken wech gingen solde een gehjeke dullert to vermoden sijn tus- 
„echen Ostorwernm Wagenborg Tiuchen heidenschap Woltersum Meet- 
^ hösen tnsschen duerswolt vnde den kleijlanden sint doch all lege vnd 
>„ derehachtigo binden, dewelcke m eesten deel niet hoger sint alse de 
„dttllarts gromt vnd slijek vp volen p la etsen is, alse tho seen is wen de 
,>w4wt eert- tijt lang wtli den oosten weyet heft. De gelegenheit etlicher 
«,d\jke» aaden •> eemse is so , dat de nicht konen jngeleeht worden na 
•„anno. ló?», vnd vp etliohc piaetsen men eens jngeleeht worden, sodat 
^da».^can sorehlicho vergangiiche oert landes is. Deser orsaken haluen 
„hebben : anno 1574 de vmliggende landen doer bedewjjse den cleij- 
„oldamsters geholpon désen dijken tho maken (dar de anders vrij van 
„sint) doch vp seccker conditiën dat de oldampsters horen dijken ronts 



Digitized by Google 



Voor bet overige weten wij van de laatste bedijking, 
hetzij in 1545, hetzij op een anderen tijd volvoerd, even zoo 
min ais van de vroegere, iets wat de oostelijke of Oost- 
friesche zijde betreft. Behalve de boven reeds vermelde 
bedijking van de Geete bij Holtgast door Graaf edsard 
in 1494 (bl. 23), hebben wij daaromtrent niets aangetee- 
kend gevonden. Dit schijnt ten gevolge van eene inbraak 
aldaar geschied te zijn, waaruit wij kunnen besluiten, 
hoe diep de Dollard ook aan die zfcde in het land was 
gedrongen. Men zal er vroeger zoowel als later meerma- 
len pogingen aangewend hebben tot stuiting van den wa- 
terwolf; maar of dit in 1454, in verband met den toen 
gelegden dijk van Beide tot Finserwolde, is geschied, 



„ratl enen dicke breet vnd hoech solden maken, dat de oidampsters 
„vnd gronningera niet hebben willen nacomen , na jnholt goeder «egele 
„Tnd breren. To dein so licht een stuck landen tusschen Reide vnd Fxwelinge 
„»an 1100 graten, datwelck de egeners darum hebben moeten verlaten, 
„vnde na lantrecht den spade scheeten, dat se in Termogen niet hadden 
„de dij eken to repareren vnd t holden , is derhaluen Tander stadt gron. an- 
„veerdet de behoren derhaluen den dij eken damp to maken, dan hebben 
„gar wenig vnd Tast nichtes daran willen doen (doch is jm anno 1570 mitten 
„nien hamrixdijck nicht Tan daene vnd geen questia meer) derhaluen de 
„ gemene vmlanden aldaer vm horen scaden Tortocomen hebben begeert 
„sich an recht vnd praesentatien to begeuen , denseluen dijek vp gelyck 
„vnd vngelyck tho maken, oiït solden de van gronnigen hoer den dijck 
„vnd landen vorec overdoen, protesterende van schaden vnd vngefaü van 
„waters jnloep, vnd versoohten, dat by Arenberg darna vnd tho houe, 
„dan vergeues, vermits meesten in gronningen gerne een dullert hen om 
„hogerbrugge mogelioh segen." Dit laatste zal dus waarschijnujk betrek- 
king hebben tot het onderzoek , btf gelegenheid waarvan de beeedigde 
verklaring van 1565 voor den Hove is afgelegd. Vervolgens (bl. 359) 
meldt kenoers , dat na den herhaaalden vloed in Julfr 1573, toen de 
door den vloed van 1570 beschadigde dijken nog maar weinig hermaakt 
waren, den 2 Sept. op den Landdag der Ommelanden besloten is, dat 
ieder 100 gras aldaar een arbeider zoude geven tot het helpen herstel- 
len der Oostersche dijken van hen , welke daartoe onmagtig waren , eens 
vooral , zonder consequentie voor 't vervolg en op voorwaarde dat de 
stad Groningen hare dijken in het Oldambt even zoo hoog en zwaar 
zouden maken, als de Ommelanden de hunne gemaakt hadden, wat 
de Stad met verzegelde brieven had beloofd maar niet was nageko- 
men, zonder dat de Stadhouder biixt of iemand haar heeft kunnen 
brengen tot vervulling van hare belofte. Daaromtrent spreekt mj nog 
bl. 366: „Vnde vm dese ttft (1574) hefft de Coronel bylij den oester- 
„Kheo dijken besichtiget, wo dat de stadt deselue met makede, vnde 



Digitized by Google 



zoo als westendorp stelt (106) , dan of zulks mede eerst 
in 1545 heeft plaats gehad, volgens de kaarten en ge- 
wone opgaven, dit is ons nergens gebleken. Men kan 
den loop van dezen of genen uitersten dijk van den Dol- 
lard aan dezen en onzen kant echter nog min of meer ze- 
ker uit de overgeblevene sporen nagaan. Wij zullen dit, 
even als van andere oude zoowel als nieuwere dijken, in 
het volgende Hoofdstuk , of bij de geschiedenis daarvan , 
doen, om alzoo, in verband met de grondsgesteldheid, 
den geheelen omvang, tot welken de Dollar d zich heeft 
uitgestrekt, te kunnen overzien, en op de bijgevoegde 



„hefft den landen van Fiwelinge vnde duerswolt doer sijn autoriteet 
„doch tegen lantrechto gedwungen dar tho helpen an arbeiden, vnder 
„conditiën als bonen vndert jar van 1541 is verhalet. vnde vm dat Co- 
„ronels vornemen to den landen beste was, hebben de van Fiwelinge 
„consenteert, vnde to dat werck to dijckgrauen ordineert Edtaert ren- 
„gers vanden post, Jeronimus Commelduer tho oesterwerum vnd ailco 
„wijnken, de een heerlichen dijck van hochte dickte breede als enig 
„bol werck vm een er stadt wesen mach in corter tij t vpgerichtet hebben, 
„wan te een jder dorp was seecker roeden vnd voeten assigneert vnd 
„wen dat vnlmaeckt was toeeh een ieder na hucsz , so dat de van wir- 
„dom in acht dagen 10 roeden dijx makeden, so deden oeck de van 
„den post, vnd anderen vnd worde in acht er 10 dagen gedaen dar- 
„men sonst meer dan 4 off 5 weken sol oner arbeit hebben. In dit jar 
„hadden de oldamsters vor dat wagenborger hamrick mit eenen gewal- 
„digen Zeodijck tho bedijken vp horen costen, de stadt hilde dit vp, 
„vnd meenden den van Fiwelinge de to den Cadijck horen dar bij tho 
„brengen vm vorsc. nien d\jck mede tho maken vnde to onderholden, 
„den twee delen des nien dgx, mit meer ander swaricheiden , vnde de 
„van Fiwelinge presenteerden den hamen dijck to maken vnd vnderhol- 
„den wth naestliggende landen. Als de stadt hijrmit niet tho vreden 
„was vnd wolden hem de twederden delen vp den hals dringen, jtem 
„dat se eertrijck to denselnen solden soecken off copen, jtem een wth- 
„wateringe doer Fermsnm vergunnen, so hebbent de vmlanden gante 
„affge slagen, vnde de hamrixlueden hebben strax seluest alleene gerne 
„gemaket : so dat de cadijck off sommerdyck nu een slaper vnd verlaten 
„is. vnd is een exempel wo de stadt alle list in vn gunst vnd schade 
„der vmlanden natraehtet." Hier is blijkbaar sprake van den nog zoo 
genoemden en bestaanden Zomerdijk alsmede Weer- of Wardijk om Wa- 
genborgen , geüjk vqj later zullen zien; onder den eersten zal by ook 
bedoelen, den dtfk, waarvan hy, over het ontstaan van den Dollard 
sprekende (bL 74), zegt, dat daarna gemaakt is van Reide naar Sülr 
deburen . even als boven van Reide naar Duurswold 
006) T. a. pL Aam. 95. 



Digitized by Googl 



91 

kaarten aanwijzen (107). De oudste of verste dijklinie duidt 
toch niet juist overal dien omvang aan. Zoo ver het aange- 
slijkte land of de klei gaat, die door Dollardwateren is aan- 
gevoerd, zoo ver kan men veeleer zeggen , dat hij zich heeft 
uitgebreid; wel is waar, hier en daar mag hij slechts tijde* 
lijk, meer bij enkele overstroormngen den grond hebben be- 
spoeld, maar ook deze kan gezegd worden tot zijn gebied 
te hebben behoord. Waar dit echter aan de Eems met 
de oudere zoowei als de latere aanspoelingen van die rivier 
zamenvloeit, is zulks moeyeüjker te bepalen. En bui- 
tendien wijst de tegenwoordige grenslijn van het aange- 
slijkte land ook niet overal naauwkeurig meer de grens van 
den Dollard aan. Waar er slechts eene zoo dunne kleilaag 
is achtergelaten , dat deze niet meer dan de diepte van het 
ploegen bedraagt, is zij, door vereeniging met den onder- 
grond ten gevolge daarvan, op vele plaatsen verdwenen. 
In het algemeen echter kan men aannemen, dat die lijn, 
of de omvang van het aangeslijkte land, zoo als dit zich 
binnenwaarts uitstrekt, ook de uitgebreidheid aanduidt, 
welke onze boezem eenmaal heeft ingenomen. 

De Dollard heeft alzoo niet op eenmaal, maar voor 
en na, in eene tijdruimte van van meer dan derdehalve 
eeuw, zijne volle grootte verkregen. Door het leggen 
van den dijk van 1454, ging het grootste en beste ooste- 
lijke gedeelte van het daar in verzwolgen land verloren ; 
slechts het eiland Nesse en andere eilanden bleven nog 
min of meer lang met sommige plaatsen over, zelfs eenige 
nog, nadat de waterboezem reeds zijne grootste uitgebreid- 



(.107) Behalve het Dollardkaartje voornoemd (bL 7j, «\jn er nog van 
de oudste kaarten van dit gewest, waarop de Dollard meer of min in zijn 
geheel is afgebeeld; ook geteekende kaarten in het Archief dezer stad 
op haar last gemaakt Zoo luidt een besluit van den 18 Febr. 1618: 
Eene perfecte kaart van de Stad, Stadstafd , 't Gorcgt en de de Oldambten 
met dzn Dollard en de Blinken mitsgaders van alle wateren, wegen en li- 
mieten te maken en deselve als een seeretum op het Raadhuis te hangen en 
U bewaren, zonder dezelve te laten drukken of aan iemand te communiceren 
of kopie daaruit te geven. Vroeger, den 20 Jul^ 1611, had rij besloten : 
Eene kaarte van de Ulsda onder de jurisdictie van de Stad behoorende en 
van de aangrenzende landen te maken. Dese en gene kaarten hebben ons 
echter even weinig als de gedrnkte van nut kunnen ajjn, b<| het onder- 
teek der oudste bedijkingen, als sünde te ruw en onnaauwkeurig gemaakt. 



Digitized by Google 



92 



heid in het midden der 16de eenw had erlangd, ja hier en 
daar reeds weder aanwas en herdijking zelfs begonnen was. 
Beide tijdvakken van verlies en herwinst loopen alzoo in 
elkander, zoodat men niet juist kan bepalen, wanneer het 
een is opgehouden en het ander is aangevangen. De kleine 
eilanden dragen op de oude kaarten den naam van Blin- 
ken (van hun blinkend voorkomen misschien te midden van 
het donkere water), in het bijzonder die groep, welke 
noordoostwaarts naar den kant van Pogum niet verre van 
de kust was gelegen , en ten zuiden hiervan Jarde of Bon- 
der gartenij, Oarmie of Garmeeden en Uiterbeerde (108). 
Enkele van deze en gene waren in de 17de eeuw nog 
bewoond. Onzerzijds aan den hoek van Reide, wordt er 
ook een paar eilandjes aangewezen, maar zonder naam; 
op de kaart van stabckenborg staat wel bij het eene 
zuidelijke grootste die van Munnicksveen , doch zeker on- 
juist, dewijl dit straks nader te noemen eilandje zuid- 
oostelijker moet gelegen en beide eilandjes wel tot den 
hoek van Reide zullen behoord hebben. De Blinken hiel- 
den zelfs stand tot op het laatst der 18de eeuw, zoo als 
zij nog op de kaart van beckeringh van 1781 worden 
aangewezen, geen echter meer als bewoond. Mogelijk 
heeft een gedeelte derzelve zich met den vasten wal ver- 
eenigd. Aeends gist dit, omdat de aanwas tusschen Po- 
gum en den Heinitspolder den naam voert van Blinken 
en Schaafland (109). Dit is ook gebeurd, gelijk reeds ge- 
zegd is (bl. 60) , met Nesse of Nesserland, aan de Oostfiie- 
sche, alsmede Ulsda en Mnnnihsveen aan onze zijde. Het 
eilandje Ulsda bleef als eene zandige hoogte, zoo als de 
grond, met grind vermengd, zich noch vertoont, in het zui- 

Hun ..it, iTrram OAK^f* mr >: • ■ - - 

* (108) Verg. boven bl. 62 en 64. In de MS. Beschrijving van Rei- 
der land van 1620 door fbith medegedeeld in de werken van het Gen. 
JVo éxcol. Jure Patrio, D. VI, bl. 518 ene., wordt ook onder de eilanden 
of Blinken opgenoemd de JEseh met de Gare en Gare- Af eden. 
mr/(K») Arrndu , Noordseehuten , II, 185 , 186. HU zegt echter niet wel 
met odthof (a. wv bfc 6*4), dat er in 1587 niet meer dan éé*n huis op 
een der eilandjes stond , waarin toen bij een stormvloed drie menschen 
door het water omkwamen ; want er sullen volgens de nog jongere kaar- 
ten, «oo< als 4ie van starckbhboro , nog meer bewoond z\jn geweest, 
daar men er op drie verscheidene woningen geteekend vindt. 



Digitized by Google 



93 



den tusschen de monden der Westerwoldsche en Pekel Aa , 
boven de rondom vernielende wateren zich verheffen, ko- 
mende de plaats nog in de verdragen van 1391 en 1420 als 
de zetel van Reiderlandsche Hoofdüngen voor. Het is na- 
derhand weder ingelijfd, en, door verlegging der Pekel Aa, 
nu zoowel door deze als door de andere rivier aan eene 
zijde omgeven , thans het gehncht van dien naam onder de 
Beerta gelegen , te onderscheiden van Klein Ulsda of Ouls- 
da t daar tegenover onder Bellingwolde liggende. Mun- 
mfoveen lag , volgens oude bescheiden , in het westen van 
den Dollard ten noorden van Oostwold, even benoorden 
de Oude Geute, zoodat de dijk van Oostwolder Polder van 
1769 over dit eilandje gelegd en het zoo aan de vaste 
kust gehecht is geworden (110). De thans van den Fin- 
serwolder Polder tusschen de Noorder Mijt en de Oude Geute 
tot aan de Beerster Moe , waarin zij uitloopen, zich uit- 
strekkende aanwas, wordt, zoo als vervolgens zal blijken, 
thans als een vervolg daarvan, nog hej Munnikeveen ge- 
heeten; en dezen naam droeg het, omdat het kloostergoed 
is geweest, en wel waarschynlijk aan het Grfae-monnikefb- 
klooster behoord heeft (111). Het mag dus wel niet als 
een overblijfsel van den ouden bodem beschouwd worden, 
daar het eerst later weder in den nieuwen slijkgrond zal 
opgekomen zijn. *, ;X-.> fc-iraaA .b*»«ood 

Onder de gevolgen van de inbraak van den Dollard 
merken wij hier nog dit op, dat de Eems daardoor 
hare oude bedding bijlangs Emden heeft verlaten en eene 
nieuwe regtlijnige van Pogum naar Reide gewoeld. Dit 
— . . • • ■} ,[. 't- \ ; 1 

(110) Het wordt nog zoo in den Dollard aangewezen op eene ge- 
teekende kaart Tan de, op last der Staten dezer Provincie, gemetene 
polderlanden van Midwolde en Oostwolde van bomtko hennes des jaars 
1690, volgens eene kopy gemaakt door p. bchultbtus naar eene kopy 
van j. tideman en berustende in het Provinciehuis te Groningen; en als 
ingedekt met den dijk van 1769 op de kaart van BïCKTONOTfcr Vttn^b 

(111) Tot bewgs hiervan kan dienen, da* het onderde kloosterlanden 
dezer provincie voorkomt en wel al» vroeger, gehoorig onder gezegd 
klooster, in de stukken de verhuring daarvan betreffende , *oo «te van 
1632 ^en latere jaren, volgens Extracten daarvan gegeven door ïbith , 
Gron. Beldemregt,ll, 139, 143; het werd toen nog als hooiland gebruikt. 
V. d. aa, Aardrijksk. Woordenb. VII, 1108, gist eehter , dafc he* mis- 
schien aan het klooster Heüigerloe of aan dat van Midwolde zou be- 
hoord hebben. . w ..,«n../>t:y si* i l«> ' - ! °' 



Digitized by Google 



94 



moet eerst laat en slechts allen gskens plaats hebben ge- 
grepen. Nog langen tijd immers, nadat Emden reeds tot 
eene stad verheven was, stroomde de rivier in hare volle 
kracht onder hare mnren heen, en eerst in de 16de eeuw 
schijnt het nieuwe kanaal eene aanmerkelijke grootte ver- 
kregen te hebben. Om het groote nadeel, waarmede die 
stad hierdoor bedreigd werd, voor te komen, ondernam 
rij het inderdaad groote werk, om den stroom te dwingen 
zijnen ouden loop te houden, door middel van het oprig- 
ten van een paalwerk van Pogum naar Nesserland, dwars 
door de nieuw gewoelde bedding heen; een werk , waar- 
aan men meer dan 25 jaren , van 1590 tot 1616 , arbeidde 
en hetwelk in den beginne volkomen aan deszelfs doel be- 
antwoordde, doch , in de onzalige oneenigheden tussohen 
de stad en den landsheer veronachtzaamd, door de golven 
vernield werd. Men ziet het nog op oude kaarten afge- 
teekend en bij de ebbe noch tegenwoordig, althans voor 
ettelijke jaren zag men , ten westen van de Pogummer 
landtong , nog de afgebrokene palen. Daarop verliet de 
Eems hare oude bedding bij Emden voor altijd, en deze 
is sedert geheel en al toegeslibt, zoodat men den aanwas 
onlangs binnengedijkt en tevens van uit de , nu op een uur 
afstand* voorbij de stad loopende, rivier met groote kos- 
ten een nieuw kanaal met eene nieuwe haven voor de stad 
aangelegd heeft. Daarbij is wat van Nesserland nog over- 
gebleven was, geheel aan den vasten wal van Oostfriesland 
verbonden geworden (112). Buitendien heeft deze stroom 
zijne oevers verwijd, aan de onze, zoowel als aan de Oost- 
friesche zijde, gelijk dit reeds gebleken is uit de opgaaf van 
het verlies van land aan beide zijden geleden , zoodat de dijk 
er meer dan eens heeft moeten ingelegd worden; aan onze 
zijde van Termunten naar Farmsum tweemaal volgens de 
Dollardkaarten, namelijk in 1486 en in 1578, zoo als op 



(112) Zie arends, Noordzeekusten , II, 90. De laatstgenoemde wer- 
ken zijn, als later geschied, daarin niet geboekt, maar beschreven in 
het belangrijk geschrift van Dr. beinhold, Historiseh-Hydrographiseht 
Nachrichten von den Ha/en und andtm Schiffahrls Anstalten in Ostfries- 
land, Berl. 1846. Er schynt echter weder vrees te bestaan voor de toe- 
s1\jklng van dit kanaal en dit buitendien niet zoo aan het oogmerk te 
voldoen als men daarvan verwacht heeft. 



Digitized by Googl 



deze, of in 1593, 200 als op gene daarbij staat aangetee- 
kend (118). 

Die inbraak en vorming van den Dollard oefende voorts 
niet alleen op het verdronken , maar ook op het omringen- 
de overgebleven land grooten invloed uit. Het is ook in 
andere opzigten voor de geschiedenis van belang dit op te 
merken. Streken werden daardoor vaneen gereten, welke 
wel, en andere vereenigd, welke niet tot elkander be- 
hoorden. Reiderland , dat oorspronkelijk en van natare in 
zijn geheel tot de Friesche landschappen tusschen de Eems 
en Lanwers gelegen behoorde — alzoo geheel tot ons ge- 
west — werd vooreerst in twee deelen gescheiden, waar- 
van het eene tot Oostfriesland kwam en het andere tot 
ons gewest. Tot Oostfriesland werd gerekend het nog he- 
den zoogenoemde Reiderland en hetgeen van het oostelijk 
deel van bet verdronken land eerst nog overbleef, met 
name Nesserland en andere eilanden. Zoo behoorde het 
stadje Torum> gelijk wij zagen (bi. 61), tot Eemsland in 
het begin der 16de eeuw, en is, wat er overschoot van 
Nesserland , daarin ingelijfd geworden. Zoo werd een deel 
van Beiderland, ten westen in den hoek van Reide, en 
een ander deel , ten zuiden in Westerlee , Winschoten , Bcerta 
enz. nog overig gebleven, tot het Oldambt gebragt, en 
wat nog meer overig schoot van Reiderland op onzen bo- 
dem, dat is Blijham en Bellingwolde , van het vorige ge- 
scheiden, begrepen onder Westerwolde. Dit bleef nog- 
tans een eigen regtstoel vormen en zijn oud Landregt be- 
honden , bet reeds genoemde Reiderlandsche en Oldambtster 
Landregt, waarvan een gedeelte eerst, waarschijnlijk in 
1327 of 1375, in Reiderland en door dit land alleen, in 
het klooster Palmar, en een ander gedeelte vervolgens in 
1471, te Midwolde, er bij is opgesteld, nu gezamenlijk 
door het Wold-Oldambt en het vijfde deel van Reiderland, 
waaronder dus het laatste deel althans , zoo niet het vorige 



(113) Zie terug bi. 46, 67 en het aangeteekendc uit rkngers op bL 88, 
dat wijst op het jaar 1578; dit is misschien dan ook de meer ware aan- 
wijzing op de Dollardkaarten of die , volgens welke de dgk van 1486 
geduurd heeft tot 1578 en de laatste (alzoo in 1578 ingelegde) dyk uu 
ten jare 1593, toen de kaart gemaakt schijnt te zijn, daar gelegen ww -r 
niet gelegd, gelijk op andere daarbij staat. Verg. bl. 7. 



Digitized by Google 



96 



mede bedoeld zal zijn (114). Het was lang de twistappel 
tusschen de stad Groningen, als Heer van het Oldambt, 
en de Bisschoppen van Mnnster en latere Heeren van 
Westerwolde, alsmede die van Oostfriesland, waarvan elk 
voor zich het bezit daarvan aanmatigde; want niemand 
had er eigenlijk eenig regt op, daar Rciderland, even als 
de overige Ommelanden, een vrij Friesch landschap was. 
De Stad Groningen werd er eindelijk meester van, even 
als van het Oldambt en Westerwolde. Behalve en met 
deze aardrijks- en staatkundige vervorming bragt het ont- 
staan van den Dollard ook groote veranderingen in den 
waterstaat van Reiderland en het Oldambt te weeg. Wij 
zullen de beste gelegenheid hebben deze bij de volgende 
geschiedenis der indijkingen, waarmede die veranderingen 
naauw zamenhangen, op te geven. 



.. .... 



(114) Zie boven bi. 35 en behalve dit Lan dregt, t. a. p. in de Verh. 
van Pro Exc. Jur. Pat. D. VI, nader de Beschrijving van Reiderland 
opgesteld in 1620, naar 't schijnt, ten betooge dat geheel Reiderland aan 
dese provincie en niet aan Oostfriesland behoorde, medegedeeld door 
feith in de Aant. achter zijne meergem. Verhandeling, aldaar bl. 518. 
Het eerste deel was , volgens die beschrijving , Reide met het verdronkene 
Reiderland; het tweede het genoemde vijfde deel van dit landschap of 
toen het Gerigte van Winschoten, het derde Westerwolde, het vierde en 
vijfde het OottJrie*che Opper- en Neder- Reiderland. Het is echter xeer 
de vraag of die verdeeling jnist «g. Wat Westerwolde betreft, voorzeker 
niet, alhoewel zij steunt op emmius, die dat land tot Reiderland brengt, 
en men deten schrijver hierin algemeen nagevolgd heeft, ook nog ietth. 
Wy verwijzen hieromtrent verder naar stratingh. Aloude Staat f enz. II, 
147 en v. , waar dit gevoelen is wederlegd. 



Digitized by Googl 



'i • 

> » • ■ •« 

•«/;«- • . S . ; Ol 

i ö . • * * * * »v 

. ! ... i' . . . \ i 4 u ;• . j 1, >v 

' •* . *W't' » • f V . 

• f ' '* ! . il . ! il *1 • 0 . 

* * »i .*• • ♦ : . •» ,0 ,« j 

VIERDE HOOPDSTÜK. 

Geschiedenis van de indijkingen en van den wederaanwas 
van land aan den Dollard t in verband tevens beschouwd 
met de veranderingen, welke de waterstaat der omstré- 1 
ken daardoor lieeft onaV*gaatf. UVJub * s WMêa 



Wij wenden thans onze blikken van het treurige schouw- 
spel der verwoesting , dat wij schetsten , af, tot het verblij- 
dende tafereel , hetwelk , als een tegenhanger van het eer- 
ste, ons de herwinning van land in dezen waterplas aan- 
biedt, waardoor het verlies sedert zoo zeer vergoed is 
en nog steeds wordt, dat het ongeluk onzer voorzaten een 
bron van geluk is geworden voor hunne nazaten en voor 
ons. Voor hetgeen het water aan land ontnam gaf het 
in meer dan tienvoudige waarde terug; al spoedig, ja 
onderwijl de golven nog op de eene plaats vernielend 
werkten , bragten zij op eene andere reeds de vruchtbaar- 
ste slijk aan en over de oevers . die zij bespoelden en 
overstroomden. Zoo deelt de Natuur als het ware met 
dezelfde hand, door een en hetzelfde middel , ramp 1 en 
zegen uit; en waar zij vernielt, schept zij ook weder. A Al- 
dus gaf de opvolgende aanslijking spoeoig gelegenheid $ot 
indijkingen van nieuwe landen, welke de schoonste en 
jieeriijKste poiuergronaen opieveraen , aie aan nieuwe oioei- 
jende dorpen, gehuchten en eene talrijke bevolking net aan- 
zijn en welvaart gaven. Doch ook deze hérwinning van 
land ging niet zonder gedurigen strijd met het wufte ele- 
ment; — maar het was een strijd, waarin niet meer het 
water, gelijk voorheen, maar wij — de bewoners*-* over- 

7 



\ Bayerlsche j 
I Bteetsbibiiothek g 
^ München J 



! 



98 



winnaars bleven. Wij willen thans de indijkingen van den 
Dollard beschrijven, en daarbij de voornaamste lotgeval- 
len vermelden , welke haar getroffen hebben , alsmede de 
veranderingen , welke hiermede in den waterstaat gepaard 
gingen. Wij zullen hierbij de indijkingen verdeelen in die 
van den westelijken en oostelijken boezem, als grens daar- 
van aannemende den Ganzendijk, en de laatste verder on- 
derscheiden in die van het zuidoostelijk en die van het 
noordoostetijk gedeelte van dien boezem, of zoo ver het 
eerste nog op ons grondgebied, het tweede op Hanno- 
versch en wel Oostfriesch gebied , althans nagenoeg , is ge- 
legen. Die orde volgende, beginnen wij alzoo met de 
indijkingen in den westelijken boezem. 

A. Bedijkingen in den Westelijken boezem. 

Wij ontmoeten hier dan het eerst den Dollarddijk van 
Reide , maar zullen vooraf nog een woord spreken over 
den Eemsdijk van Delfzijl of Farmsum af tot dat punt, 
als hiertoe meer of min ook behoorende en daarmede in 
verband staande. 

Deze Eemsdijk is aan deze en gene zijde van Oterdum op 
twee of drie plaatsen dubbel , bestaande hier , behalve uit den 
zee- of bmtendijk, ook nog uit een binnen- of zoogenaamden 
slaperdijk , en sluitende alzoo twee of drie smalle polders in. 
De eene dijk is echter meer voor eene versterking van den 
ander te beschouwen, dan eene wezenlijke inpoldering. De 
slaperdijk van Oterdum naar Termunten zou, volgens som- 
mige Dollardkaarten (veeburgh) , in 1705 gelegd zijn. De 
zee- of buitendijk is misschien nog dezelfde , als bij de laat- 
ste bekende uitlegging in 1578 of 1593 gelegd is (bi. 95). 
Meer is daarvan niet bekend, noch van andere dijken. 
Er loopt wel tusschen Weiwerd en Heveskes , van den 
Eemsdijk af naar den Zomerdijk, eene oude kaaijing, 
waarnaar nog de naburige Kaaijen Laan zoo geheeten is, 
van 8 — 10 palm hoogte, waaraan, telkens op eene tus- 
schen wijdte van omtrent 7 minuten , zich 5 diepe kol- 
ken opdoen, die tot bewijs strekken van felle doorbra- 
ken ; maar deze bekading zal eene oude waterkeering en 
scheiding tusschen het Termunter en het Oterdummer Zijl- 
vest zijn, die echter nu en dan ook wel tot wering van 



Digitized by Google 



het buiten- of Dollardwater kan gediend hebben en daar- 
door ingebroken zijn , evenals ook de Zomerdijk verder 
zal zijn te beschouwen. 

De landpunt zelve van Reide is door haren hoogen en 
vasten kleigrond staande gebleven en behouden ook door 
kunst, schoon buiten de eigenlijke dijklinie gelegen. Van 
het punt, waar de Eemsdijk in den Dollarddijk overgaat, 
maakt deze tegenwoordige dijk tot daar, waar de nieuwe 
hieraan sluiten, nog de eenige bedijking uit. Deze laat 
zich vervolgen en wel als de oude dijk van 1545 — hij wordt 
althans daarvoor gehouden , zoodat wij hem ook zoo zullen 
blijven noemen — in den weg naar Oostwolder Hamrik 
en Nieuwolda, welke beide op dezen ouden dijk gebouwd 
zijn, dien men hier ook den Oude-Ae weg genoemd vindt, 
tot daar, waar hij het Termunter Zijldiep bereikt, en hier- 
over een eind weegs langs dit diep tot het Waar. De 
arbeidershuisjes, die digt bij den Gare of Geere weg, 
waar deze bij het Zijldiep aan dien weg en ouden dijk aan- 
sluit , staan , worden nog huizen op den dijk of dijkhuisjes 
genoemd. Van het Waar liep hij langs den weg naar 
Nieuw-Scheemda. Benoorden en bezuiden dit dorp bevin- 
den zich nog twee stukjes land, die beide deDijkskamp hee- 
ten , en bij het eerste ligt nog eene kolk. Van het laatste 
liep de dijk wat westelijk van den Scheemder Dwarsweg 
langs de rij boerenwoningen, die nog op denzelven staan, 
naar den Oude-dijkerweg , die hiervan nog dezen naam 
draagt, en zoo leidt tot het Scheemder Tolhek aan het 
Winschoterdiep en de grens maakt tusschen Zuidbrock 
en Scheemda. Toen de grindweg nog niet aangelegd was , 
was er in den kleiweg bij dat Tolhek eene dubbele bogt, 
die voor den op- en afrid van den dijk noodig was. Op 
de kaarten van beckeringh en ook nog van jappé is deze 
dijk alleen van het Waar tot aan het Tolhek — en daar 
tusschen ook nog niet juist — geteekend en in zijn vervolg 
naar de Scheemda geheel niet, noch verder als zoodanig. Van 
het Tolhek ging hij namelijk eerst door de Oude Ae, welke 
van Muntendam , en dan langs en voorts over die , welke 
van de Meeden derwaarts komt , door het aangeslijkte land 
van dit dorp en van de Eexta met eene zuidelijke bogt, 
eerst oostwaarts en dan met een hoek noordwaarts naar 
en voorbij deze laatste plaats en Scheemda. Deze zijne 



Digitized by Google 



100 



rigting wijst het vijftal kolken aan , tusschen het Tolhek 
en de Eexta gelegen , alsmede die der dwarsslooten bij 
dit dorp , welke vroeger bermslooten waren. Die kol- 
ken zullen waarschijnlijk ten gevolge van eene door- 
braak bij een noordwesten wind ontstaan zijn. Zuidoos- 
telijk van die kolken is de kleigrond wel tot op 10 el 
afstand en verder met 6 a 7 p. zand bedekt. Dit ver- 
schijnsel laat zich dus verklaren. De snelheid van den 
stroom , die door het dijkgat stortte , woelde het zand diep 
naar onderen los , en het water liet , na het gat door in 
de ruimte zijdelings te zijn uitgevloeid , door verlies van 
snelheid , dat weder vallen. Van de Scheemda liep de 
dijk van 1545 noordwaarts met eenige hoeken naar de ou- 
de Mid wolder kerk of het kerkhof daarvan nog overig, 
zoodat die kerk nog steeds binnen de bedijking is geble- 
ven. Op Scheemder grondgebied wijst een paar boeren- 
plaatsen , met den naam van Oude dijk , op dat van Midwol- 
de eene kolk , even voorbij de plaats , waar hij den Gare 
weg doorsnijdt , en een drietal bij het oude Midwolder kerk- 
hof hom nog aan , zijnde voorts tot hier en verder oostwaarts 
tot aan den dijk van 1701 nog merkbaar in de overgeblevene 
dwarsslooten. Bij den aanleg van dien dijk daartoe ge- 
bezigd en verzwaard zijnde en daardoor meer overig en wel 
zoogenoemd, loopt hij voorbij Oostwold en Golthoorn, waar 
hij vóór 1825 nog bestond en de Westerdijk en vervolgens 
de Müseldijk wordt geheeten, tot Finserwolde, van welke 
plaats wij hem later langs den oostelijken Dollardboezem 
zullen vervolgen , kunnende het nog tegenwoordige be- 
staande vervolg van den Müseldijk , dat noordwaarts strekt 
tot den dijk van 1769, misschien als een overblijfsel van 
den ouden dijk van 1545 , zoo niet reeds van den vroe- 
geren van 1454, beschouwd worden (bl. 81). 

Behalve dezen hoofddijk, hebben er binnenwaarts hier 
en daar ook nog wel andere dijken gelegen, welke tegen 
den Dollard zijn aangelegd of hebben gediend. Zoo is de 
Zomerdijk te noemen , in naam en voor een deel nog aan- 
wezig , zoo als hij loopt van de Oude Ae ten noorden van 
Oostwolder Hamrik met eene bogt naar Wagenborgen en 
wel tot de zandhoogte of gaast, waarop dit dorp is gele- 
gen. Hij zal, ofschoon dit nu niet meer is na te gaan, 
zich vermoedelijk bij Oostwolder Hamrik aan den vorigen 



Digitized by Google 



» 



101 



Dollarddijk aangesloten en een vervolg daarvan uitgemaakt 
hebben , voor dat deze nog verder bestond of nadat hij 
weder verlaten is , en bij ontstentenis daarvan zijne plaats 
vervuld hebben. Zoo mag dit ook het geval geweest zijn 
met den Veendijk, waarin de Zomerdijk ten zuiden van 
Wagenborgen of de gaast van dit dorp overgaat, en wel- 
ke Veendijk zuidwestwaarts tot het midden tusschen Noord- 
broek en Schildwolde voortloopt en verder mag geloopen 
hebben , volgens oude kaarten , maar zich daar nu ver- 
liest Deze Veendijk echter , als ook de Zomerdijk voor 
een deel , tot aan het Termunter Zijldiep , zullen oorspron- 
kelijk wel niet anders dan eene binnenwaterkeering en 
scheiding geweest zijn, en wel van het Termunter Zijl- 
vest, gelijk ze nog daartoe dienen, en de laatste langs 
dat diep als zoodanig voortgeloopen hebben tot den Eems- 
dijk, maar versterkt en van dat punt nieuws gelegd zijn 
naar den Dollarddijk, om Fivelingoo en het noordelijk deel 
van het Oldambt voor het indringen van het buitenwa- 
ter of van dien boezem, althans in den zomer, te 
beschutten. Het is waarschijnlijk deze Zomer- of Kadijk , 
waarvan rengers spreekt en zegt, dat hij gelegd is van 
Reide tot Siddeburen of Duurswold, zonder op te ge- 
ven den tijd wanneer (Aant. 106, bl. 90). De kolk, 
die men nog ten noorden, bij den Overtogt, en twee, 
die men nog ten zuiden van Wagenborgen aantreft, do 
Rot- en Stolderijkolk , duiden aan, en sommige bescheiden 
bevestigen dit , dat ook deze binnendijk nog zelfs wel , 
zoo als waarschijnlijk bij gelegenheid van den vloed van 
1570 , door dat water is ingebroken geworden (115), even 



(115) Er wordt vermeld in het Register van Charters: Accoord tus- 
schen de Ommelanden en het Karspel van Groot- Termunten over den Zo- 
merdijk , 1551 daags na Martini; dit zal betreffen den Zomerdijk tus- 
schen beiden gelegen geweest ; even zoo de Raadssententie omtrent den 
dijkte Wagenborgen, 1554 , dien dijk aldaar. Verder: Raadsordonnantte 
op het leggen van een dijk in den Oldambte van den 25 Julij cn Mündamcnt 
van B. en R. nopens een nieuwen dijk in 't Oldambt van den 24 April 1589. 
Beide , nader ingezien op het Archief, botrcffen het leggen van een dijk 
door het Wold-Oldambt , wegens den inloop van het zeewater over den 
ouden zomerdijk, en wel van de home des weges bij Wagenborger dijkgat 
of daaromtrent in 't oosten op , na aite bauens huis. Deze zal dus 
misschien de Zomerdijk zijn , van de kolk benoorden Wagenborgen oost- 
waarts strekkende. 



Digitized by Google 



102 



zeer als de grondsgesteldheid en andere blijken bewijzen, 
dat het tot aan en om dat dorp heeft gespoeld, als een 
eiland, beveiligd door zijne hooge ligging. De gaast ligt 
toch geheel omringd, ook ten westen, van de klei. De 
overlevering meldt ook, dat te Wagenborgen schipvaart 
is geweest , en er is voor eenige jaren bij dit dorp een 
vrij zwaar anker in den grond gevonden , dat echter ge- 
heel in bladerig ijzerroest was overgegaan. Die schipvaart 
kan echter ook zien op eene vaart langs een of ander 
kanaal aldaar. — Om Wagenborgen heeft men buitendien 
nog den Weer- of Wardijk. Het is wel deze dijk, waar- 
van bengers ter zelfder plaats zegt, dat hij, in plaats van 
voornoemden Zomerdijk, in 1574 door de ingezetenen van 
dit dorp zelve gelegd is , tot een stevigen dam tegen den 
Dollard. De dijk van 1545 moet dus toen al door over- 
stroomingen zoo ontredderd zijn geweest , dat men hem 
een tijd lang heeft verlaten en vervangen door den voor- 
noemden Zomer- en Weerdijk. — Langs eene streek, op de 
tweede kaart a b geteekend , die van omstreeks den ver- 
lengden Zomerdijk zuidwaarts tot op eenigen afstand van 
het Waar al kronkelende voorbij Nieuwolde loopt, vindt 
men den grond op sommige plaatsen ongeveer 2 — 3 p. 
hooger dan ter wederzijde daarvan , en , wat opmerkelijk 
is , de klei zeer diep gelegen , terwijl aan weerzijden de 
roodoorn maar ongeveer \% — 3 p. dik op den darggrond 
ligt, en deze grond in die strook ontbreekt. In de om- 
streken gelooft men algemeen , dat daar een dijk heeft ge- 
legen. Misschien is het een zomerdijk geweest, die zich 
aan het eene noordelijke eind van voornoemden Zomer- 
dijk en aan het andere zuidelijke eind aan den dijk van 
1545 aangesloten heeft. Dit zoo zijnde, moet men den 
darggrond bij het leggen daarvan weggegraven hebben. Bij 
ons is ook wel de gedachte opgekomen , of die strook niet 
voor eene oude rivierbedding is te houden , misschien dan 
een tak van de oude Termunter Ee , die, toen de grond 
onbedijkt lag, is digt geslijkt. Doch het voorkomen van 
zoodanigen tak , zoo nabij den hoofdstroom zeiven , is wat 
vreemd , en zonderling ook , dat die bedding thans hooger 
is , dan de omliggende grond ; of men moest dit kunnen 
toeschrijven aan de verzakking van den onder dezen ge- 
legen darggrond, toen de bodem droogcr is komen te 



Digitized by Google 



103 



liggen. Hoe dit zij, laten wij in het midden. — Wij we- 
ten ook niet met zekerheid , wanneer de dijk van 1545 we- 
der als buitendijk is hersteld, zooals wij uit zijne ver- 
vanging door volgende indijkingen moeten veronderstel- 
len , en dus vóór deze of nog binnen de 16<lo eeuw. 
Men mag voorts uit het aangevoerde de westelijke grens 
van den Dollard op zijn minst tot den Zomerdijk aanne- 
men. Verder op in het noordelijkst deel van het Oldambt is 
die grens echter, ais gezegd is, moeijelijk te bepalen , daar de 
Eems ook buitendien zoowel vroeger als later het land zal 
overstroomd hebben en de hier aanwezige kleigrond niet als 
een voortbrengsel alleen van den ingebroken Dollard kan be- 
schouwd worden. Zoo is vervolgens de Veendijk voor on- 
geveer de grens te houden , welke de Dollard niet heeft 
overschreden. — Volgen wij den ouden Dollardoever zui- 
delijker om Noord- en Zuidbroek , dan schijnt hier geen 
andere dijk dan die van 1545 geweest te zijn. De klei strekt 
zich tot op meerderen of minderen afstand van die dorpen 
uit , grenzende aan den hoogen zandgrond , waarop zij 
zijn gelegen , misschien verlegd , en hier beveiligd bleven 
tegen het water, zoodat er geen dijk noodig was. Be- 
noorden Uiterburen vormt die zandgrond hier zoogenaam- 
de klingen , dat zijn plaatsen , waar het zand hoogten 
vormt en meer of min in de klei uitspringt. Van deze 
klingen of zandhoogten heeft vermoedelijk eene oude be- 
dijking of bekaaijing geloopen over het Oude kerkhof van 
Zuidbroek naar het Winschoterdiep en over dat diep regt 
zuidwaarts langs den weg naar Muntendam, de Oude weg 
en Hondelaan geheeten, en langs de oude Ae, die van 
hier en verder opwaarts kwam. Zoo ver die weg nu zich 
uitstrekt, breidt zich ook, aldaar niet verre van Munten- 
dam , de Dollardklei zuidwaarts met eene punt tot digt aan 
het diep uit, westwaarts reikt zij tot digt aan het Munten- 
damster diep en werd voorts volgens de overlevering door 
het Pusepad begrensd , dat van het westeinde van de 
Meeden tot naar Zuidbroek liep. Na dit zuidelijkste punt 
gaat de klei met een boog ten noorden om het ou- 
de Meeden, zoodat de Lage weg, aan welken het 
oude dorp is gelegen geweest (bl. 47), ook voor een 
dijk gebruikt is. Dit mag men uit de grondsgesteldheid 
opmaken. De roodoorn toch bedekt oostelijk van en 



Digitized by Google 



104 



aan de Hondelaan ougeveer 6 p. , aan de westzijde slechts 
lj/i p. den darg- ot' veengrond; noordwaarts van den 
Lagen weg achter Duurkemdkker ongeveer 3 p. , zuidwaarts 
slechts ongeveer l/ 2 Het zullen echter slechts zo- 
merdijken geweest zijn, en tijdelijke, om deze en andere 
daar gelegene dorpen tegen den voortgang van den 
Dollard te beschermen, waartoe zij zich aan de hier en 
daar gelegene hoogten aansloten, tot dat men door de 
ongenoegzaamheid daarvan gedrongen werd de dorpen te 
verlaten of te verleggen naar de hoogere veen- of gaast- 
gronden, en de hierop gevolgde aanslijking gelegenheid 
gaf en aansporing tot indijking. Meer binnenwaarts, in 
den zuidwestelijken inham van den Dollard, heeft men 
tusschen voornoemden zomerdijk en dien van 1545 nog 
een tusschendijk gehad, die de Meeden alzoo zal be- 
veiligd hebben, toen er weder eenig land was aange- 
wonnen. Deze dijk , ook misschien slechts een kadijk , 
want hij wordt maar door eene kleine hoogte meer aan- 
gewezen , die bij uitstek zandig is, stond, blijkens den 
hiervan nog overigen loop , in verband eenerzijds met 
den dijk van den Ouden weg naar Muntendam, ter plaat- 
se, waar de dijk van 1545 met denzei ven in aanraking 
komt; want in die rigting scheidt zich ook de grond in 
klei en roodoorn; anderzijds liep hij door den weg van 
de Meeden naar de Eexta, en door de Zijp tusschen 
de Meeden en Westerjee met eenige bogten naar deze 
laatste plaats en . de zandhoogte van Heiligerlee , waar hij 
schijnt geëindigd te hebben. Noord- of buitenwaarts 
daarvan is de grond kleijig , aan de zuid- of binnenzijde 
dargachtig; dat deel, hetwelk buiten den laatsten dijk is 
gelegen» wordt nog het buitenland genoemd, ten bewijze, 
dat het buitendijks is gelegen geweest. Bij Heiligerlee 
bleef //de Dollard tegen den hoogen leemwal aanspoelen en 
werd . verstar geschut door den hoogen grond van deze 
streek tof; aan .de Eexta; men bespeurt hier althans geen 
dijk meer, en de grens der klei keert zich noordwest- 
waarts om > $en/ westen van den weg van Westerlee naar 
Eexta y naar en voorbij deze plaats en de Scheemda , tot 
daar wy den dijk van 1545 hebben vervolgd. 

Wannoer wij nu overzien de oppervlakte gronds , wel- 
ke alzoo die dijk insloot , dan ontnam deze reeds veel aan 



Digitized by Google 



105 



den Dollard en drong zijne grenzen belangrijk terug. 
Daardoor werden toch weder 6789 bunders binnengedijkt , 
bevattende de kleilanden binnen den aangewezen omtrek 
ten noorden en westen van Nieuwolda, de zoogenaamde 
Buitenlanden van Zuid- en Noordbroek of de Zuidbroek- 
ster Uiterlanden , het Noordbroekster Hamrik en de Ko- 
rengasty twee nieuwe gehuchten daarop aangelegd, als- 
mede den kleigrond , welke tusschen Zuidbroek en de 
Eexta met Scheemda door naar de Meeden zich uitstrekt, 
en wel aldus verdeeld onder de volgende gemeenten , vol- 
gens metingen en berekeningen op de Kadastrale kaarten: 

Midwolde 450 bunder. 

Scheemda 1303 „ : 

Meeden 763 



Muntendam 432 „ 

Zuidbroek 410 

Noordbroek 1773 „ 1 

Slochteren 222 „ 

Nieuwolde 1134 „ 1 ' N 

Delfzijl 7 



Termunten 295 „ 



Totaal 6789 btradbr.' f,,,n 
Eene aanmerkelijke, ja geheele verandering werd er te 
weeg gebragt door de inbraak en daarop weder gevolgde 
indijking van den Dollard in den Waterstaat van het 01- 
dambt. Wij hebben aangewezen, hoe dat landschap des- 
zelfe water loosde door de oude Termunter Ee en Zijl 
(bl. 15). Ten gevolge echter van den ingedrongen Dol- 
lard tot diep in dit land, waardoor het als in tweeën ge- 
scheiden werd, werd ook deze waterbaan onderschept en 
verbroken , zoodat zij , bij de indijking van 1545 , voor 
een groot deel , van Oostwolder Hamrik naar het Waar , 
buiten dijks gebragt en van hier tot aan het Scheemder 
tolhek toe genoegzaam verdwenen zijnde, mét meer tot 
afwatering van het land kon dienen , maar dit genood- 
zaakt werd zijn water elders te lozen. Wij vinden dan 
ook, dat het Termunter Zijlvest is ontbonden geworden en 
hierbij het Klei-Oldambt voor het grootste, noordelijkst 
deel (Wagenborgen t. w. uitgezonderd) zich van het ove- 
rige Oldambt heeft gescheiden. Gi-oot en Klein-Termun- 



Digitized by Google 



106 



ten 9 Grijze Monniken klooster en Leaterhuis , alsmede Wol- 
dendorp hebben namelijk een tijd lang onder het Oter- 
dummer Zijkeet behoord , en wel sedert 1553 , toen zij 
met de landen hieronder, elk voor hun deel, aldaar eene 
nieuwe zijl doch met eene gemeene mude hebben ge- 
legd (116), en alzoo zijn vereenigd, tot dat de nieuwe 
Termunter sluis en het diep daarnaar toe aangelegd is, 
bij de weder oprigting van het Termunter Zijlvest in 
1601 , wanneer die plaatsen weder van het Oterdummer 
Zijlvest afgescheiden zijn. Hoe het overige en wel het Wold- 
Oldambt zich destijds beholpen heeft, is niet zoo bekend; 
waarschijnlijk zal het onmiddellijk door den dijk van 1545 
in den Dollard hier en daar uitgewaterd hebben. Men mag 
als vrij zeker stellen, dat er voor de Leest en de beide 
Aetakken , die van Muntendam enz. of het zuidelijk 01- 
dambt kwamen, een zijltje in den dijk bij het Scheem- 
der tolhek gelegen heeft, en dat toen, zoo niet la- 
ter , het Eexter diep is gegraven , tot aan do plaats , waar 
het de dijk van 1545 afsneed , om desgelijks het Eexter en 
ander water met een zijltje door denzelfden dijk af te voe- 
ren in den Dollard. De Ae, die van Veendam en Mun- 
tendam kwam, zal tot scheepvaart en wel tot afvoer van 
turf van die plaatsen en de Meeden gediend hebben , den 
Dollard uit, voor dat het diep van Winschoten naar Gro- 



(116) Luidere Sententie van Stadhouder en Hoofdmannen tusschen dte 
van Oterdum , Oosterwierum , Ueveskes , Borgsweer en Lalleweer (of het 
Oterdummer Zijlvest) ter eenre, en Groot Munte , LutJce Munte, Grijze 
monniken, Woldendorp enLesterhuis ter andere zijde over het leggen em 
onderhouden elk eener zijl, met eene gemeene mude te Oterdum , 25 Mei 
1553, in het oorspronkelijke nog voorhanden in het Stads Archief en 
vermeld op het Register van db bitter , schoon niet juist , daar zijn op- 
schrift maar van eene zgl gewaagt Van daar was de Abt van Grijïc 
monniken klooster mede Schepper van het Oterdummer Zylvest, uit- 
wijzena Sententie tusschen de ingezetenen van Groote Munte en den Abt van 
Grijze monniken als Schepper van Oterdummer zijl, van 1558, volgens 
datzelfde Register, Zoo wordt dan ook in de Verklaring van 1565 de 
zijl te Termunten de Olde Munter zijl genoemd, om roden dat toen die 
zjjl niet meer bestond of verlaten was. Verg. westendorp in kremer's 
Beschrijving van de prov. Groningen, II, 109 en 277 , en in Jaarb. II, 
444. Hij spreekt van deze vereeniging onder het Oterdummer Zijlvest, 
zonder den tyd , wannneer of hoe die heeft plaats gehad , nader te 
kennen. 



Digitized by Google 



107 



ningen daar gegraven is (1636), waardoor die Ae werd 
afgesneden. Toen kan zij evenwel nog tot aanvoer van 
turf' gestrekt hebben in dat diep , tot dat het Muntendam- 
ster diep aangelegd is (1648). Op de Hondelaan aan de 
oude Ae vindt men nog eene breede en hooge plaats, die 
geheel uit stukken turf en turfmolm bestaat. Daar werd 
misschien de turf afgevoerd. In den hoek , waar de Ou- 
de weg aan den Lagen weg sloot, kan men omgekeerd 
nog zien , waar de schil mag aangevoerd zijn voor de 
kalkbranderijen , waaraan die plaatsen bij den aanbouw ge- 
brek hadden. Er zal daar ook een zijltje gelegen heb- 
ben , waar de Oude Ae den Lagen weg doorsneed. — Er be- 
staat voorts eene overeenkomst , gemaakt in het jaar 1580 
tusschen Midwolde , Scheemde , Noordbroek, Wagenborgen en 
Woldendorp met het Farmsummer Zijlvest, om met hun 
ne buitendijkslanden in dat zijlvest uit te wateren (117). 
Of deze inlating werkelijk tot stand gekomen is, hebben 
wij echter nergens bevestigd gevonden. Rengebs spreekt 
wel, het leggen van den Weerdijk om Wagenborgen eeni- 
ge jaren vroeger vermeldende, van zoodanige inlating van 
deze en misschien andere Oldambtster dorpen , maar waar- 
van niet gekomen is (bl. 90) ; en heeft die inlating plaats 
gehad, dan is ze van korten duur geweest, slechts een 
twintigtal jaren , namelijk tot de gezegde oprigting van 
het nieuwe Termunter Zijlvest, of nog korter tot de leg- 
ging en bezijling van den dijk van 1597, gelijk zoo da- 
delijk zal vermeld worden. Het overige oostelijk ge- 
deelte van het Wold-Oldambt zal zich misschien met 
eigene of bijzondere afwateringen in den Dollard behol- 
pen hebben. Er was destijds te Oostwolde eene uit- 
watering. De plaats of liever plaatsen daarvan zijn nog 
aan te wijzen. Er heeft eene oude zijl gelegen eerst 
nabij Oostwold in den ouden dijk van 1545 en ver- 
volgens wat verder noordwaarts in den ouden dijk van 



» 

(117) Deze overeenkomst staat door den heer driessen op het He- 
gister van de sitter aangeteekend , onder den volgenden titel, volgens 
eene kopij , berustende onder Mr. t. h. treslino , vroeger Advokaat aan 
den Hove te Groningen: Contract van Midwolde, Scheemte , Noordbroek , 
Wagenborgen en Woldendorp met Farmsummer Zijlvest , om met haar bvi- 
Undijlcslandcn in dit Zijlvest uit te wateren y 28 Nov. 1580. 



Digitized by Google 



108 



1626. Tot de eerste voerde ook waarschijnlijk een oud 
diepje, dat men in nog aanwezige dwarsslooten terug 
vindt, het water van Midwolde. Het liep van den eer- 
sten hoek en de eerste kolk in dien dijk van 1545 , niet 
ver van den Gare weg, tot in het Koediep, zoodat het 
laatste pand van dat diep bij Oostwolde nog daarvan 
overig is. Finserwolde had ook zijne uitwatering of zijl 
hier of daar, misschien door de Tjamme. Zoo hadden 
die plaatsen ook hare afzonderlijke dijkringen , blijkens de 
Dijkbrieven die hiervan bekend zijn: een van Oostwold 
van den 15 April 1558, hernieuwd den 6 Julij 1573, 
en een ander van Beerta en Finserwold van den 1 Mei 
1571, gelijk die vermeld worden op het Register onzer 
Charters. 

De tweede bedijking in den westelijken boezem had plaats 
in 1597; niet in 1592, zooals staat op de kaart van jappé. 
Van het leggen van een dijk in dat jaar is ons een blijk 
voorgekomen in eene Decisie van den 25 Met 1596, tus- 
schen Zuidbroek , Muntendam , Meeden , Westerlehe , HÏUiger- 
lehe, Scheemda en Exta ter eenre, en Noordbroecke en 
Mitwolde ofte liet Zijlvest ter andere zijde, over de nieuwe 
afgebakende en uitbesteedde dijk , bepalende , dat die deimot 
deimat gelijk door alle kerspelen zal gelegd worden (118). 
Zulks had dan plaats in het volgende jaar en is die 
dijk, welke algemeen op dat jaar gesteld wordt, waar- 
van men nog den loop langs het Termunter Zijldiep kan 
nasporen en bij den aanleg van dat diep, gelijk wij zul- 
len zien , gevolgd heeft. Deze dijk kwam namelijk uit 
den ouden dijk van 1545 bij Scheemda. Nog ziet men 
noordelijk van en onmiddellijk aan den grindweg of 
Zwaagweg van dit dorp naar Noordbroek, zoo ver die 
weg tusschen het Koediep en het Zijldiep loopt , eene 
smalle hooge strook gronds , waarop de dijk heeft gele- 
gen ; dan boog hij zich ter plaatse , waar nu de weg over 
het Zijldiep gaat, noord om en liep ten oosten van dat 
later gegraven Zijldiep noordwaarts , om zich op het Waar 

weder met den ouden dijk van 1545 te vereenigen. 

i ' - • \ 

• • ! • ' . ' 

(118) Dit stuk is ons medegedeeld door den Hr. Notaris Mr. r. db 
sitter, dio het bezit. Het komt niet voor op het Register van pe 
bitter, het bUgeschrevene noch oorspronkelijke. 



Digitized by Google 



109 



Hiermede had eigenlijk de eerste overdijking alhier plaats, 
waardoor hoofdzakelijk werden binnen gebragt de nieu- 
we aanwassen van de Eexta en vooral Scheemda, waar 
op het nieuwe dorp van dien naam, Nieuw-Scheemda of 
Scheemder Hamrik later verrees. Nader gerekend ligt 
van den hierdoor aangewonnen polder onder de: 

Gemeente Noordbroek ongeveer 12 bunder. 
„ Meeden „ 14 „ 

„ Scheemda vrij juis t 1086 „ 
Die polder is derhalve groot p. m. 1112 bunder. 

Ten gevolge dezer inpoldering moest de gemeenschap- 
pelijke uitwatering of buitenmude van de onderscheidene 
Aetakjes en andere wateringen met eene zijl in dezen dijk 
afgesloten worden. Deze zijl , de Carringerzijl op de 
Dollardkaart, de Kermerzifl in den Termunter Zijibrief 
van 1601 , ook Carrenga-zijl genoemd , heeft volgens die 
kaart en de overlevering gelegen in den hoek , welken de 
dijk van 1597 vormde , daar waar de Zwaagweg over het 
Zijldiep gaat, bij de aanzienlijke en zoo wel gelegene 
boerderij van den Heer K. w. sijpkens, waar men ook 
wil, dat eertijds het Zijlhuis gestaan heeft. Van die uit- 
watering is waarschijnlijk nog de oude Geut over, die door- 
geloopen heeft in die rigting naar het Zijldiep of gezeg- 
den hoek van den dijk van 1597 , en als eene , oioor ver- 
andering van den Aestroom, nieuws gevormd uitwate- 
ring in den Dollard mag beschouwd worden. Door die zijl 
zal nu dat gedeelte van het Oldamty , dat niej onder het 
Oterdummer of een ander Zijlvest was of bleef ingelaten 
(bL 105) , zijn blijven uitwateren. Wegens 4 e Sterke aan- 
s] ijking langs en bij die mude en den langen, weg , welke 
het water, al kruipende door eene. naau we geul, moest 
afleggen, voor dat het de diepe bedding der E eins of eene 
andere in den Dollard bereikte, zal die waterlozing zeer 
slecht geweest en meer en meer bele^mer^d geworden 
zijn voor vele kerspelen , zoodat zij die hebten moe- 
ten verlaten en alleen behouden voor de nieuw ingedijkte 
landen , zijnde de zijl telkens bij elke indijking verlegd en 
van naam veranderd. Die van oude Zwaagzijl is althans 
nog bekend en gegeven op de kaart van beckeringh aan 
die, welke in den dijk van 1701 lag, en duidt nog op 

den oorsprong der uitwatering uit de Scheemder Zwaag. 

> 



Digitized by Google 



110 



Na al zoo een aantal jaren gescheiden te zijn geweest 
van die onder het Zijlvest van Oterdum althans, ver- 
eenigden zich deze en gene dorpen van het Oldambt 
weder kort na de indijking van 1597, te weten in het 
jaar 1601 , onder één Zijlvest , het nieuwe Termunter 
Zijlvest, groot toen 13023 % zijldeimten. Zij groeven 
gezamelijk , de Boven-Kerspelen met de Beneden-Kerspelen , 
zooals die van het Wold- en Klei-Oldambt nog bij het 
Zijlvest onderscheiden worden, een geheel nieuw kanaal, 
het tegenwoordige Termunter Zijldiep , en legden eene nieu- 
we sluis in deszelfs mond nabij Wartum in de Eems, de 
Termunter zijl , welke aldaar nog op dezelfde plaats ligt , 
maar in 1724 is vernieuwd (119). Al die dorpen van het 
Wold-Oldambt zijn er echter niet dadelijk in toegetre- 
den; van Midwolde en Oostwolde eerst hunne zoo ge- 
noemde Hamrikken of nieuw aangewassen en ingedijkte 
landen; Midwolde vervolgens zelf of nu geheel in 1636 
en Oostwolde eerst in 1690, terwijl Finserwolde afgeschei- 
den bleef en zich met andere vereenigde , zoo als wij nader 
zullen zien. Het diep is aangelegd onmiddellijk langs den 
dijk van 1597 , van de Carringer zijl tot aan het Waar. 
Beneden het Waar treedt het diep bij den Gare weg bui- 



Zie do Stichtingsbrieven van het Termunter Zijlvest, behalve 
hierbij, gedrukt te vinden achter het Corpus der Groninger Rechten, 
Gron. 1735. Er zyn twee Zijlbrieven, beide van denzelfden dag, den 25 
November 1601. De ecne betreft meer algemeen het Zylvest of deszelfs op- 
rigting, de andere in het bijzonder den hierbij besloten aanleg van het 
Termunter Zijldiep en de Zyl; deze voert in sommige afschriften ook 
wel de dagteekening van den 25 September. Nadat in den aanhef de 
aanleg van het diep in het algemeen bepaald wordt van Kermerzijl in 
do Eexta tot Wartum in de Eems, vindt men dit nader omschreven en 
bepaald als volgt: 

„ Art. 1 . . . van den Nijenztjl " (welke dezelfde zal zijn , als de Ker- 
merzijl t en zoo genoemd, even als de dijk, als zijnde beide voor kort 
eerst aangelegd) „ bij den Nijendijk langes , bes an de zijdtwendige ende 
Toorts van de zijdtwende buiten de dyk op an *t Weerlandt , omtrent T\je 
Edsens ende van daar langs an do Wocrd\jk , waar het dan nuttest 
ende an besten bevonden mag worden." 

„ Art. 2. Voorts zal ook die van do Scheemda , Midwolde ende Oost- 
woldt Btedcs open staan , wanneer zij zulks begoren, wegens haar Acker- 
landen ende Nyelanden, zoo komstiglyk nog aanwassen mogen, hare 
Togten ende Maren daarinne te derivieren , endo met den anderen uit 



Digitized by Google 



111 



ten den toen aldaar nog bestaanden dijk van 1545, en 
loopt dus een eindwegs op buitendijkschen grond. Dit, 
gelijk zijn verdere loop, komt wel overeen met het bene- 
den aangevoerde uit den Zijlvester brief (Art. 1) , schoon 
in een besluit der Stadsregering van het volgende jaar be- 
paald is, dat het diep veiligheidshalve binnen en niet 
hiaten den dijk zou geleid worden (120). Hoe dit zij, 
daar er niet wel een hoofdkanaal aanwezig kon zijn , 
zonder beschut te wezen tegen het water, zoo mag men 
aannemen, dat er althans bij het graven van het Zijl- 
diep zoo ver een dijk aan de Dollardzijde zal zijn 
opgeworpen. Dit zoo zijnde, is de kweldergrond , die 
tusschen het Zijldiep en den dijk van 1545 van den Gare 
weg tot aan de klapbrug in Midwolder Hamrik met dit 
dorp of Nieuwolde is gelegen , ook toen al tot binnengedijk- 
ten grond gebragt. Het dorp zelf is eerst naderhand op- 
genomen, nadat er bevorens al lang een aantal huizen, 
de Troppelkuizen geheeten, gestaan had. 

Het gebeurde ten zelfden jare en tijde, dat deze eerste 
indijking plaats had , namelijk den 15 Augustus 1597, dat 
nog de wateren zeer hevig ook de Eemsdijken vooral teis- 
terden ; en dit had meermalen plaats , zoodat zij niet zelden , 
pas aangelegd zijnde, weder vernield werden. Het was, 
alsof de zee zich verbolgen betoonde over de vermetel- 
heid der bewoners , die zich nu verstoutten , haar op hunne 
beurt aan te vallen en in haar rijk te verkorten. Doch 
wij zullen de tegenspoeden , welke hun werk van dezen 
kant te verduren had, om het verhaal der bedijkingen 



te wateren , edog na maniere Zyivest contribuerende haar zijlschot , gras 
gras geüjk* w 

„Art 12. Ook mede besloten, zoo verre ende wanneer in komsti- 
gen tyden den Dijk konde uitgezet t et worden , dattet zelve Deimat dei- 
mat geigk zal geschien. w 

De uitlegging over de toepassing van dit Art. heeft bij latere indij 
kingen herhaalde aanleiding tot twist gegeven , zoodat daarover lang- 
durige en kostbare pleitgedingen zyn gevoerd , gelijk zal blijken. 

(120) Stadtresol. nopens het nije diep in 't Oldambt, 28 Julij 1602, 
welke in het aangev. Register van de bitter staat aangeteekend , en 
op het Stads Archief voorhanden is. Dicnsvolgcns zal het diep in dit 
jaar 1602 gegraven zijn. 



Digitized by Google 



112 

niet telkens af te breken en in herhalingen te vervallen , 
bij elkander hier achter mededeelen. 

Naanwelijks was er eene vierde eeuw verstreken , of de 
intusschen weder toegenomene aanwas gaf andermaal ge- 
legenheid tot eene uitlegging van den dijk. In 1626 werd 
de polder onder Scheemda en Midwolde binnengedijkt, 
waaraan het dorp Nieuwolda vooral zijn oorsprong ontleen- 
de , en wel door het gezamenlijke Termunter Zijlvest , vol- 
gens Art 12 van den Stichtingsbrief (in vor. Aant 116 
vermeld). Wij vinden er van aangeteekend , dat vooraf 
in 1622 door dat Zijlvest een kadijk was gelegd, daar 
waar de dijk in 1626 is vervaardigd, en dat het hierbij 
met Midwolda Westergüde (bewesten de kerk) en met 
Midwolder Hamrik eene overeenkomst had getroffen, dat 
dezelve zouden doen , voor niet , den grond , waarop 
en waaruit den dijk uit te zetten , mits dat hij werde 
aangesloten met het eene einde bij of omtrent het te- 
genwoordige oude kerkhof in Midwolde en met het 
ander einde geheel achter in Midwolder Hamrik nabij 
den Klei-Oldambtster of Woltsleker dijk. De dijk was 
lang 1356 r. 10 v. , de r. van 21 v. Gron. maat , en heeft 
aan de kerspelen gekost 37,944 gl. 10 st 6 pl. (121). De 
dijk loopt dan ook van den ouden dijk van 1545 bij Oost- 
wolder Hamrik eerst evenwijdig met den voorgaande en 
dan met eene bogt even over den Gare weg (waar zich nog 
eene kolk bevindt) weder terug tot dien dijk, zich bij het 
oude Midwolder kerkhof, of waar de Kerkelaan hem snijdt, 
daaraan sluitende. Wat den inhoud betreft, rekent men 
hierbij den grond, die door het graven van het Zijldiep 
reeds mag zijn binnen gebragt, zoo als wij hiervoor ge- 
zegd hebben (bL 111), dan ligt daarvan: 

Onder de gemeente Midwolda 216.56.70 

„ „ „ Nieuwolda 382.81.61 

„ „ „ Scheemda 540.09.28 

Alzoo is deze polder groot . . . 1139.47.59. 



(121) Wtf hebben deze bgionderheden ontleend uit het Proces van 
den Hr. Burgem. w. siccam a. en Cons. tegen h. l. houman en Cons. over 
het uitzetten van den Dollarddyk in 1785, en de laatste ook uit de Be- 
keningen van den 25 Jan. 1627 en 18 April 1628 van het Termunter 
Zyivest. 



Digitized by Google 



113 

Na deze inpoldering had de aanleg plaats van verschei- 
dene nieuwe kanalen in het Oldambt. Naar tijdsorde ver- 
melden wij hier eerst het Koediep en het Schuiten- of Win- 
scïioterdiep , schoon deze wel niet daarmede in verband 
staan, en meer voor de scheepvaart, dan voor den wa- 
terstaat zijn gegraven. Zulks geschiedde door toedoen 
of liever op last van de stad Groningen, doch geheel 
ten koste van de bewoners, en dan ook niet zonder 
vele tegenkantingen van deze, in wier belang het ze- 
ker wel was , maar ook niet minder in dat dier stad zelve, 
zoodat dit werk, en wei het graven van het Koediep , aan- 
leiding gaf tot die ernstige en langdurige geschillen, welke 
er tusschen beide geheerscht hebben, maar eindigden met 
de bevestiging van de stad in hare magt over het Oldambt. 
Het Koediep is eindelijk gegraven in 1635, nadat yeeds 
in 1628 door de stad daartoe het voornemen was opgevat; 
het Schuitendiep van Zuidbroek door de Scheemda naar 
Winschoten en verder in de Pekel Aa in 1636 en vervol- 
gens , zoo als ook deze Pekel Aa in het Pekeia-diöp is 
vergraven voor den afvoer van den turf en het veen water 
naar de stad. Door het Opdiep is liet Koediep niet het 
Termunter Zijldiep vereenigd, en dit met het Winsehoter- 
diep , maar hun water door een vallaat gescheiden- Men 
schijnt zelfs het plan gehad te hebben , om hetltpediep te 
verlengen van Midwoldo door het Oostwol der Meer naar 
Finserwolde en de Beerta, liier tusschen beide door langs 
de Tjam , daar er in sommige . Besluiten van de stad van 
het opgraven van dit stroompje in verband met dat diep 
gesproken wordt en ook werkelijk daarmede een begin 
gemaakt, maar dat niet volvoerd is (122). 

.... • ' * \ \ r - 

(122) Zie over den aanleg van het Koediep de Stadsbesluiten van 
den 8, 28 en 31 Haart, 8 Mei, 22 September, 9 October, 13 Deccm- 
ierl62S; 1 September 1629; 18 April en l Mei 163». Bi) :dit> laatste besluit 
is aangeteekend , hoe dat kanaal begonnen , maar voor een deel weder 
door do ingezetenen is digt geworpen ; dat toen hiervan een~vljïïaTwegcns 
ongehoorzaamheid op de poort is gebragt, maar ouder acte wede* losgelaten. 
Zie verder over het geschil, daaruit ontstaan, diest lobgion, Bciehrijv. 
van Groningen, II, 13. Hier wordt gemeld, hoe de Oldambtsters een 
vertoog tegen hot graven van dat nieuwe kanaal hebben ingeleverd , het- 
welk zulke scherpe uitdrukkingen bevatte , dat de stadsregering den on- 

8 



/ 



Digitized by Google 



114 

Het Kostverlorm, dat loopt uit hetKoediep door het Katten- 
diep naar het Termunter Zijldiep , is aangelegd in 1636 , vooral 
door Midwolde en ten behoeve van een deel zijner landen , 
die toen eerst in het Termunter Zijlvest zijn ingelaten. 
Het is dwars door zijne intusschen weder aangewassen lan- 
den en de Oude Geut heen gegraven (123). Toen of' daarna 
is dan ook verder het Kattendiep gegraven en wel in of 
langs het bed der Oude Ae , om het water van het noor- 
delijkst deel van Midwolder Hamrik in het Zijldiep te lei- 
den, gelijk het later na de volgende bedijking door het 
nieuws ingedijkte land ten behoeve hiervan vervolgd zal 
zijn. gewagen hier ook nog van het plan, om, ten be- 
hoeve van het Boven-Zijlvest van Termunterzijl , een 
afzonderlijk diep te graven van Troppelhuüen , of waar 
Nieuwolda later gebouwd is , uit het Zijldiep , meest langs 
de Oude Ae, naar eene tweede zijl, met een vallaat 
tusschen beide diepen. Te weten, al spoedig na het 
graven van het Termunter Zijldiep is er last ontstaan van 
de overstelping van het bovenwater in hetzelve en veel 
geschil daarover. Dit is in 1622 bijgelegd door Kaads- 
gecommitteerden tusschen Noordbroek, de Noordbroekster, 
Scheemder en Midwolder Hamrikken ter eener, en Zuid- 
broek, Meeden, Westerlee en Scheemda ter andere zijde. 
De eersten verzochten do stuwing in het diep op het 
Waar van dat bovenwater of de veenwateren , waartegen de 
laatstcn beloofd hadden door dijken te zorgen, of, zoo dit 
niet hielp, een bijzijltje bij Termunterzijl te leggen. Die 



dcrteekenaars een crimineel proces aandeed. Die van het Oldambt be- 
noemden hierop drie gevolmagtigden , die zich terstond met hevige klag- 
tcn tot de Staten-Gcneraal wendden , waardoor de stad zich zoo bclcc- 
digd achtte, dat zij dén van die gevolmagtigden, den edelman skbo hc- 
ninga (den voomaamsten voorvechter in dezen), na vruchtelooze pogin- 
gen, om hem gevangen te nemen, bij vonnis van 22 November 1039 
nit de Provincie bando. Tot den aanleg van het Winschotcrdiep is , be- 
halve de Stadsbesluiten van 19 Mei en 14. lunij 1632, vooral betrekkelijk do 
Overeenkomst tusschen de Stad en het Termunter Zijlvest van 12 JDec. 1635. 

(123) Volgens Uitspraak der Stad tusschen het Termunter Zijlvest en 
Midwolde over Midwolder Schot, afleiding van de veenwateren en de land' 
wateren, 15 Sept. 1636, overeenkomstig Resolutie van 8 en 11 Maart 1636, 
over de inlating. Bij die uitspraak is verder bepaald , hoe de veenwate- 
ren van Midwolde af te leiden door slooten in de Tjamme. 



Digitized by Googl 



115 



stuwing of schutting werd bij die uitspraak vooreerst 
toegestaan twee dagen in de week , tot dat door dat 
laatste of een ander raiddel beter in den afloop van het 
water voorzien was (124). En zoo werd het plan tot het 
graven van een nieuw diep en het leggen van eene tweede 
Termunterzijl wel voorgenomen, maar niet volbragt, zoo 
min als latere, en lijden nog steeds vele landen van dat 
Zijlvest aan die kwaal, waartegen men zich met watermo- 
lens wel heeft getracht te behelpen , maar niet voldoende. 

Be derde indijking van den eersten Midwolder Polder, of 
het Oud Nieuwland, thans ook zoo genoemd, had bijna veer- 
tigjaren later, te weten in 1665, plaats. De dijk loopt in een 
halven cirkel, die bijna reikt tot aan de Kerkelaan , en, tot 
aan de Oude Geut de zwet tusschen Niewolda en Midwolde 
volgende, van den ouden dijk van 1545 te Oostwolder 
Hamrik tot dien dijk bij Golthoorn. Bezuiden de Oude 
Geut vindt men daarin nog een drietal kolken. Deze in- 
dijking gaf aanleiding tot verschil tusschen de naast daarbij 
belang hebbenden, namelijk de eigenerfden van de kerspe- 
len Midwolde en Midwolder Hamrik en de overige in het 
Wold-Oldambt. De eersten verbonden zich in 1663 daar- 
toe (125) en vorderden , dat deze indijking zou geschieden 
op kosten van het gemeene Zijlvest, deimt deimt gelijk, 
ingevolge den inhoud van den Zijlbrief (Art. 12) en zoo 
als de beide eerste dijken gelegd waren, maar de laatsten 
achtten zich daartoe ongehouden. Het geschil werd op 
die wijze bijgelegd, dat de ingelanden van Midwolde en 
Midwolder Hamrik den nieuwen dijk zouden maken, en 



(124) Zie Provisioneeh uitsprake over het stouwen in J t Waar van 'i wa- 
ter in 'tZijldiep van 25 Mei 1622; over de nieuwe Zijl, Rcsol. 30 Julij 
1636, Besoignes van de Stads Gecommitteerden op het leggen van de nieuwe 
Zijl en 'tdiep bij Termunten gehouden den 1—4 Febr. 1637, goedgekeurd 
door den Raad den 10 Februarij 1637, volgens het verhandelde op dien 
dag en de Overeenkomst over de Nieuwe Zijl van 't Boven-Zijlvest ao. 1638 
bij ter Munte te leggen van 14 Januarij 1638. 

(125) Bij eene overeenkomst of een Dijkbrief, zoo als zij genoemd 
is, van den 5 Februarij 1663 , inhoudende dat die indijking door hen zou 
geschieden, ten laste en op kosten van diegenen, die daartoe zullen ge- 
oordeeld worden verpligt te zijn, naar redelijkheid, olde contracten, ofte 
decisie van de Uren Borgmren ende Raedt in Groningen , enz. Zie feith , 
Gron. Bcklemregt, II, 319. 



Digitized by Google 



116 



de andere kerspelen daartoe van ieder deimt hunner 
landerijen 45 stuivers zouden geven (126). En zoo kwam 
de indijking tot stand, volgens de kadastrale meting groot, 
als volgt: 

B. R.E. 

Onder de gemeente Midwolde 392.48.98 

„ „ „ Nieuwolde .... 455.90.26 

In haar geheel . . . 848.39.24. 
De vierde indijking was die van den tweeden Midwolder 
Polder of het Nieuwland in 1701. Deze loopt bijna even- 
wijdig met de vorige van den ouden dijk voorbij Oost- 
wolder Hamrik af tot dien bij Golthoorn. Van dezen pol- 
der ligt: 

Onder de gemeente Midwolde 537.84.81 

„ „ „ Nieuwolde 83.55.42 

Hij is dus groot . . . 621.40.23. 

Bij de uitspraken van de Raadsgecommitteerden der stad, 
benoemd ter vereffening der verschillen deswegens ont- 
staan, werd onder anderen het volgende bepaald: dat de 
dijk van 1665 nog 15 jaren in volkomen staat moest wor- 
den onderhouden, nadat de nieuwe dijk voltooid en op- 
genomen zou zijn; dat de nieuwe dijk overal dertien voet 
stadsmate hoog boven de qroene swaarde moest worden ge- 
maakt (met verdere bijbepaling ook van het profiel); dat 
de kosten van overdijking over de oude en nieuwe binnen- 
en buitendijks landen, deimt deimt gelijk, moesten worden 
verdeeld en gedragen, zoo echter, dat het Wold-Oldambt, 
onder het Zijlvest behoorende, daartoe ƒ 36,000 zoude 
opbrengen en de belanghebbenden van Midwolde enOost- 
wolde de overige kosten alleen zouden moeten dragen ; 
voorts dat het leggen van den nieuwen dijk in des- 
zelfs kromte bij de sluiting (ten noorden) verder dan of 
boven den scheidpaal, opgerigt tusschen het Wold- en 



(126) Zie Staats-Resol. 26 Jamt 1761, in feith, Gron. Bekleniregt , 
I, 552 en hier verder II, 50 en 73. Er hangt nog eeno kaart van Mei 
1666 op het Stadhuis te Groningen van do 304 '/ 4 D. toen ingedijkte lan- 
den, cn de 156 3 / 4 D. 72 R. toen buitendijks geblevene landeu der Stad; 
terwijl zich eene kopij van de kaart van 21 Aug. 1690 van al de toen ge- 
metene landen van dien polder door bontko bennes op het Provincie- 
huis bevindt, gelijk boven, bl. 93, Aant. 110, reeds gezegd is. 



Digitized by Google 



\ 

117 

het Klei-Oldambt , niet zou strekken tot nadeel van het 
eerste (127). 

Hierop volgde de vijfde overdijking van Oostwolder 
Polder in 1769, groot en gelegen aldus: 

B. R. E. 

Onder de gemeente Finserwolde . . 247.23.00 
„ || „ Oostwolde. . . 546.76.60 

Nieuwolde . . . 395.68.70 

1189.68.30 (128). 

Deze dijk is nog groen en in zijn stand, gelijk de vol- 
gende laatste , terwijl de vorige meer of min zijn vergraven 
en verdwenen, schoon nog op de meeste plaatsen na te 
gaan. Hij begint ook van den ouden dijk, wat noordelijker 
dan de vorige, loopt weder even boogvormig en eindigt 
aan den ouden dijk ten noorden van de Finserwolder kerk. 
Hij is gelegd over het voormalig eilandje Munnikeveen. 
Deze indijking vooral gaf aanleiding tot langdurige en 
zware pleitgedingen, tusschen de belanghebbende ingelan- 



(127) Pc eerste uitspraak der Raadsgecommittcerden is van 20 Junij 
1700 en de tweede van 28 Nov. 1700. Beido worden aangehaald in do 
Staats- Resol. van 26 Junij 1761 bij feith, Gron. Beklemr. I, 553, en 
deze deelt het boven opgegovene nog broeder mede, aldaar II, 319, 
320, wat de betaling der opgenomene gelden en kusten door de eigena- 
ren en meijers enz. betreft. Hij geeft ook nog den inhoud op van de 
Raadsbesl. van den 5 Aug. 1701, waarbij bepaald werd, dat do belang- 
hebbenden, naar cene gemaakte overeenkomst tusschen Midwolde en Oost- 
wolde van datzelfde jaar , van elk deimt land 20 gl. tot de kosten van den 
dijk moesten betalen; voorts van de Stadsbesluiten omtrent de verhuring 
van hare landen in dezen polder, en omtrent do latero verkooping, na- 
melijk in 1806, der beklemming van al de stadslanden te Midwolde, 
groot 332 D. 29 li., waarvan slechts omstreeks 77 D. in dezen Midwol- 
der polder waren gelegen. 

(128) Zoo geeft feith , Gron. Beklemr. II, 323, en op cene andere 
plaats, I, 555, naar do oude meting de grootte aldus op : Onder het kerspel 
Oostwolde 1247 Deimt en 15 R., als onder Oostwolde 464 D. 92 R. en on- 
der Oostwolder Hamrik 782 D. 223 R., en onder het kerspel Finserwolde 
1061 D. 263 R., als onder Finserwolde 476 D. 235 R. en onder Golt- 
hoorn 585 D. 28 R. , zoodat de gehcelc Oostwolder Polder besloeg 
2308 D. 278 R., elk Deimt groot 300 □ R. van 14 Groninger voeten, 
en dus, naar de tegenwoordige Nedcrl. landmaat, 1159 B. 26 R. , — 
dat ware dus 30 B. 42 R. minder, dan eerstgemelde begrooting bedraagt, 
in welke laatste opgave de inhoud van den dijk van 1769 echter niet 
begrepen is. 



Digitized by Google 



118 



den van Oostwolde en Oostwolder Hamrik en de overige 
kerspelen van het Wold-Oldambt onder Termunterzijl. De 
eersten wilden weder de laatsten, even als bij de beide 
eerste bedijkingen, mede de kosten gelijkelijk doen dragen; 
deze weigerden dit, en schoon eerst herhaaldelijk in het 
ongelijk gesteld, wonnen zij toch eindelijk het pleit, het- 
welk ^.ceeds vóór de indijking begonnen, eerst in 1793 be- 
slist werd (129). Wij vinden van deze inpoldering nog dit 
vermeld, dat de polder na verloop van twee jaren zuchtig 
werd (eene kwaal waaraan meer polderlanden in het Old- 
ambt, zoo als wij zullen zien, thans lijden), waardoor de 
landgebruikers gedurende zes jaren slechts een schralen 
oogst en alzoo een sober bestaan hadden (130). Aantee- 
kening verdient ook, dat er ten behoeve van deze in- 
dijking vooraf' in 1764 reeds een plan beraamd is, om 
eene uitwatering te graven, welke zou beginnen van zekere 
plaats onder Termunten, alwaar de Oude Ae voor de be- 
langhebbenden in de bedijking van geen dienst meer kon 
zijn , en loopen bijlangs of des noods door zekere provin- 
cielanden heen, met die voorwaarde, onder anderen, dat, 
als, in vervolg van tijd, de provincie en particulieren , we- 
gens derzelver aanwassende landerijen aldaar, eenige ver- 
dere indijking zouden ondernemen, do alsdan in te dijken 
landen, door dit zelfde kanaal vrij en onbelemmerd zou- 
den mogen uitwateren, alsmede door het kanaal, dat 
verder door de belanghebbenden zou worden gegraven 
door de landen van particuliere eigenaren onder Termun- 
ten, voor zoo ver zij daartoe zouden gcregtigd zijn (131). 



(129) Zie dit broed voeriger aangeteekeud door feitii , Gron, Beklemr. 
I, 554, 555, op dc Staats- Resolutie van den 26 Juni} 1761 mot opzigt 
tot Provincicmeijers van Wcstcrlce te dezer zake genomen en inhouden- 
de om daaromtrent in een vergelijk te treden. Hij haalt ook verder 
(LI. 556) de Staats-Jiesolutien aan , waarbij dc schikkingen werden vast- 
gesteld , tusscheu de Provincie en hare meijers gemaakt , achter wier 
plaatsen slijk en aanwas bleef liggen , over het gebruik van den Dollard- 
dyk , het nieuwo land en den aanwas , en vooral over do bevordering 
van den aanwas; uit welk alles blijkt, hoe zeer men meer en meer prijs 
stelde op deze aanwinst van land. 

(130) Smith, a. w. bl. 45. 

(131) Feith , Gron. Beklant . II, 321 , deelt dit mede volgens de over- 
eenkomst daarvan, met Stadszegel cn brief bevestigd op den 1 Fcbr. 1764, 



Digitized by Googl 



119 



Deze uitwatering echter, welke zeer kostbaar zou zijn, 
is daarom toen ter tijd achterwege gebleven, even als in 
1819, wanneer, gelijk nog later, velen weder zeer voor 
het aanleggen van een kanaal naar de Fimel hebben ge- 
ijverd, als zullende hetzelve , huns inziens, voor de afwatering 
van den Oost wolder en Finserwolder Polder, van het Vier 
Karspelen zijlvest en van Bellingwolde , die in hetzelve 
dan zouden kunnen worden ingelaten, bijzonder dienstig 
zijn. 

Eindelijk is de zesde of laatste overdijking van den finser- 
wolder Polder geschied in 1819, bevattende de kwelderlanden 
achter dat dorp , den Goldhoorn , het Miinnikeveen en de 
Binnen Ae. De dijk begint eveneens van den ouden dijk, 
doch weder meer noordelijk dan de voorgaande, en loopt 
met een flaauweren boog naar den Ganzendijk bij de Beert- 
sterzijl; hij is 88 V. in aanlage en 14 V. hoog en heeft ge- 
kost f 275,000 (132). Hij sluit in zich een polder, waar- 
van liggen: B. R. E. 

Ou 

Onder de gemeente Finserwolde .... 651.13.60 
„ „ „ Oostwolde .... 124.16.20 
„ „ „ Nieuwolde .... 377.9 5.60 
En welke dus groot is . . . 1153.25.40. 

Dezen polder, welke, even als vorige, zoo genoemd werd 
naar het dorp, waaronder de meerderheid der ingedijkte 
landen gelegen was , trof het in de eerste jaren ook niet ge- 
lukkig. Het eerste jaar na de inpoldering (1820) werd het 
gewas door de aardvloo aanmerkelijk beschadigd ; in 1821 
vernielde de veldmuis het winterkoren en het aankomende 
koolzaad; in 1822 werd, door den sterken winter, geheel 
het zaadgewas, zoo te zeggen, door de vorst vernietigd; 
in 1823 werd door de veldmuis en slak alles aangetast en 
ontzettend veel schade aangerigt en door het eerste onge- 
dierte nog meer in 1824 , even als dit met den Oostwolder 



en ingegaan tusschcn de Staats Gecommitteerden ter eener , en de Gc- 
magtigden van de Geïnteresseerden van de Uiterdijlcslanden agtcr Oostwold 
en Oostwoldmer-IIamrik , onder het Zijlvest van het Wolt-Oldambt gekoorigh, 
alsmede de Gemagtigdcn van de Geïntercseerden van de Th'terdijkshnden , 
ngter Golthoorn cn Finsencoldt gelegen ter andere zijde. 
(132) Smith, a. w. W. 417. 



Digitized by Google 



120 



polder en de binnenlanden van het Oldambt toen plaats 
had. Zoo liep tegenspoed op tegenspoed te zamen, om de 
landbouwers van deze, der zee naauwelijks ontwoekerde 
landen schier tot wanhoop te brengen; maar volgende 
jaren vergoedden overvloedig de geledene rampen door de 
uitstekende vruchtbaarheid van den grond (133). Deze 
polder heeft met den voorgaanden nog eene eigene uit- 
watering door de Oude Geut in den Dollard. Deze is en 
wordt van dag tot dag echter meer onvoldoende, zoodat 
de Oost wolder polder reeds sedert lang door een watermolen 
en door eene stoommachine de zijne moet te hulp komen 
en die van Finserwolder polder, voor een aantal jaren 
nog goed zijnde , thans ook slecht is te noemen. Dit 
werkt zeer nadeelig op den grond en deszelfs verbou- 
wing, en reikhalzend ziet men daarom naar verbetering in 
dezen uit (134). 

Trekken wij nu te zamen al de beschrevene indijkingen 
in den westelijken boezem , dan verkrijgen wij het volgende 
overzigt van de grootte der polders en van de jaren, 
waarin zij aangewonnen zijn : 



Naam van den Polder. 


Jaar der indijking. 


Inhoudsgrootte. 


De eerst ingedijkte polder 

Westelijk van het Zijldiep 

Oudland 

Oud Nieuwland 

Nieuw] and 

Oostwolder polder 

Finserwolder polder 


1545 
1597 
1626 
1665 
1701 
1769 
1819 


B. 

6789 
1112 
1139 
848 
621 
1189 
1153 


00 
00 
47 
39 
40 
68 
25 


E. 

00 
00 
59 
24 
23 
30 
40 


Het geheel bedrag van 
aangewonnen land in 


het ingedijkte of 
den Westelijken 


12853 


20 


76 



s 

(133) SmITH, a. \v. bl. 422. 

(135) Akends, Erdbeschrcib. S. 262, 263 , en OstfriesL u. Jever , I, 
157, 158 , inzonderheid II, 143, 144, cn III, 510, 511, heeft de 
ligging en grootte van deze en andere polders grootendeels opgegeven 



Digitized by Googl 



121 



B. Bedijkingen in den Oostelijken boezem, 
• a. In het Zuidoostelijk gedeelte, nog tot Gro- 

ningen belioorende. 

Onzen weg vervolgende waar wij dien bij Finserwolde 
hebben verlaten , zoo kunnen wij hier de sporen van eene fc 
oude bedijking nagaan, welke onmiddellijk bij de kerk de- 
zer plaats oostwaarts geloopen heeft naar Veenhuizen en 
dan zuidwaarts door de Tjamme noordelijk langs Beertstcr 
Hoogen evenwijdig met het Beertster diep , en langs Beerta 
naar de Zandhoogte , waaraan zij aangesloten zal hebben. 
Bij Finserwolde is zij kenbaar in een voetpad, waaraan vroeger 
huizen gestaan hebben en aan de dwarsslooten. Deze zal 
hier wel de uiterste bedijking zijn, schoon de Dollard, 
blijkens den kleigrond , die met een hoek tusschen Finscr- 
wold en de Beerta zich binnenwaarts uitstrekt, nog ver- 
der is doorgedrongen, misschien door de Tjam, welke 
midden door den kleigrond loopt en welke dan ter plaats, 
waar deze dijk haar doorsneed, een zijltje zal gehad heb- 
ben , om het water van Finserwolde en de Beerta in den 
Dollard af te voeren. Ten zuiden van de Beerta loopt hij 
bijna langs den rand der klei. Deze dijk wordt wel voor 
een ouden zomerdijk gehouden. Overigens is er niets van 
bekend, wanneer hij gelegd is, en het dus twijfelachtig, of 
hij als een vervolg van den dijk van 1545 te houden of 
vroeger of later ontstaan is. — Ditzelfde is ook van den 
naastvolgenden te zeggen. Ten zuiden van de Zandhoogte 
kunnen wij duidelijk een dijk vervolgen tot de Rensel, 
waar deze niet ver van Winschoterzijl eene bogt maakt; 
maar er zal nog wel een meer binnenwaarts gelegen en 
geloopen hebben naar Winschoten. De klei strekt zich tusschen 
beide met eene bogt tot naar Oostereinde en Bovenburen 
uit en wordt hier Buitenland genoemd, even als beoosten 
de Beerta en voornoemde bedijking aldaar. Ten zuiden 
van Winschoten doen zich weder verdere sporen van dij- 
ken op, die deze plaats van deze zijde tegen het water 



en berekend naar do kaart van iiomann van 1784 , do verkleinde van 
beckekinou; wij behoeven niet te zeggen, dat z'ync opgaven derhalve 
onnaauwkcurig en niet meetkundig juist zijn. 



Digitized by Google 



122 



beschut hebben. De straat, die van den toren af eerst 
regt, later gebogen loopt, en die aansluit aan de hooge 
gaastgronden , welke noordelijk van de eigenlijke tegen- 
woordige Gast of Garst tot naar het zuidelijk en westelijk 
gedeelte van Winschoten loopen, heet de Vüschersdijk en 
is hoog, in vergelijking van de tuinen, die daaraan gren- 
zen. Het is wel te gelooven , dat deze straat een dijk is 
geweest, die zoo genoemd is naar de Dollardvisschers, welke 
daar woonden , en daar wel gelegenheid moeten gehad hebben 
tot visschen ; want dat het water hier hoog genoeg gestaan 
of geloopen heeft , bewijst de dikte der kleilaag , welke 
kort aan Winschoten van 1.5 tot 2 E. den grond bedekt 
Bij Winschoten treft men nog sporen van een ouden dijk 
aan, komende van de Kensel, 300 E. westelijk van den 
daarin gelegen grondpomp voor het doorlaten van het Zui- 
derveenster water, zonder dat men bespeurt, van waar hij 
verder mag zijn gekomen. Deze dijk loopt op Hoogebrugge 
aan en is meer dan eens doorgebroken , daar er ten minste 
drie kolken in geweest zijn, die later geslecht zijn, maar 
waarvan het vroeger aanwezen uit de meerdere laagte van 
den grond nog is aan te wijzen; ook weet men nog van 
twee dier kolken, dat zij in deze eeuw zijn gedempt 
De kamp , waarin aan de Rensel de dijk lag , heet nog de 
KoUckamp , en zijne ligging is daar langs dwarsslooten nog 
duidelijk zigtbaar. Van Hoogebrug liep deze oude dijk 
langs de Gare laan oostwaarts en boog zich om Blijham; 
want alhoewel zijn loop daar op het terrein niet juist meer 
te herkennen is, is het toch wel zeker, dat hij zich aan 
den Aadijk aansloot, daar, waar de Versche dijk, zijnde 
de waterscheiding tusschen Lutjeloo en Blijham, aan den 
Aadijk komt Verder zuidelijk zal er wel geen buiten- 
dijk gelegen hebben. De kleigrond strekt zich nog ver 
boven dien ouden dijk uit tot aan Blijham, westwaarts 
tot Stroobos zelfs aan de Pekel Aa, en oostwaarts nog 
zuidelijker langs de Westerwoldsche Aa tot aan de Wed/ter 
bergen of zandhoogten , maar dit zal op beide punten het 
gevolg zijn van de in- en overvloeijing van die beide 
stroomen. Na deze bedijking moet in de Pekel Aa bij Hoo- 
gebrug eene sluis zijn gelegd tot doortogt van het water. 
De naam van Binnenland voor dat kleiland achter Blij- 
ham strekt ten bewijs , dat het binnen de dijklinie is be- 



Digitized by GoOgi 



123 



vat geworden. De Laudijk tusschen den Aadijk en de 
Pekel Aa is nog eene bestaande verscliwaterkeering en 
do scheiding tusschen de beide Tien en Vier Karspelen 
Zijlvesten, en zal wel tot geen ander einde gediend heb- 
ben. Behalve aan beide eindpunten is de kleigrond op 
een aanmerkelijken afstand van dezen dijk verwijderd. De 
veen- of darggrond aan de buitenzijde hiervan langs de 
kleistrook is ook wel met eenige klei vermengd en daar- 
door zeer vruchtbaar, terwijl de aan de buiten- en binnen- 
zijde van dezen dijk grenzende bodem daarentegen schraal 
en met heide bewassen is , zoodat men aldaar uit eene zeer 
vruchtbare streek plotseling als in een woest oord komt 
Verder naar Wedde treft men langs de Aa noe eene 
soort van zoetwaterklei aan , maar die men althans tot aan 
die plaats voor eene gemengde, zoet- zoowel als zout- 
watervorming zal te houden hebben. Even als aan de 
westzijde, zoo heeft ook aan de oostzijde de Westerwold- 
sche Aa zich een breede kleizoom gevormd , voor een deel 
vrij scherp begrensd door den Ouden weg, waarlangs vroe- 
ger Vriescheloo en Bellingwolde waren gelegen (bl. 65) , 
zoodat deze weg misschien ook als dijk gediend en hare 
wateren gestuit heeft, tot dat de volgende en hier 
dan eerste bedijking over de Oude Schans dien hoofd- 
stroom heeft afgesloten, even ais de andere in de- 
zen uitstroomende zijtakken. Zoodanige zijtak zal toch 
reeds, vóór dat zij door den Dollard onderschept is 
geworden, geweest zijn de Pekel Aa en van deze 
weder misschien de Rensel, of deze tak moest eerst 
gegraven zijn bij den aanleg van de oude schipvaart van 
de stad naar 't Oldambt in 't laatst der 16de eeuw, waar- 
van dat kanaal, als het oude Winschotcr diepje, een deel 
zal uitgemaakt hebben (bi. 22). Die stroomen echter, 
de hoofd- zoowel als zijstroomen, zullen intusschen veel 
verandering ondergaan hebben, even als later, nadat zij 
weder binnendijks gebragt zijn, door vergraving. 

Rekenen wij wat, buiten dit, door die eerste bedijking 
aan land gewonnen werd, dan bepaalt zich dat hoofdzake- 
lijk tot de strook Binnenlanden van Blijham en Winschoten ; 
doch binnen welk tijdsverloop die aanwinst plaats had, 
weten wij niet, als zijnde het begin, zoowel als het einde 



Digitized by Google 



124 



daarvan , of de tijd dier bedijking , onbekend , althans geheel 
onzeker, even als van de meest volgende. 

Als tweede binnendijking is te beschouwen de oude dijk, 
welke van meergenoemde Zandhoogte in 'het westelijk ge- 
deelte van de Beerta ontsprong, zoo als wij gezegd heb- 
ben (bl. 121), zuidwaarts door de Noorder Wuppen naar de 
Kensel liep, van hier naar de Pekel Aa en, verder oost- 
waarts zich wendende, voortging naar de Westerwoldsche 
Aa bij de Oude of de Bellingwolder Schans, om van hier 
met eene buitenwaartsche bogt zich te begeven naar de 
Bone Schans op onze grenzen en te eindigen bij Bunde 
in Oostfriesland. Van de Zandhoogte tot de Rensel is de 
ligging nog bekend , van de Rensel tot het Pekcla-diep 
eenigzins onzeker , maar van dit diep tot en over de Nieuwe 
Aa (die vroeger de Recker Aa werd genoemd) is hij dui- 
delijk terug te vinden , verder tot de Oude Schans wel niet 
meer, maar van daar tot Bunde weder overal even goed, 
vooral aan de kolken, daarin gescheurd, waarvan zich nabij 
de Oude Schans drie en verder naar de Boner Schans zeven 
tusschen beiden bevinden. Het is mogelijk , dat deze dijk , 
aan de Rensel gekomen , zich verder aan de Winschoter 
hoogten heeft aangesloten , en dat er alzoo tusschen de Rensel 
en het Pekela-diep geen tweede dijk gelegd is. In dat 
geval kon ook de dijk oostwaarts van dat diep zich bij 
Hoogebrug hebben aangesloten, en de zijl, die hier in de 
Pekel Aa moet gelegen hebben , behouden blijven , die an- 
ders in de nieuwe dijklinie moest zijn verlegd. Deze ver- 
vallene dijk wordt van de Pekel Aa tot de Nieuwe Aa de 
Buiten Zandkampen gehceten, even als de daarop volgende 
oude dijk de Binnen Zandkampen, omdat ze beide bestaan 
uit eene streep zand , ter hoogte op sommige plaatsen van 
twee, op andere van drie tot vier voeten, waarvan ieder 
landbouwer een gedeelte in zijn heerd heeft liggen, en 
waaronder klei , even als aan weerszijden , is gelegen. Deze 
dijkpanden zijn dus van zand gemaakt ; want klaarblijkelijk 
is het door menschenhanden aldaar gebragt, en wel niet, zoo 
als sommigen mccnen , bij dijkbreuken opgespoeld. Men zal 
hier zand tot den dijk genomen hebben, om de klei te sparen, 
en zoodanigen dijk voor een ka- of zomerdijk sterk genoeg 
gehouden hebben. Het land tusschen den ouden dijk langs 



Digitized by Google 



125 

de Gare Laan en de Binnen Zandkampen ten westen de 
Nieuwe Aa gelegen, wordt de Twschendijken geheeten; 
dat beoosten de Nieuwe Aa Beüingwolder Nieuwland, en 
een paar boerenplaatsen aan den eersten ouden dijk, tus- 
schen het Pastorijdiep en de Nieuwe Aa, draagt nog 
den naam van Oude Dijk. 

Het water van Bellingwolde enz., dat door de Wester- 
woldsche Aa zich ontlastte, werd toen afgevoerd door de 
Beüingwolder zijl, daar, waar later de Oude of Belling- 
wolder Schans in 1593 door Graaf lodewijk van nassau 
is aangelegd; het overige water van Bellingwolde met dat 
van Wijmeer in Oostfriesland door een zijltje ter plaatse 
van de Bone Schans, op de zoogenaamde Moersloot, 
vroeger IlohoUsmaar genoemd; men heeft er nog in den 
laatsten tijd het houtwerk van die zijl in den grond terug 
gevonden. De Aa, die nu zeer gebogen om de Oude 
Schans loopt, heeft vroeger eene meer regte rigting gehad 
en midden door die Schans geloopen (135). 

Eene volgende binnendijking van Finserwolde af, is die 
van het hier onder gelegene Achter- ITamrik , de Vledder 
en het Modderland. Deze dijk liep van die plaats naar of 
over den Ganzendijk, den Egyptischen dijk en den Koedijk 
tot even door de Tjamme bij Marijke, zoodat deze latere 
nog bestaande dijken op dien ouden dijk mogen zijn aan- 
gelegd ; hij boog zich dan zuidwestelijk over Beertster IIoo- 
gen, kort langs de Zandhoogte, over de plaats, waar nu 
de boerderij de Kloostergare staat, naar de Winscho- 
ter zijl, d. i. die bij de houtzaagmolen gelegen, niet 
de eerste westelijke, welke in de verbinding van de 
Kensel met de Pekel Aa later gelegd is, en ging van 
daar westelijk tot den vorigen dijk, waaraan hij zich on- 
geveer op de helft tusschen de Nieuwe Aa en de Oude 
Schans aansloot; het is althans, de rigting in aanmerking 

■ 

(135) Volgens cene oude op het Stads Archief voorhandene geteeken- 
de kaart van de lange akkers en aan den Dollard en Eems liggende landen 
en aanwas van 1605, zoo als het opschrift luidt (van den voormaligcn 
Archivarius Mr. n. o. feitti). Op deze kaart vindt men voorts getec- 
kend , hoewel zeer onnaanwkcurig , van "Winschoter zijl tot de Oude 
Schans , de drie oude dijken , den loop van de oude en nieuwe Pekel 
Aa, het eiland Ulsda nog tusschen beide in den aanwas, enz. 



Digitized by Google 



126 



genomen , niet onwaarschijnlijk , dat dit laatste deel of pand 
ten zelfden tijde met het eerstgenoemde is aangelegd en 
ééne bedijking uitmaakt. Het is bekend , dat de kruin van 
dit gedeelte dijks eens de weg van de Oude Schans naar 
Winschoterzijl was. De loop van dezen dijk is slechts 
vermoedelijk aan te geven daar, waar hij noordelijk van 
Beertster Hamrik, zuidelijk op eenigen afstand van de 
Tjamme gaat, en de naam van Binnenland, aan het tus- 
schen dezen en den volgenden dijk gelegen land van 
de Beerta gegeven, zou doen denken, dat de volgende 
dijk hier de eerste was; maar een paar vroeger bestaan 
hebbende kolken in den eersten dijk bij de arbeiders wo- 
ningen, die zich nog aan den ouden weg van Beerta 
naar Drieborg bevinden en in de heerd van den Heer 
dorenbosch, alsook zijn zekere loop ten zuidwesten 
van dit punt, uit eene reeks van dwarsslooten ken- 
baar, maken ook daar, zoowel als hier, zijn bestaan 
waarschijnlijk. Van Winschoterzijl draagt hij den naam, 
als gezegd is, van Buiten Zandkampen , bestaande uit 
eene streek zand, even als de oudere dijk der Binnen 
Zandkampen, waaraan nog een aantal kolken zigtbaar is. 
Het tusschen beiden gelegen land heet het Nijland. Men 
wil (smith), dat deze dijk in 1454 zou aangelegd zijn; 
maar de dijk, destijds gelegd, ging niet verder dan tot 
Finserwolde (bl. 81), en het blijkt niet dat die toen of 
later vervolgd is. 

Door deze binnendijking was het noodig hier en daar 
de zijlen te verplaatsen. Finserwolde mag nu met de 
Beerta door het Marijke het water langs de Tjam ontlast 
hebben. De zijl op de Pekel Aa te Hoogebrug of de 
Bruggezijl werd naar Winschoterzijl , ter plaatse boven ver- 
meld, overgebragt, en Winschoten verkreeg toen mogelijk 
een bijzonder peil door het aanleggen van het Duiker Val- 
laat. Zoo dit toen gebouwd is , heeft men zeker de Pekel 
Aa tot aan Winschoterzijl met kadijken voorzien. 

Eene latere bedijking is die van Beertster Hamrik 
of de zoogenaamde Binnenlanden van de Beerta. Deze 
ging van den vorigen dijk bij het Marijke aan de Tjam 
met eene bogt over Stoksterhorn , of nu Drieborg, zuid- 
waarts en evenwijdig hier en daar aan dien vorigen dijk over 
Beertster Hamrik, welks boerderijen meest op dien dijk 



Digitized by Google 



127 



zijn gebouwd, tot naar het zuidwestelijk einde van 
de Heerensloot of de (oude) Pekel Aa en verder tot 
aan Winschoterzijl, sluitende dan hier weder aan den 
vorigen dijk aan. De oude loop is aan de dwarsslooten 
en aan de kolken , ten noorden van den Ulsder weg en de 
Aa aanwezig, nog zeer bepaald na te gaan. Men houdt 
dezen dijk vermoedelijk in 1550 gelegd (136); maar zekere 
berigten of andere gronden heeft men, zoo ver wij weten, 
daarvoor niet. Deze dijk wordt in oude stukken voor een 
deel, van de Tjam naar Drieborg, de Hamdijk genoemd, 
en deszelfs later vervolg naar de Nieuwe Schans en verder 
naar Nieuw-Beerta , de Zuidwending. Zij maakte geene 
verandering in de afwatering, noch werden er meerdere 
of andere zijlen gevorderd, maar er had toch eene veran- 
dering in den loop der Pekel Aa plaats. Deze liep name- 
lijk van Winschoterzijl niet langs het tegenwoordige diep 
naar de Bult in de Westerwoldsche Aa, maar langs ge- 
noemde Heerensloot om Ulsda , dat toen , zoo als wij 
gezien hebben , nog als een eiland tusschen beide stroomen 
in was gelegen (bi. 92). De Heerensloot staat dan ook 
in oude stukken nog als oude Aa bekend en de verlegging 
hiervan of der Pekel Aa had plaats in 1596 (137). 



(136) Smith, a.w. bl. 41. Feith, Gron. 23eklcmr.Il, 323, stelt omge- 
keerd te laat deze bedijking op het jaar 1636, als namelijk onder den dijk , 
waardoor hij zegt dat Nicuw-Beerta ontstaan is, die bedaking te ver- 
staan is en niet die van Stokstcrhom naar de Nieuwe Schans , welke 
door cenigen ook wel, schoon ook verkeerdelijk, op het jaar 1636 ge- 
steld en door hem niet genoemd wordt. De dijk van Drieborg naar de 
rivier de Pekel Aa wordt als nog bestaande afgebeeld op eene kaart, 
ook door bontko bennes in den jaro 1690 opgemaakt van de toen door 
hem gemeten binnen dezen straks te melden dyk gelegene landen van 
Oud- en Nieuw-Beerta en Ulsda. Eene Stadsresol. 15 Junij 1606 , nopens 
den dijk van Beerta naar Bellingewolder-zijl uit te leggen, bijgeschre- 
ven in het Reg. van de bitter, zal bovengenoemden dijk betreffen en 
wel deszelfs uitlegging , die men toen reeds blijkt voor gehad te hebben. 

(137) En wel ingevolge overeenkomst tusschen die van Winschoten en 
Blijham ter eener en die van Bellingwolde ter andere zijde, over de uitwa- 
tering uit de Pekel-Aa dwars over in de Bellingwoldster -watertocht of Zijl- 
diep van den 3 Julij 1596, bygevoegd in het Heg. van de bitter. De 
oude loop van de Pekel Aa om Ulsda wordt aangewezen op de ge- 
teekende kaart van b. bennes, en op die van 1506, in beide de vorige 
Aant. vermeld. 



Digitized by Google 



128 



Aldus werd langzamerhand de diepe zuidelijke inham 
van den oostelijken boezem ingekort. Men kan de grootte 
van het tot hiertoe ingedijkte land op ons grondgebied in 
den oostelijken boezem wel ongeveer aldus bepalen. 

Westelijk van den dijk , waarop Beertster Hamrik ligt , 
waren er nu onder de gemeenten Beerta 1352 B., onder 
Finserwolde 941 B., onder Winschoten 747 B. binnenge- 
dijkt; zuidelijk van den dijk van Winschoterzijl naar de 
Oude Schans waren onder Wedde en Blijham 1777 B. land 
gewonnen, terwijl deze dijk tot naar de Bone Schans on- 
der Bellingewolde en Vriescheloo 1955 B., onder de Nieuwe 
Schans 276 B. aan den Dollard had onttrokken. In het 
geheel waren er toen in dien boezem op ons grondgebied 
reeds 7048 B. land binnen dijks gebragt. 

Van de bedijkingen , welk» nu volgen en waardoor de inham 
verder afgesloten werd , zijn de jaartallen naauwkeuriger be- 
kend. Eerst werd er in 1605 van de Bone Schans ten westen 
langs den weg, die nu van die plaats naar de Nieuwe 
Schans gaat, een dijk aaugelegd, die tot aan de tegen- 
woordige Kruisstraat in die Schans en van daar gedeelte- 
lijk langs den ouden weg van die Schans naar Bunde 
voortliep, waardoor, zoo als wij straks zullen zien, Oud 
Bunder Nieutand aan de Oostfriesche zijde gewonnen werd. 
De mac-adam weg op Hannoversch grondgebied is op de 
kruin van dien dijk aangelegd. Den grindweg op ons 
grondgebied heeft men niet op den ouden weg aangelegd 
en de oude weg is in bouwland veranderd. Deze dijk is 
nog overal aan te wijzen. Later (in 1628) heeft men juist 
daar, waar de dijk zich oostwaarts boog, de Nieuwe Schans 
aangelegd, welke gedeeltelijk binnen, gedeeltelijk buiten 
dien dijk is gelegen, en wel op den ouden grond van 
Houuringaham, althans zoo is deze Schans ook benoemd gewor- 
den (bl.63); maar zij heeft den naam behouden van Nieuwe 
of Lange Akher Schans en deze laatsten naam verkregen 
naar de aldaar gelegene , d usgeno emde lange akkeren (Aant 
135), even als dewijl, , daarbij vervolgens gelegd. In de 
oostelijke gracht dezer vesting, juist in de dijklinie, vindt 
men eene kolk, alwaar thans nog wel 8 — 9 E. water staat 9 
zeker als het gevolg cener doorbraak, vóór den aanleg 
daarvan voorgevallen. 
Door deze bedijking werd de zijl bij Bone Schans nut- 



Digitized by Googl 



129 



teloos, en er werden twee nieuwe zijlen gebouwd. De 
eene voor Wijmeer, op het oude Wijmeerster Diepje , voerde 
het water een weinig oostelijk van het tegenwoordige 
Israëlietische kerkhof door den nieuwen dijk ; eene andere, 
op de Moersloot, die toen daar langs liep, waar nu de 
ruime marktplaats in de Nieuwe Schans is, voerde het 
water van een gedeelte van Bellingwolde naar den Dol- 
lard. Deze zijl werd de Lange Akker Zijl genoemd. De zijl 
op de Oude Schans bleef bestaan. 

Hierop volgde nu de afsluiting van de intusschen verder 
aangewassen landen van de Beerta, Blijham en Belling- 
wolde, van Drieborg of Stoksterhorn naar de Nieuwe Schans, 
door de ingelanden zelve, maar ook onder opzigt der stad 
Groningen , die intusschen door aankoop van het leen der 
Heerlijkheid Westerwolde, waartoe de beide laatstgenoemde 
dorpen van oud Reiderland gerekend werden, ook mees- 
teres van dat landschap en die dorpen was geworden, en 
wel in het jaar 1619. Zij maakte daarenboven , even 
als hare voorgangers, aanspraak op de aanwassen dier 
dorpen, en deze moesten die vrij koopen (in 1630) voor 
de aanzienlijke som van / 20000, welke de stad ont- 
ving , terwijl het leen haar gekost had / 141300 (138). 
Zij deelde ook mede in de onderneming, als zijnde 
zelve eigenares van landen en aanwas op de Ulsda 
enz. (139). Men schijnt reeds het plan daartoe in 1625, 
zoo al niet vroeger, opgevat en toen een kadijk ge- 
legd te hebben naar en langs de Aa en eerst voornemens 



(138) Zie het aan getee kende hierover door fbith, in Groninger Be~ 
klemregt , I, 354 enz. 

(139) Zij bezat al vroeg land te Ulsda en had volgens eene Transac- 
tie van den 31 Mei 1613 nog aangehandeld van de Kerkvoogden van 
Bellingwolde den aanwas met zeker hoekje lands tusschen de Bellingwoi- 
der (of Westerwoldsche) Aa en het Winschoter Zijldiep (of de Pekel Aa) 
gelegen, groot 5 deimt, luidens aanteekening van feith, op het Regis- 
ter van de bitter, en dit benevens overig Ulsda werd van de Beerta 
op nieuw gescheiden door het opgraven van de Hterenêloot of de Onde 
Pekel Aa, de oude grens tusschen beide , en alsoo het verschil daarover 
met Beerta bijgelegd bij Accoord tusschen die stad en die van de Beerta 
over de nije aangewassen landen bij <f Ulsda, van den 20 December 1617, 
in afschrift aanwezig bij den Heer Notaris Mr. s. c. h. piccardt. H ierbij 
werd al wat ten oosten die sloot lag aan de stad , en wat ten westen lag , 
aan Beerta toegewezen. 

9 



Digitized by Google 



130 

geweest te zijn de overdijking te doen over Ulsda, zoover 
de aanwassen toen begroeid waren, maar die werd nog 
uitgesteld (140). Zoo was ook het plan, toen dit hervat 
werd in 1636, tevens met den aanleg van het Beertster 
Zijldiep , gelijk uit de stukken daarvan blijkt (141) ; maar 

(140) Zie over den (en dien jare voorgen om ene Beertster overdijking 
de Sta Res. van den 14 en 26 Maart 1625; over de Ulsda, die 
van den 21 Mei en 11 Junij 1625, in welke laatste zij uitgesteld is, 
doch in die van 25 Julij 1625 weder besloten van Stoksterhorn naar Bon- 
der Nieland twee zijlen te maken, en den 1 Octobcr nog in overweging 
genomen, maar den 13 Mei 1626 besloten, de Beersterdijking dat Ujaar 
alleen te repareren , de verdere in overweging te houden ; ten gevolge waar- 
van dan ook bij Raadsrts. van den 12 Junij 1626 bepaald werd, die 
van de Beerta te constringeren tot volvaardiging van den nieuwen dijk en 
de sluiting aan de Zuitwending en verder naar Stoksterhorne en Finserwolde. 
Onder den eersten zal te verstaan zijn de voornoemde dijk, die er toen 
alreeds bestond, maar hersteld is van de Pekel Aa tot Nieuw Beerta, 
gelijk onder de Zuidwending deszelfs bogtig vervolg naar Stoksterhorn. 

(141) Het eerste Artikel van het Acooord , daarover den 1 3 Februarij 1636 
gesloten tusschen de Stads en andere Gecommitteerden (als de volmagten van 
de Beerta met Ulsda en Windeham , van Bellingwolde met Houwingdham , van 
Bleijham en van Winschoten) , luidt , naar een afschrift ons geworden , aldus : 
„Dat om de Beerster , Bleijhamster en BeUingwolsterWterdijcken , een dijck 
„sal worden geleekt , beginnende van Doeke Bichts huis schuuckwers na de 
„süjck , ende voorts op 't groene landt, over de Beerster endeülsder ende 
„Bellingewoldster Wterdijcken tot aan Gaye Fockes huis in de Hamahe ofte 
„daeromtrent hooch ende dick nae vereisch ende tot ordre der Gecom- 
„mittcerden." In Art. 9, hiermede overeenkomstig besloten in de Wes- 
terwoldsche Aa oene of twee z\jlen te leggen, en in Art. 17: „End- 
„Ujk is bedongen, dat so haest het land tusschen de lang acker Schanta 
„ende Storcksterhorne eene groene sweerde sal hebben (sestich roede, 
„elck roede van 21 voet, voor het Canael afgeslagen) sullen voorscr. 
„kerspelen geholden wesen gchjckelgk . . . een nieuwe overdijekinge met 
„de nodige zijlen temaken, gaende de dijck van Stocksterhorne volgens 
„tegenwoordige Kadijck , ende so dwars over na de Schansz." Art. 18. „So 
„oock bij hoogerhand soo daene overdijeke verhindert worde, zullen de 
„Kerspelen voorscr. geholden zijn met een dijck gaende van de lang 
„ackerschans de Aa langs, insgelijcks aen d' ander zijde met een dijck 
„gaende van Storcksterhorne, volgens de Kaadyck op de Aa, langs de 
„landen, groen zijnde, in te dij eken." In de nadere Interpretatie van 
n eenige poincten van dat accoord van den 9 Maart 1836 wordt gezegd, 
„Art. 1: „Alsdat die tijd van Wtdijkinge in voorscr. contract niet geex- 
„ primeert, wordt wtgestelt tot ancomende jaer, sulx dat ditjaer die al- 
„daer genoemde beide sylen en de grondsp met den allereersten sullen 
„ worden wtbestedet" enz. Volgens R. R. van den 28 Junij is de Beert- 
ster zijl uitbesteed cn volgens die van den 25 Augustus van dat jaar het 
graven van het diep. 



Digitized by Google 



131 

men besloot eindelijk den dijk dadelijk zoo ver vooruit te 
leggen van Stoksterhorn of Hamsterhoff y zooals het heet , na 
de Lange Akker Schans, als zijnde de kortste en zekerste, 
schoon kostbaarder weg, wegens den nog weeken grond 
aldaar, en het gevaar van hooge vloeden (142). Het diep 
werd wel gegraven, maar de dijk toen nog niet gelegd. 
Men begon er eerst weder ernstig aan te denken in 1643, 
en de hand aan dit werk te slaan in 1656 , zoodat dit in 
het volgende jaar volvoerd werd (143). Zoo kwam ten laatste 
deze gewigtige afsluiting tot stand , waardoor verreweg de 
grootste polder werd gewonnen. Van dezen polder immers 
behooren 1154 B. 75 R. 70 E. tot Beerta en Beerster- 
hamrik, de Ulsda is groot 239 B. 35 R. 40 E., onder de 
Nieuwe Schans behooren van dezen polder 424 B. 78 R. 
28 E., onder Bellingewolde 371 B. 12 R. 69 E., onder 
Blijham 174 B. 79 R. 75 E., zoodat de geheele polder 
een inhoud heeft van 2364 B. 81 R. 82 E. (144). 

Er hadden de volgende veranderingen met de uitwate- 
ring plaats. De Westerwoldsche Aa had daarbij niet dien 
loop, als zij nu heeft, maar stroomde van Tuitjehut in den 
Dollard , langs de sloot , die van daar nog de oude Aa heet 



(142) Zie het Rapport der Stadsgecommitteerden van den 1 April 1636 
over de voorgestelde overdijking , en het verhandelde in de Stadsres. 
van 8 April 1836. Uit die van 9 October 1638 en 19 Maart 1641 blijkt, 
hoe de zaak nog steeds door de stad werd aangehouden. 

(143) Zie de Stadsres. van 6 Mei 1643, 27 Mei 1651, 4 Julij 1655, 
23 December 1656. Toen werd er rapport gedaan van de uitbesteding 
van den Stockhomster dijk voor ƒ 72,170, en in het volgende jaar, niet 
zonder tegenkanting echter van den Raad van State , de legging daarvan 
met kracht doorgezet, volgens Res. van den 8 Jan., 11 April , 9, 23 en 
30 Mei, 10 en 20 Junij , 18 en 20 .TM)', 9Sept.en 10 October 1657. Hke- 
res, Bellingwolder Schans, Gron. 1820, en westendorp in k rem er, 
Beschrijving van Groningen, TL, 119, stellen die bedijking op 1636, de 
laatste namelijk den aanvang der bedijking, die eerst in 16 jaren zon 
zijn afgeloopen, dat ware dus met het jaar 1652; arends, Noordzeekus- 
ten, II, 189, op 1626 reeds, maar een en ander dus te onregt. 

(144) Deze polder is ook gemeten , even als die van het Oud Nieuw- 
land , in 1 690 , door den Landmeter bootko benwes , die dezen polder 
tevens op de kaart heeft gebragt, boven (Aant. 136) vermeld, waarvan 
eveneens cene kopij op het Provinciehuis te Groningen aanwezig is van 
dezelfde hand, als door welke de kopij van het Oud Nieuwland is ont- 
worpen. 



Digitized by Google 



132 



In deze oude Aa werd bij de bedijking van 1657 de zijl 
gelegd , de Aa-Zijl geheeten. De Stadsregering groef daarna 
in 1661 een nieuw kanaal uit de oude Aa bij Tuitjehut 
tot nader bij de Nieuwe Schans en legde in deszelfs mond 
eene tweede sluis of Aa-Zijl. Deze uitwatering zou dienen 
tot meerdere schuring der muden , vooral mede der Lange 
Akker Zijl, die sterk toeslijkte, en deels ook tot eene ver- 
dubbelde ontlasting van de Westerwoldsche Aa; misschien 
ook wel , opdat de Nieuwe Schans dien stroom zou kunnen 
bestrijken (145). Beide zijlen komen op oude kaarten nog 
voor en schijnen in den vloed van 1669 weggespoeld te 
zijn, waarop de eerste verlaten en de Aa gedempt, en 
voor de tweede in 1670 eene nieuwe zijl en uitwatering op 
eene andere plaats, tusschen beide vorige in , gelegd is (146). 
Deze is de Tien Karspelen Zijl genoemd , naar de tien ker- 
spelen in Reiderland en Westerwolde, welke daardoor uit- 
waterden, nu ook weder de Oude Zijl, alhoewel zij niet meer 
aanwezig is, daar zij door de legging van de Staten Zijl of 
GeneraUteits Zijl door den Raad van State in 1707 in eene 
binnensluis is herschapen en eerst behouden gebleven , om 
de schuring van de binnenmude van die Staten Zijl te be- 
vorderen , maar later om de kosten van onderhoud is wegge- 
nomen. De Lange Akker Zijl werd ook verlaten door Bel- 
lingwolde , toen dit dorp in 1657 zich geheel , zooals wij zullen 
zien, onder de Beertster Zijl begaf; zij werd voorts nutte- 
loos door de bedijking van den Charlottenpolder in 1682, 
en deze weg van uitwatering voor de naaste Oostfriesche 
landen ook door anderen vervangen. Er lag bevorens bij 
de Nieuwe Schans in de Aa ook nog een zijltje, de Zurijne 
Zijl geheeten, waarvan de plaats nog aanwezig is. Deze 
is gelegd door Bellingwolde , toen het diepje uit de Aa tot 
naar de Nieuwe Schans niet aanwezig was, naar wij mee- 



(145) Kkkmeu, a. w. II, 120. Raadsres. van den 4 en 15 Mei, 22 
Jttnij 1661. Bellingwolde en Westerwolde waren voor den aanleg van 
deze «ijl, doch Beerta, Winschoten en Blyham er tegen en weigerden 
er toe cn tot onderhoud bij te dragen , maar werden daartoe bijzonder- 
lijk verwezen, als zijnde de overdijking ten hunnen behoeve vooral ge- 
schied. Zie nog R. R van den 30 Maart 1667 cn volg. 

(146) Zie Stadsvee, van den 10 cn 15 October 1669, 30 April, 19 Mei, 
27 Junij cn 25 Mij 1670. 



Digitized by Googl 



133 



nen , alleen voor het binnenland tusschen den Haradijk en de 
Aa, en wel in het jaar 1689, nadat en doordien in 1686 de 
Beertster Zijl was vernield geworden (147). Het over of ten 
westen van de Aa gelegene Bellingwolder Nieuwland , met 
de Oude Schanscher Uiterdijken, had zich reeds vroeger 
met Winschoten, Blijham en de Beerta afgescheiden van 
het Tien Karspelen Zijlvest De sterke aanwas had de af- 
watering van deze achter of boven liggende landen al meer 
en meer zoo moeijelijk en lastig gemaakt, dat zij, niette- 
genstaande die verbeteringen en maatregelen, wel gedron- 
gen werden hunne oude gewone afwatering langs de Wes- 
terwoldsche Aa te verlaten en eene nieuwe op te zoeken. 
Zoo bragten gezegde kerspelen in 1636 de hunne langs 
een anderen weg over in den Dollard door het graven van 
het Beertster Diep en het leggen van de Beertster of Vier 
Karspelen Zijl bij Finserwold, zooals die waterlossing, schoon 
met eenige verandering, nog bestaat en dus genoemd is 
naar voornoemde vier daar onderhoorige dorpen (Beerta, 
Winschoten, Blijham en Bellingwolde) , even als ook wel 
Fïnserwolder Zijl in oude stukken, als binnen den omtrek 
van dat dorp gelegen. De loop van het hoofddiep met 
zijne toevoerende kanalen is hoofdzakelijk nog zoö , als het 
toen is gegraven langs de Beerta; en de zijl zal ook nog 
wel ongeveer op dezelfde plaats liggen, daar waar de 
Egyptische dijk raakt aan den Ganzendijk, schoon de zijl, 
eerst in 1669 en vervolgens in 1686 weggespoeld zijnde, 
meer dan eens vernieuwd is, gelijk ook het diep wel iets 
vergraven (148). Er werd dadelijk in 1636 ook bij ingela- 



(147) Stadsres. van den 29 April, 26 Augustus en 26 September 1689, 
waarbij aan Bellingwolde door de stad is toegestaan het leggen Tan de- 
ze zjjl cn het graven van eene griffie door stads land, onder voorwaarde 
van mede de Dollarddijkcn der vier kerspelen te onderhonden, waarover 
met de stad verschil ontstond, en wat ook Blijham weigerde, tot dat zij 
toegaven. li. R. van den 20 Maart, 15 en 31 Mei, 29 Augustus, 8 en 
11 October, 21 November 1690. Hiernaar zal dc zijl en griffie ook wel eerst 
in dit jaar voleindigd zijn. 

(148) Men schijnt eerst het plan gehad te hebben het diep van daar , 
waar het in de Tjam kwam, langs dit oud stroompje te leiden cn dus 
aan zijno nitlozing de zijl te leggen, volgens do Wtsprake hoe die van 
Winschote ende Blijham socken deur die Beerta ende Finserwolder Hamrijk 
na die nije Sijl wt wateren, van den 16 1636, waarin o. a. door do 



Digitized by Google 



134 



ten het aan de noordwestzijde van de Westerwoldsche Aa 



volmagten bepaald is , volgens eeno kop\j , bij den Heer oeorqius te 
Blijham berustende : 

1. „ Dat de van Blcyham sullen graven een diep , van omtrent Win- 
„schotcr zijl ten oosten langs de Oostersche Wibbinge tot aan Beerster 
„wech, wijdt sestijn voeten, diep ses voeten." 

2. „En le de van Winschote van do Fekel Aa tot aan de Rensel 
„door 'tland van de Erfg. van "Vreerk Doedens ende ten westen van 
„bcere Haijkens Wibbinge, een sloot van acht voet, ende van do Ren- 
sel bijlangs do Westersche Wibbinge , ende voor een gedeelte langs de 
„wech tot aen't poinckt van Wibbinge landen, een diep wijdt 20 voet, 
„diep ses voeten." 

3. „Sullende om 't water onder de Pekel Aa ende Rensel door te krij- 
„gen voor do van Blijham worden gelecht een grond zy'1, wijdt 12 voe- 
„tcn, hooch 5 voet binnenweres, endo voor de van Winschote dergelijcke 
„pompo van 8 voeten wydt, hooch 4 voeten." 

4. „Endo vando voorscr. poinct vande Wibbinge landen bij langs de 
„Beerster wech tot aen Geert Suntz off Herman Sickens huis , endo voorts 
„met een zijdwendingho om de hoochto vande Bcerta, endo cndelyck bij 
„ Herman Zorns landt weder bij langs do voorscr. wech , tot verbij de 
„oklc Zijdtwendinghc , recht uit na do Tiammc worden gegraven een 
„diep van 80 voet wijdt, ondo diep in 't lege landt 6 voet , endo in *t hoogc 
„ dieper na gclcgenhcit van 't landt." 

5. Endo» dan langs de Tjamme tot omtrent an 't Oosten van Finser- 
„woldor zijldiep of Torpscn" (in eeno andere kopij staat: „omtrent an 
„het ooster ofto an Finserwolder zijldiep of torpsen") „ endo van dacr met 
„een zijdtwendingo tot aende nijo zijl, alles op voors. wijtte van 30 endo 
„diepte van sesz voeten." 

7. „Sullende de kosten vande zyl ende grontzijlcn met den aenclcef wor- 
„den gevonden volgens 't gemaecte accoort over de vier kersspclen , Bel- 
„liugcwolde, Blyham , Winschoot endo Beerta, ende van de gravinge 
„tot aan 't point van Wibbinge bij Blciham ende Winschote respective, 
„ ende van daer tot in de Dollart bij de drie kersspelen Winschote , Beerta 
„ende Bleiham elx een gerechte darden diel uitgesecht dat elck sijn Tiammc 
„sal verwijden op 15 voet aen elcko zijdt, makende voorscr. 30 voeten 
„wijdte, ende diepte ais voorscr. van zesz voet." 

In de Naerder interpretatie van eenigc beswarenissen tusschen de vol- 
magten van do Bcerta en dio van Winschoten en Blijham van den 29 
Aug. 1836 is echter bepaald (ook volgens afschrift by den Hr. ficcarot) : 

1. „Dat dc zijl sal worden gelecht ten westen van do Tilde terplaet- 
„ sen bij den Rentcmestcr alriede afgesien , ep de diepte van de ordinaris 
„leegste ebbe in de Dollart, endo het diep en stuck by langs de dijck , 
„recht uit tot aen 'twest ende van Finserwolder pastorie tyn ackeren, 
„endo voorts langs dc westzijd van dcselvctyn ackeren tot in de Tiamme." 

2. „Welke Tiarame sal worden gegraven uit de mande van de drie 
„kerspellen gelyek in de vooryge uitspracckc van 't diep door dc Bcerta 
„is gesccht." 



Digitized by GoOgL 



135 

gelegene deel ran Bellingwolde (149), hebbende het ander 



3. „Wolck diep in 't west ende van do Becrta met de roijingc sul 
., blijven bij langs de wech tot de roij in go van omtrent Be erts Smits huis 
n na benedon genoomen, ende deselve beneden mij in ge ge volgt tot aen 
„ de Til omtrent an 't Oosten van Nantko Walrix huis heert ende van 
„daer recht na die Tiamme" enz. 

Die in Art. 2 vermelde graving van de Tjam had nu ook niet plaats 
op de diepte van 30 voet, maar op die van 20 voot, volgens Raads- 
hui. 20 Aug. 1636, en z\J is dus niet tot hoofddiep vergraven, als eerst 
besloten was. Hoe dit is geleid , zou ons kunnen leeren do Raadsres. 
25 Aug. 1636, waarbd besloten is, het uit te besteden en den weg in 
Finserwold naar do Beerta te leggen van den Veenhuister weg ten oos- 
ten bij langs *tnye diep tot an de Tjamme, en van daar westwaarts ten 
zuiden van dat diep naar de Beerta, of oostwaarts b\j langs de Tjam 
naar 't Hamrik , — wanneer dit duidelijk genoeg was ; misschien nog eerst 
een eind weegs langs de Tjam, en dan zooals het Bellingwolder Zijl- 
diep loopt, dat eerst zoo ver tot Beertster Zijldiep kan gediend hebben. 
Dit schijnt ook te volgen uit de nieuwe graving van het diep, nadat 
de Beertster Zijl in 1686 was weggespoeld en in 1689 door eene nieuwe 
is vervangen geworden , hebbende het veel moeite gekost de hierdoor 
geslagene diepe kolk meester te worden. Bij de eerste wegspoeling der 
stfl in 1669 schijnt hierin geeno verandering gemaakt te zyn. Zie o. a. 
Raadsbesl. 15 Oct. 1669 , 19 Jutij 1670 ; omtrent de weggespoelde zijl in 1686 
en hare herstelling , R.R. 1 en 18 Maart 1687 , waarbij die van Finscrwoldc 
worden gelast , ten spoedigste de groote kolk te omvangen , en die van de 
Beerta , het Hamrik , Winschoten , Bellingwolde en Blyham hen te hel- 
pen; RJt. 28 Mei 1687, waar de nieuwe ztfl te leggen; R.R. 2 Junij 
1687, over de herstelling van de nieuws doorgebroken kaijing om de 
groote Finserwolder kolk; RJL 7 en 13 Junij 1687, de nieuwe Beertster 
zijl te leggen, ten westen van het oude zijlgat, en de Beertster uitwatering 
te graven door het Fledder in , of een weinig boven , of beneden het FUdder- 
diefje; voorts R.R. 21 Julij , 8 Aug. , 6 en 12 Sept. 1687. Doch toen 
schijnt de zijl nog niet tot stand gekomen te zijn; want volgens R.R. 29 
Maart 1689 is de Drost van het Oldambt gelast de ingezetenen der 
hierbij betrokkene kerspelen te dwingen het zijlgat te Finserwold te 
stoppen, opdat dit niet verder afspoelde, cn andermaal den 7 Mei 1689 
besloten, do sjjl weder bij het oude zijlgat te leggen, zoo als toen dan 
eindelijk ook geschied is, en verder daaromtrent nog handelen de R.R. 
15 Mei , 18 en 30 Julij alsmede 6 Aug. enz. van dit jaar. In het laatst- 
genoemde besluit worden Beerta, Winschoten en Blyham nog toegestaan, 
door drie Finserwolder heerden te graven eene nieuwe waterleiding,, 

(149) In de overeenkomst van 13 Febr. 1636 luidt Art. 11 daarom- 
trent: „Sullende die van Blgham en een gedeelte van Bellingewoldc 
„over de Aa mit een grondzijl onder de Pekel Aa omtrent de Hcere 
„ sloot ofte Olde Aa werden gerijft , wclckc Hcoresloot ofte Oldc Aa 
„die van Blijhnm, Winschoot en de Beerta voorts sullen opgraven tot 



Digitized by Google 



» 

136 



deel aan gene zijde van de Aa met Vriescheloo en andere 
dorpen van Westerwolde nog volgehouden door de Lange 
Akker Zijl uit te wateren tot in 1657, toen , bij gelegenheid 
der overdijking van Stoksterhorn naar de Nieuwe Schans , 
hieraan ook eene uitwatering is vergund door de Beertster 
Zijl, en toen het BeMngwolder Zijldiep gegraven, althans 
tot aan en in de Tjamme (150). Ten gevolge van de wegspoe- 
ling van de Beertster zijl in 1686 heeft Bellingwolde be- 
oosten de Aa zich weder afgescheiden en eene afwatering 
verkregen door de Zwijne Zijl bij de Nieuwe Schans, als 
reeds gezegd is, tot dat beide deelen zich weder hebben 
vereenigd en begeven onder eene afzonderlijke zijl, de 
BeMngwolder Zijl, nevens de Beertster Zijl in 1704 gelegd. 
Daartoe werden boven de Oude Schans en bij Klein Ulsda 
grondpompen onder de Aa doorgelegd , en het BelUngwol- 
der Zijldiep tot aan de zijl door gegraven (151). De uit- 
watering door beide genoemde zijlen is echter vooral be- 
lemmerd geworden door de indijking van den Finserwolder 
polder in 1,819. De Bellingwolder Zijl is zelfs geheel verlamd 
geworden, door eene verstopping in de buitenmude in 1833, 
welke dien ten gevolge in 1837 afgedamd, in 1841 wel 
heropend en geheel hersteld , maar vervolgens ook weder 
werkeloos is geworden. Bellingwolde waterde dan sedert 
alleen weder in de Aa uit. Zij had daartoe reeds op nieuw 



„aen voorscr. nije zijl." In hot volgende Art. 12 is ook vergund aan 
Blijham , om Lutkcloo en de Hoorn , en aan Beerta , om Oostwold en 
Finserwold mede in en door te laten , onder zekere voorwaarden. 

(150) Zie de Sladsbesl. daaromtrent van 17 Maart, 30 Met, 1 en 3 
Aug., waarin de bepalingen van die uitwatering zjjn goedgekeurd en 
hare loop vastgesteld. 

(151) Zie de Stadsresol. 5 Jwrij 1704, waarin het accoord tusschen 
Bellingwolde en Finscrwolde over die uitwatering is geboekt en goedge- 
keurd. Hiervan luidt het eerste hoofdartikel: „Die van Bellingewolde 
„sullen gehouden weesen hacr watringo behorlyck te graven , mits dat 
„deselve gcleidet worde dor hacr oude uitwateringc met ecu aparte 
„mude en ock zijlc zelve, de mude tot in den Dollart apart." 
Bij Sladsres. 11 Nov. 1718 is besloten: de mude van do Beertster zijl 
door te graven, tengevolge waarvan zij vereenigd zijn. De Bcortstcr uit- 
watering hield niet op veel twist op te leveren, onder de onderhoorige 
kerspels , over het onderhoud daarvan , alsmede dat der dijken aan den 
Dollard ouder het Zijlvest. 



Digitized by Google 



137 

de toevlugt en buitengewone maatregelen genomen, door 
het bouwen in het jaar 1828, bij Klein Ulsda en den 
Hamdijk , van vier kapitale kostbare watermolens en het 
vervaardigen van een afwateringskanaal in 1829 voor het 
veenwater, bijlangs de scheiding van Vriescheloo, om het- 
zelve dadelijk in de Westerwoldsche Aa te leiden en de 
molens daarmede niet te bezwaren. Dit is wel van goed, 
maar nog geenszms voldoend gevolg geweest, zoodat de 
vele lage weide- en bouwlanden tusschen het dorp en de 
Aa gelegen nog gedurig aan overlast van water lijden, en 
alhoewel men in 1851 op het Buiskooldiep nog een water- 
molen heeft gebouwd , met het doel om de Buitenmude , 
na eens opengegraven te zijn, door het spuijen met het 
door dezen molen opgevoerde water open te houden, 
schijnt het alsof deze maatregel niet vermogend is , om 
Bellingwolde den waterafvoer naar de Bellingwolder Zijl 
terug te geven. De Buitenmude, reeds meer dan eens 
gegraven, schijnt niet opengehouden te kunnen worden, 
en Bellingwolde lijdt nog altijd veel van water. Dit is 
almede het geval geworden met vele landen onder de 
Vierkarspelen of Beertster Zijl. Ofschoon het geheele Zijlvest 
wordt bemalen, kan het toch niet dan gebrekkig den buiten- 
boezem open houden. Die toestand heeft den wensch doen 
ontstaan , een nieuw gezamenlijk uitwateringskanaal in den 
Dollard en wel bij de Fimel te hebben. De volmagten van de 
Beertster en Bellingwolder Zijlen hebben zich dan ook met 
dien wensch in Julij 1836 tot den Koning gewend. Er deden 
zich echter daarbij zoo vele moeijelijkheden op, bij de on- 
derscheidene tegenstrijdige belangen, althans belangheb- 
bende partijen, dat van dit plan niet kwam. Bellingwolde 
trachtte dus weder de zijl te openen , en wel door eene nieuwe 
uitlozing van de buitenmude meer noordoostwaarts door het 
Lecgtje naar het Ukergat, in plaats van noordwestwaarts 
in de buitenmude van de Beertster Zijl , zoo als zij vroeger 
geloopen had. Hiertegen kwam echter de stad Gronin- 
gen op , zich daardoor bekort vreezende in haar regt op 
den aanwas , waarvan zij tot aan de Bellingwolder Zijl eige- 
nares is (152). De oude uitwatering of buitenmude de ver- 



(152) De stad heeft dien aanwas van die zijl tot aan dien ran den 



Digitized by Google 



138 



dere scheiding daarvan zijnde, kwam die nieuwe uitwate- 
ring nu door dezen haren aanwas te loopen en een deel 
daarvan afgescheiden te liggen van het overige. Dit heeft 
in 1842 oorzaak gegeven tot een kostbaar regtsgeding tus- 
schen de ingelanden van het Bellingwolder Zijlvest en de 
stad, dat eerst voor kort is bijgelegd, met het vooruit- 
zigt, dat de landen onder genoemde zijlen bij de toe- 
komstige indijking van den Dollard , eene betere wateraf- 
leiding zullen bekomen , waaraan zij zoo zeer behoefte ge- 
voelen. — Zoo is het ook gelegen met de hooger op liggen- 
de kerspels van Westerwolde. Deze verkeeren in een even 
slechten toestand van afwatering, zijnde deze hier niet 
minder gebrekkig en onevenredig aan den toevloed. Deze 
wordt wel minder, wegens den meerderen afvoer van wa- 
ter naar Bourtange, en den minderen toevoer uit Munster' 
land, door het herstellen der Lijdijken van Ter Apel naar 
de Lauderveenen, en uit Drenthe, daar het Stadskanaal de 
Mussel Aa reeds heeft afgesneden; maar aangezien de 
landbouw ook in de lage gronden tegenwoordig graag de 
ploeg wil zetten , wordt overlast van water meer dan vroe- 
ger gevoeld. Er zijn wel maatregelen ter verbetering ook 
hiervan voorgeslagen, maar tot nog toe vruchteloos (153), 
en men ziet nog steeds naar eene verbeterde uitwatering 
uit , die ook bij de in plan zijnde nieuwe inpoldering van 
den Dollard tot over of aan die Aa, wordt zij uitge- 
voerd, onmisbaar zal zijn en niet meer kan achterwege 
blijven. 

Wij vervolgen en sluiten de reeks der indijkingen aan 
onze zijde van den Dollard met de vermelding van nog 
twee belangrijke inpolderingen van wege de stad Gronin- 



Kroon- en Stadspolder , vroeger reeds in haar bezit, aangehandeld van 
de gezamelijke kcrspellieden van Finserwolde bij verzegeling van den 15 
Maart 1726. 

(153) WU hebben hieromtrent voor ons liggen een afschrift van een 
adres van den Heer Notaris Mr. a. h. xomo te Wedde, in Julij 1830, 
toen de landen daar zoo zeer door overstrooming hebben geleden, aan 
de Provinciale Staten ingediend. Hij geeft daarin de oorzaken op van 
de slechte waterafleiding in Westerwolde , en stelt voor een kanaal te 
graven van de Ruiten Aa langs de grenzen tot in de Westerwoldschc 
Aa by den driestroom, om den afvoer van water te bevorderen. 



Digitized by Google 



139 



gen bewerkstelligd, te weten van den Kroonpolder in 1696 
en van den Stadspolder in 1740. Zij deed dit geheel en 
alleen als eigenares van de aanwassen, die achter den 
Stoksterhorner dijk intnsschen weder ontstaan waren en, 
althans voor het grootste deel, haar bijzonder eigendom 
uitmaakten (154), eerstgenoemde bedijking echter nog niet 
zelve, maar dooreen ander. Zij ging namelijk in het jaar 
1695 eene overeenkomst daar over aan met den Heer AN- 
tony de huyjbebt , Heer van Cruyningen en Hinckelnoort , 
Raad in den hoogen Raad van Holland, een man van een 
aanzienlijk en beroemd Zeeuwsch geslacht uit Zierikzee, 
van wien, als aanlegger van den polder, deze dan ook den 
naam van Kroon- of Kminrngs-Polder heeft ontvangen. Er 
werd daarbij o. a. bepaald : „ 1° dat die heer de landen in 

1695 of 1696 zal moeten bedijken; 2° dat de particuliere 
belanghebbenden in de ontworpene bedijking door de stad 
zullen worden aangehouden , om hunne quota , deimt deimt 
gelijk, tot het leggen en onderhouden van den dijk, mede 
op te brengen ; 3° dat de bedijker de stadslanden , zestig 
jaren lang, in erfpacht zal hebben, elke deimt voor 4% 
gl. in het jaar" enz. Na de bedijking van den Kroonpolder, 
die in den zomer van 1695 schijnt begonnen te zijn , maar in 

1696 eerst volledig plaats had, werd de polder bevonden groot 
te zijn 718 D. en 183 R. en laatstelijk, volgens de Kadastrale 
meting, 483 B. 54 R. 10 E. Hij zou dus jaarlijks , gedurende 
zestig pachtjaren, en wel voor de eerste maal in 1797 moe- 

, ten opbrengen eene som van ƒ 3233,74 %\ doch welke som, 
door de bijvoeging van den noordwestelijken hoek van den 
polder, groot 10 D. 228 R., naderhand is vermeerderd tot 
/ 3282,50. De aanlegger zelf heeft slechts weinige jaren 
na de bedijking geleefd en daarvan genot gehad , want in 



(154) Zoo komen deze landen voor in het Rapport omtrent de Stads- 
financiën van den 14 Maart 1666. Zie Feith, Gron. Beklemr. II, 289. 
Voorts in de Stadsrekeningen onder het Caput: Landen zoo die Heer 
Drost voor dezen onder Gockinga Heerd heeft gebruikt, vódr de indijking, 
onder den naam van do Stads Beerster Eamlanden , buiten de oude dijk 
in den Oldambte gelegen, dat ia van den Kroonpolder, zoo sis dit nader 
met de verpachting, telken jarc ter gedachtenis van desaclfs indijking, 
in iedere rekening werd omschreven. Smith , a, w. bl. 323 , deelt der- 
gelijk extract nit de Stadsrekening van 1745 mede. 



Digitized by Google 



140 



1702 moet hij reeds overleden zijn. — In 1707 werd er op 
dezelfde voorwaarden eene gelijksoortige overeenkomst in- 
gegaan tusschen de stad en charles philip van dorp, 
Raadsheer in den Hove van Holland, over de bedijking en 
verpachting: „1° der stadslanden, van den groenen zoom, 
bijlangs de ingedijkte landen van den Heer van CRüy- 
ninoen, tot aan de Aa, en 2° der landen tusschen de 
Oudé Aa uitstreek (in de Stads Rekening staat : Oude Uiter- 
dijk) en de Nieuwe Aa, aan de Vier Karspelen zijl gele- 
gen , te zamen groot 39 D. en 99 K." De huur werd be- 
paald op jaarlijks 3% gh het deimt, en werd, voor de 
eerstemaal, betaald in 1709 , met 137 gl. en 13 st 'Deze in- 
dijking is volbragt in 1708 overeenkomstig een contract, 
tusschen den Vorst van Oostfriesland en de stad Gronin- 
gen vooraf opgerigt. De overeenkomst van de verpach- 
ting van den Kroonpolder in 1756 een einde nemende , 
deed de stad al de plaatsen van dien polder in eene vaste 
beklemming uit De Kroonpolder bestaat dan uit zeven 
boerenplaatsen , welke , met den ouden dijk , en met ze- 
kere 5 D. 112 E., omtrent de Nieuwe Schans bij de Olde- 
zijl en Dijk, aan de Aa gelegen en in 1751 reeds onder 
beklemming uitgedaan, het deimt tegen 13 gl. huur, te 
zamen opbrengen eene jaarlijksche huur van 6015 gl. en 
11 st (155). Hij watert uit door het Marijke Zijltje bij den 
Finserwolder weg in het vervolg van de Tjam en zoo 
verder in het Beertster Diep (156). 



(155) Zie pbitii, Gron. Bcklemr. II, 514—316. De overeenkomst van 
de bodyking en verpachting van den Kroonpolder is , krachtens Raads- 
hui 13 April 16»5 , opgemaakt by eene verzegeling voor Stadhouder en 
Hoofdmannen te Groningen op den 15 d. m. aldaar; en de tweede over- 
eenkomst is opgemaakt den 20 Dec. 1707 en bevestigd by eene verzege- 
ling van Luitenant en Hoofdmannen 16 Febr. 1708. De kaart van den 
Kroonpolder van den Ingenieur bastiaan beck hangt ook nog op het 
Stadhuis , schoon bijna uitgegaan. 

(156) Volgens Raadabesl 2 Julij 1714, inhoudende, dat toen aan de 
Meijeren van de Kroonpolder is geaccordeerd en geapprobeerd eene uitwa- 
tering door het Marieke zijltje door die van Finserwolde , onder zekere con- 
ditiën en rcslitutien. Bij Raadsbesl. 23 Nov. 1720 is aan die van den 
Kroonpolder geaccordeerd , tot ontlasting hunner landen , op hunne kosten 
een pomp van 4 voet onder door het Bellingwolder diep te leggen, mits si), 
nevens die van Bellingwolde, de ringsloot onderhielden. 



Digitized by GoOgL 



141 



De Stadspolder werd bedijkt geheel door de stad zelve 
in 1740. Uit het breedvoerig en hoogst belangrijk ver- 
slag, dat daarvan in 1741 bij den Raad is uitgebragt, en 
uit andere stukken leeren wij de geschiedenis der be- 
dijking en van dezen polder zeiven in de eerste jaren 
vrij volledig kennen. Wij teekenen er het volgende hier 
van aan. De Stadspolder is volgens de Kadastrale me- 
ting groot 427 B. 68 R. 20 E., en de geheele uitgaaf, 
van 1740 en 1741, heeft beloopen eene som van 66538 
gl. 13 st. In 1740 werd van den polder reeds onder den 
ploeg gebragt en met koolzaad bezaaid 638% D. en 47% R., 
welke eene hoeveelheid koolzaad hebben opgebragt , die , in 
verscheidene ladingen naar Amsterdam en Rotterdam te 
verkoop gezonden, na aftrek der onkosten van verzending 
en het noodige inzaad , heeft opgebragt eene som van 84691 
gl. 16 st., zijnde aldaar verkocht voor 40 tot 41 ponden 
het last of 7 gl. 27 tot 46 ct het mudde, waarvoor men 
hier niet meer dan 5 gl. 15 ct. had willen geven; zoodat, 
indien van dit beloop ook nog wordt afgetrokken de som 
van 13300 gl. 16 st 6 d., uitgegeven voor het bouwen 
en oogsten daarvan, de geheele bedijking niet alleen uit 
de vrucht van een enkel jaar was betaald, maar daarvan 
zelfs nog was overgebleven een zuiver slot van 4852 gl. 
6 st 2 d. De zomer was dan ook droog en zeer geschikt 
voor de onderneming geweest. In het jaar 1742 heeft de 
stad den noordwester vleugeldijk merkelijk doen verzwa- 
ren, en bovendien vele onkosten moeten aanwenden tot 
herstel van den dijk, die in den winter veel geleden had, 
doch daarentegen ook van 762 D. 80 R. omgeploegd land 
in dezen polder ingeoogst eene opbrengst van 44721 gl. 
6 st Het jaar 1743 was minder gunstig geweest, door de 
nachtvorsten en andere ongelukken, waardoor naauwelijks 
een derde van het gewas tot rijpheid had kunnen komen , en 
veel land nog, vóór den zomer, in losse huur had moe- 
ten worden uitgedaan. Na dus in de drie eerste jaren 
voor eigen rekening den polder te hebben aan zich gehou- 
den, heeft de stad denzelven vervolgens in acht plaatsen 
verdeeld en de beklemming der landerijen verkocht, den 
dijk om den polder ten haren laste en voordeele behou- 
den en dus ook het regt op den aanwas, om van geene 
andere voorwaarden meer te spreken, waarop de polder 



Digitized by Google 



142 



alzoo verhuurd is voor tien gulden jaarlijkache huur het 
deimt , zoodat de acht plaatsen , te zamen groot 785 D. , 
jaarlijks tot huur opbrengen 7850 gl.; het spitland nog 
28 }4 gl«5 net kerkhof ook nog 110J4 gl«» en dus d.e ge- 
heele polder 7989 gl ; waarbij nog komt eene jaarlijksche 
huur van 471 gl. van 157 D. over de acht plaatsen ver- 
deelde en verhuurde Egypter groenlanden, gelegen onder 
Finserwolde achter den dijk van dien naam, waarvan de 
stad ook eigenares was geworden, en zoo meesteres is 
van den geheelen , ook toekomstigen aanwas aan den Dol- 
lard, tusschen de Bellingwolder moe en den Aa-stroom 
en de verdere grens van den Groninger Dollard, welke 
aanwas hier in het diepst van den boezem op heden we- 
der het aanzienlijkste is (157). De Stadspolder heeft zijne 
afzonderlijke uitwatering door een zijltje, in de Aa inden 
noordwestelijken hoek van den polder gelegen, en een wa- 
termolen voert het water voor die zijl in den binnen- 
boezem op. 

Het gezamenlijk bedrag van de door al deze polders 
aangewonnen land in dit zuidelijk deel van den oostelijken 
boezem aan onze zijde is alzoo te schatten, als volgt: 

Onder Winschoten 747 bunder. 

„ Blijham en Wedde 1951 „ 

„ Bellingwolde en Vriescheloo .... 2326 „ 

„ Nieuwe Schans . 773 „ 

„ Beerta en Beertsterhamrik 3657 „ 

„ Finserwolde, zonder het Meerland 941 „ 

In zijn geheel 10395 bunder. 

c. Bedijkingen in het Noordoostelijk gedeelte van 
den boezem of in Oostfriesland. 

Aan de Oostfriesehe zijde liep, zoo als wij vroeger 
gezegd hebben, de uiterste zeewering van de grens bij 
de Bone Schans, als een vervolg van den HarneUjk, 



(157) Zie de geschiedenis van den Stadspolder in feith, Gron. Bt- 
klernr. II, 316—319. Met dat oogmerk, het volledige bezit van den 
aanwas , zal de Stad zeker in 1700 besloten hebben , de landen bij de 
Egypter dijken aantekoopen, volgens Secret. Raadsres. 4 Maart 170O, 
even als vervolgens in 1726 die tot aan de Bellingwolder zijl (Aant. 152). 



Digitized by Google 



143 



noordoostwaarts tot aan Bande, hetwelk op een hoogen 
zandgrond ligt. Tusschen deze plaats en de grenzen is de 
dijk echter geheel verdwenen, en duidt slechts de ver- 
scheidenheid van den bodem de linie daarvan aan. De 
hooge zandrug , die zich van Bunde af een uur ver noord- 
westwaarts uitstrekt, zal hier waarschijnlijk eenmaal de grens 
van den Dollard hebben uitgemaakt, daar het zand zich 
schier onmerkbaar in den poldergrond verliest. Men heeft 
dan vermoedelijk op den afstand van eenige minuten 
den dijk aangelegd, welke zich hier en daar laat naspo- 
ren. Verder op loopt de dijk in onderscheidene kronke- 
lingen, in eene noordelijke rigting, op een meerderen of 
minderen afstand van Weenigermoer, Georgiwold, Bömer- 
wold, Mariencoor, naar Pogum aan de Eems, en sluit hier 
aan dezen stroom alzoo de kring der dijklinie , even als zij 
aan onze zijde begonnen is (158). Door dezen dijk, dien 
men in de 16de eeuw gelegd acht, is eene streek gronds 
van eenige, hier meerdere, daar mindere, breedte gewon- 
nen, welks omvang wij echter niet nader kunnen bepa- 
len, als daar minder mede bekend zijnde. De eerste 
overdijking is die van Oud Bunder Nieuland (AU Bun- 
der Neuland) 9 in 1605 ingedijkt, meerendeels door Neder- 
landers, groot 1649 ]/ 2 D. (936,2 B.), waarvan de dijk den te- 
genwoordigen postweg van Bunda naar de Nieuwe Schans 
uitmaakt (159). Hierop zijn gevolgd : Charlottenpolder in 
1682, groot 450 % D. (255,5 B.), Bunder Interrmanten , 
Noord- en Zuid-Ckrütian Eberhardspolder in 1707 van 
2452 D. (1391 B.), Landschapspolder (LandscIiqfteUche Polder) 



(158) Arehds, Noordzeekusten, II, bL 182. 

(159) De ondernemers vcrpligtten zich , den Graaf van Oostfriesland, 
van elk gras, eene tonne gerst aan de Rentekamer te Leer op te bren- 
gen. Z|j hebben echter, onder voorwendsel, dat hun eene beloofde uit- 
watering niet was verschaft , deze opbrengst lang terug gehouden. Hier- 
over is een langdurig regtsgeding gevoerd, dat eerst in 1720 is bijgelegd. 
Wiahda , Ost/ries. Gesch. III, 471. — De opgaaf in deimtenof grazen is 
de oorspronkelijke, volgens arends; die in bunders, berekend naar de 
opgaven in Oostfricsche Rijnlandsche maat van Dr. rbinhold , Hydrogra- 
phie von Osffriesland in Journ. für die Bauhtnst von Dr. cbblle , B. XIII , 
H. 3 , S. 307. 



Digitized by Google 



144 

in 1752 van 2026 Vi D. (1150,2 B.) , en eindelijk de Hevnüz- 
polder in 1795 van 1 104 D. (626,8 B.) (160). 

Er zijn alzoo vijf Oostfriesche polders, in eene rij van 
het zuiden naar het noorden , de een voor den ander ge- 
legen , te zamen groot 7673 D. of 4359,7 B. Hierbij kan 
men nog een goed deel land voegen , dat tot den Dollard 
heeft behoord en dat door den eersten dijk aan zijn gebied 
werd onttrokken, maar waarvan wij de grootte niet kun- 
nen bepalen. De beide Christian Eberhardspolders, waar- 
van de noordelijke 173.2 B., de zuidelijke 142.5 B. 
groot is, maken met den Bunderpolder, die een in- 
houd van 1075.3 B. heeft, slechts éénen polder uit, en 
worden alleen, als bijzondere, in den noordelijken en 
zuidwestelijken hoek daar van gelegene polders, zoo ge- 
noemd, dewijl zij door den Oostfrieschen Vorst van dien 
naam zijn ingedijkt De Charlottenpolder is eveneens ge- 
noemd naar de Vorstin van Oostfriesland , chbistina char- 
lotta. Een gedeelte van dezen polder, ter grootte van 
62 B. 66 R. 10 E., Kgt nog op ons territoir en wordt de 
Linteloopolder geheeten, naar eene aanzienlijke familie van 
dien naam, welke aldaar vele bezittingen had en dikwijls 
met de stad Groningen over het onderhoud van den dijk 
overhoop lag. Ook van den Zuider Christian Eberhards- 
polder ligt een klein gedeelte op ons grondgebied , ter 
grootte van 9 B. 69 R. 10 E.; dit gedeelte is ingesloten 
tusschen den oostelijken dijk van de Westerwoldsche Aa 
en den dijk van den Charlottenpolder, cue op ons territoir, 
zoo als even gezegd is, Linteloopolder genoemd wordt. 
Deze drie polders hebben in Oostfriesland 11 schoone 
plaatsen en waren eerst domein, maar zijn later verkocht. 
De Bunder Interresssantenpolder (ook Neu Bunder Neuland 
geheeten) is een vrij eigendom van die van Bunde, Bau- 

• 



(160) Deze, naar den Pruissischen Minister von ubinitz genoemde, 
polder schijnt reeds ingedijkt te zijn in het jaar 1775. Want hij wordt 
gezegd in den vloed van dat jaar weder zijn dijk verloren te hebben , en , 
na hersteld te z'rjn, dit zelfde lot in het volgende jaar 1776 ondergaante 
hebben , zoodat de polder weder in kwelder werd herschapen en 20 ja- 
ren lang in dien staat bleef liggen. Zie arends , Watervloed, bl. 310 
en 317. 



Digitized by Google 



145 



lande en Hech. De drie overige polders zijn Erfpacht- 
land, met uitzondering van het noorderdeel van Heinitz- 
polder, dat voor 169 D. 393 □ R. of 96.5 B. bijzonder 
eigendom is. De Landschapspolder, ook de Pruüsische 
Polder geheeten, kan men houden voor de schoonste aller 
marschstreken aan de Noordzee, zoo als de ingedijkte lan- 
den hier genoemd worden; in vruchtbaarheid neemt hij 
ook eene der eerste plaatsen in , en de rede daarvoor moet 
men alleen in zijne droogligging zoeken, daar hij van al de 
andere polders de eenige is , die het water in de Eems bij 
Ditmm voert, waarheen de waterontlasting zoo voldoende is, 
dat de polder zelfs bij langdurige regens altijd eene drooge 
ligging kan behouden. Menige Dollardpolder in Groninger- 
land mag hem in opbrengst overtreffen, en sommige met 
even zoo aanzienlijke of nog fraaijere boerenplaatsen prij- 
ken , zoo als met Nieuw-Beerta het geval is , maar der- 
gelijke 23 gebouwen van ééne grootte op eene uren 
lange rij , aan den rijweg , welke dien polder van het 
noorden naar het zuiden doorsnijdt, gelegen, als hier, 
zal men wel vruchteloos ergens meer zoeken. Fre- 
DBRIK de Groote liet dezen polder in 1752 indijken , 
verkocht echter drie jaren daarna daarvan 400 % 0 D. of 
229.1 B. aan particulieren voor 59,161 Pr. rijksd. 15% schell. 
en het overige van 1625 D. 367 R. aan het Oostfriesche 
Landschap voor 240,000 R., in het geheel alzoo voor 
291,161 R. 15 % sch. Het Landschap deed hierop deszelfs 
aandeel weder in erfpacht uit aan bijzondere landbouwers, 
welke huizen daarop bouwden , zelfs in 1763 eene kerk èn 
een eigen predikant aanstelden, het eenigste voorbeeld, 
zegt arends, dat een polder, voor zich alleen, eene kerk 
stichtte; namelijk in Oostfriesland: immers in ons gewest 
en onze Dollardpolders hebben meer dorpen hunne eigene 
kerken, om van andere oorden niet te spreken. De Hei- 
nitzpolder heeft 9 plaatsen; de Bunderpolder 62, waarvan 
menigeen met die van den Pruissischen polder kan wed- 
ijveren, alle aan den zoom van de klei op zandgrond ge- 
legen, in eene ook onafgebrokene rij van één uur lang. 
Uitgezonderd deze laatste, wateren alle polders in den 
Dollard uit door de Westerwoldsche Aa , buiten of bene- 
den de Statenzijl ; de Heinitzpolder door eene eigene zijl , 

10 



Digitized by Google 



146 



en de overige door de Wijmeersterzijl (161). De meeste 
polders, hoog genoeg liggende, hebben eene tamelijk goede 
afwatering; alleen Oud Bunder Nieuwland niet, dat, laag 
liggende , van het winterwater zou lijden , als het niet door 
molens droog gehouden werd. 

Voegen wij nu de slotsommen bij elkander van den in 
elk gedeelte aangewassen grond, in volle bundertallen ge- 
nomen , zoo verkrijgen, wij de volgende uitkomst: 

In den westelijken boezem 12853 B. 

_ , . (Z. O. gedeelte . 10395 B. 

In den oostelijken boezem Q 4359 B- 

27607 B. 

Rekent men hier nog bij 1500 bunder , dat de eerste dijk 
van Bone Schans naar Bunde en van Bunde noordop aan 
de oostzijde van den Dollard bij schatting heeft onttrokken, 
dan vinden wij al het ingedijkte land groot te zijn 29107 B., 
waarvan nog geen % deel tot Oostfriesland of Hannover, 
en meer dan % deelen tot ons gewest en rijk behooren. 
Voegen wij hierbij nu de grootte, welke de overgeblevene 
Dollard, volgens eene hier na te maken berekening, bin- 



(161) Door de bedijking van den Charlottenpolder was de zijl op het 
oude Wijmeerster diepje, in den dijk van 1605 aanwezig, nutteloos ge- 
worden. Er werd toon aan de Oostfriesche kerspelen toegestaan, dat de 
contre écharpe van de Lange akker Schans, achterlangs de galg tot in 
de gracht, voor zooveel Bunder-Nieuland betrof, en bij den landsbrng of 
daaromtrent, mede tot in de gracht, voor zooveel Bande, Wijmeer en 
Dunebrock aanging , zoude mogen worden doorgegraven , ter lossing van 
hun water, ingevolge eene overeenkomst, gemaakt in 1697, tusschen de 
Regering van Groningen en Oostfriesland. Hiertoe behooren de Raadsbtsl 
van 11 en 30 Julij en 3 December 1696, en 10 Febr. 1697, waarbij die uitwa- 
tering bepaald is. Vervolgens in 1700 kwam men overeen, om een ka- 
naal te graven door de Stadslanden, bij de Nieuwe Schans gelegen, tot 
in de Aa , en vervolgens in den Dollard ; onder voorwaarde , van ten 
behoeve der reizigers aan te leggen en bevaarbaar te maken eene griffe 
van 20 voeten Rijnl. en althans 6 v. diepte, van de Lange akker 
Schans af tot aan de kolk bij Bunda; 't welk echter niet ten uitvoer 
schijnt gebragt te zijn , maar het Wijmeerster diepje werd nu binnen den 
dijk van 1605 tot aan den Bunder paal, en zoo door den Charlotten- 
polder naar de Aa geleid , en hier een zijltje in den dijk gebouwd. 
Kremer , a. w. bl. 121, cn de Stadsresolutien daaromtrent genomen den 
19 Junij, 6 en 7 Novb. 1699, 16 Januarij 1700. 



Digitized by Google 



147 



nen den tegenwoordigen dijk nog bezit, te weten van bijna 
12888 B., dan zal de geheele waterplas eenmaal in hare 
grootste uitgebreidheid , of begrepen binnen den aangedui- 
den omtrek van het aangeslijkte land en de Eems , wel 
geschat kunnen worden op 41995 B. ; en vergelijken wij 
de grootte van den geheelen voormaligen Dollard met die 
van den tegenwoordigen boezem, dan staat die tot den 
laatsten als Sy^il (162). 

Wat zich voorts ten opzigte van den gang der aanslij- 
king hieruit laat afleiden , aan de beschouwing daarvan 
zullen wij nog ten slotte onzer eerste Afdeeling een afzon- 
derlijk Hoofdstuk wijden, om dit te besluiten met de ver- 
dere opgaaf der voornaamste lotgevallen , welke de ge- 
noemde bedijkingen door watervloeden hebben ondergaan. 

Wij hebben dan het eerst te vermelden den hoogen 
springvloed, welke op den 15 Augustus 1597 de Neder- 
landen kwam bestoken, en waardoor Groningerland bijna 
geheel en al onder water liep , ten zelfden tijde dus als 
de dijk van 1597 gelegd is. De sluizen te Delfzijl, bene- 
vens eenige andere (die niet genoemd worden) , werden 
weggespoeld , de schans te Keide spoelde voor het grootste 
gedeelte weg, en de Oostersche dijken aan den Dollard le- 
den ook zoo zeer door dezen ramp , dat de hulp der Omme- 
landen bezuiden en benoorden het Damsterdiep , even als bij 
vroegere dergelijke onheilen, werd ingeroepen, om die te 
herstellen (163). — In den vloed, welke in December des 
jaars 1626 (toen er ook weder eene indijking plaats had) 



(162) Arends, Noordzeekusten, II, 190, schat al het polderland aan 
den Dollard ontwoekerd , dat in den zuidelijken boezem bij Scheemda 
niet medegerekend , op 4'/ 2 □ mijlen of bijna % van de oppervlakte 
van den geheelen oorspronkelijken boezem, welke hij, dien kleinere bij 
Scheemda ook daaronder begrepen, op ruim 7>/ a □ mijlen begroot (bl. 
183). Hij handelt hier verder over de indijkingen van den Dollard, 
alsmede in zijne vroegere werken, Erdbeschreib. S. 262, 263, Ostfriesl. u. 
Jever, II, 143; III, 510, gelijk ook vóór hem, j. c. freksi , Ostfriesl. 
u. Harlingerland , I, 375. — Reinhold schat, iets minder, den omvang 
van den oorspronkelijken Dollard op 7 Q mijlen , van den tegenwoordi- 
gen op 2 □ m. , zoodat er 5 □ m. weder aangewonnen zouden zijn. 
Zie zijne a. verh. Hydrographie von OstfriesUxnd in crelle's Journ. för 
die Baukunst, B. XII, H. 3, S. 307. 

(163) Zie arends , Watervl., bl. 106, en de StaatsresoL 22 Jumj 
1598, medegedeeld in feith, Gron. Beklemr., I, 28. 



Digitized by Google 



148 



vooral ook Oostfriesland teisterde, werd de Winschoter 
en de Bellingwolder zijl ten eenemale weggeslagen, gelijk 
ook Critzummer zijl in Neder-Reiderland aan de Eems , en 
daardoor dit land onder water gezet en veel schade aan de 
Dollarddijken toegebragt (164). — In Januarij 1643 viel er 
over Groningerland en Oostfriesland een zware vloed voor , 
waarin Reiderland wel het meest leed, zoodat het wa- 
ter van beide kanten, van de Eems en van den Dollard, 
hetzelve overstroomde, de dijken bijna geheel omverre deed 
storten en wegdrijven, onderscheidene kolken daarin spoel- 
de , tot in de dieper landwaarts in liggende dorpen Bó- 
merwold, Georgiwold en Wenigermoer, en tot de vrij hoog 
liggende veenbouwlanden doordrong, eene menigte huizen 
wegspoelde, en groote en kleine dargklompen in tallooze 
menigte uit die kolken over de landen spoelde, die daar- 
door bedierven. — Reiderland werd mede door den St Pie~ 
tersvloed van den 22 Februarij 1651 zwaar geteisterd. Overal 
rolden de zeegolven over de dijken heen, doorbraken dezelve 
op vele plaatsen en bedekten het geheele land tot aan den 
hoogen zandgrond. Zeer zwaar leden ook de Dollarddijken. 
Dit blijkt uit de veelvuldige klagten van de meijers der JPro- 
vincielanden aan dezelve gelegen, over de groote kolken, 
die er in hunne landen en dijken, o. a, drie te Wolden- 
dorp en een te Finserwolde, waren ontstaan, over het be- 
zwaar van derzelver herstelling en over de schade die het 
zand en het darg, uit de ingeslagene kolken in menigte 
over hunne landerijen verspreid , daaraan voor verscheidene 
jaren hadden toegebragt, en ten gevolge waarvan ook we- 
der eenige landen , door het schieten van de spade, aan 
de Provincie in eigendom zijn overgedragen (165). — In den 
zomer van datzelfde jaar (28 Aug.) dompelde een tweede 
stormvloed Neder-Reiderland weder in diepen nood. De 
dijken werden zoo hevig bestookt, dat er tien of meer 
doorbraken ontstonden, van welke drie ebbe en vloed 
hielden , en het land aan overstrooming bloot stond. In 



(164) Arexdb, WatervLy bl. 130, deelt die uit Ooetfriesche Archief- 
akten mede, waarin Rengumwolder-zijl genoemd wordt, maar welke hij 
veronderstelt , dat de Bellingwolder-zijl zal zjjn. 

(165) Fbith, Gron. Beklemr., I, .336, en II, 541, waar de verzege- 
lingen van dien overdragt worden aangehaald. 



Digitized by Googl 



149 

Opper-Reiderland liep het Oud Bunder Nieuland onder, 
door het bezwijken van den beer in de gracht van de 
vesting de Nieuwe Schans. — Op den 25 November 1665 
hadden de dijken in deze provincie , en ook die om de Dol- • 
lard door zware stormen en hooge vloeden zeer veel te 
verduren; zij werden hier en daar zelfs geheel weggespoeld, 
zoo als te Finserwolde , en daarbij werd er weder veel darg 
uit de kolken geslagen en over de landen gebragt (166). — 
In 1669 wordt er alleen van een vloed in Oostfriesland ge- 
waagd, doch deze moet ook op onze kusten en wel van 
den Dollard zijne magt hebben uitgeoefend, daar, gelijk 
wij zagen, in dat jaar de zijlen bij de Nieuwe Schans en de 
Beertster zijl vernield zijn (bi. 132, 133.) — Veel erger ech- 
ter werden de dijken aan den Dollard tot aan de Nieuwe 
Schans gehavend in den Novembervloed van het jaar 1675 , 
waardoor een groot gedeelte hier en elders der Provincie 
met het zoute water werd bedekt, de ten gevolge van den 
Munsterschen oorlog en de inlating van het zeewater in 1672 
verarmde huislieden nog meer ten achteren kwamen, en 
vele landen geheel verlaten werden, woest of ledig bleven 
liggen , en niet of alleen voor de belastingen verhuurd kon- 
den worden (167). — Deze kommerlijke toestand der land- 
lieden duurde voort tot, en werd nog verergerd door den 
St Catharinavloed van den 25 November 1685 , waarbij op 
sommige plaatsen, met name te Terraunten, de dijken tot 
aan den grond toe werden weggespoeld , doch inzonderheid 
door den St. Martensvloed van 1686 , tusschen den 12 en 13 
November voorgevallen. Deze is een der meest verwoesten- 
de geweest. Het grootste deel der Provincie werd onder 
water gezet en in den grond bedorven, zoodat de stad Gro- 
ningen als een eiland in volle zee lag. Hij deed ook zijne 
woede gevoelen aan de Eems- en Dollarddijken. Deze 



(166) Uit hoofde van het gevaar, waarin het geheele Oldambt ver- 
keerde , en van het onvermogen der Finserwolders , om hunnu dijken tc 
herstellen, besloot de Stadsregering, by Resol. 27 Maart 1666, dat deze 
herstelling door het geheele Wold-Oldambt zon geschieden, maar trok 
dit besluit weder in en bepaalde bij Resol. 11 Maart 1666, dat de eige- 
naars voor dit maal de meijers in de hermaking der dyken voor de 
helft zouden te gemoet komen , iets dat anders streed tegen de huurcon- 
tracten. Zie fbitii, Gron. Bcklemr., II, 293. 

(167) Fbith, Gron. Beklemr., I, 404. 



Digitized by Google 



150 

werden zoo vernield, dat er van Delfzijl tot aan de Oude 
Schans slechts eenige brokken van over bleven. Het dorp 
Oterdum ging bijna geheel verloren, benevens de dijk al- 
daar, waarbij de oude grondvesten der huizen van het 
oude dorp, dat vroeger verder naar zee toe gestaan had, 
te voorschijn kwamen. Te Termunterzijl spoelden al de 
huizen tot op de grondslagen zoodanig weg, dat men ter 
naauwernood nog eenige overblijfselen van dezelve ont- 
waarde, terwijl er slechts twee menschen hun leven red- 
deden. Tusschen Noordbroek, Zuidbroek en Scheemda 
dreef het zoo vol van allerlei soort van huisraad, dat 
men moeite had, om er met een schuitje door te komen. 
Merkwaardige voorvallen van redding uit dezen nood 
worden verhaald, welke wij hier echter met stilzwijgen 
voorbij gaan. Reiderland leed daarbij weder het meest, 
even als voor 43 jaren. Binnen eenige uren werd het ge- 
heel onder het water bedolven; de golven rolden eene 
manshoogte over de dijken. De oude Bunderdijk , van 
Bunde naar de Oude Schans, was grootendeels tot den 
grond weggespoeld, slechts hier en daar nog waren brok- 
ken staande gebleven, en de nieuwe dijk van den Char- 
lottenpolder was ten eenenmale geslecht; voorts was de 
oude sluis bij Bunde weggeslagen, terwijl er tevens onder- 
scheidene kolken in den dijk gespoeld waren, o. a. de nog 
bestaande groote Reider kolk ten noordwesten van Bunde. 
Ook te Finserwolde scheurde weder eene groote kolk in 
den dijk, sloeg de Beertster zijl weg en werd het zijlgat 
door de ingestovene golven verbreed. Tot herstel hiervan 
moesten dan ook andere kerspelen, dan de dijkpligtige , 
bijspringen en werden er krachtige maatregelen genomen, 
zoo noodig, om niet het geheele Oldambt weder prijs te 
geven aan de baren der zee (168). — In den Vastenavond- 
vloed van den 3 Maart 1715, waarbij al de aangeslijkte 
landen door de zeegolven overdekt werden en de dijken 



(168) Zie over den St. Martensvloed , behalve arend s . Walervl. , bl. 
180, ook fbith, Gron. Bcklemr., I, 414, II, 542, waar de Staats-reso- 
lutien betrekkelijk het herstellen der dijken door het geheele Oldambt 
genomen , van den l en 15 Julij en 30 November 1686 en van den IS 
Maart, 31 Mei en 15 Junij 1687 worden aangehaald; die omtrent de Fin- 
scrwoldcr of Beertster zijlkolk zijn reeds medegedeeld Aant. 148, bl. 135. 



Digitized by Google 



151 



veel leden , spoelde er in den Reiderlandschen Dollarddijk 
bij Wienham een groot gat, de nu droog gemaakte Wien- 
hamst&r kolk, hetwelk ebbe en vloed hield; verder noord- 
waarts naar Pogam ontstonden er twee. — Dit was echter 
maar een voorspel van den allergeduchtsten en zoo alge- 
meenen Kersvloed van 1717, welke de ellende van de bui- 
tendien, door de zich in 1713 openbarende besmettelijke 
ziekte onder het rundvee, verarmde landlieden voltooide, 
en deze provincie op den oever van haren ondergang bragt. 
Wat het Oldambt en deszelfs dijken betreft, zoo werden 
deze toen , voor het grootste deel , van de kruin beroofd , 
op eenige plaatsen ten eenenmale weggeslagen, en tevens 
vele gaten in derzelver voet gewoeld, het grootste alweder 
digt bij Finserwolde en twee van minderen omvang bij 
Woldendorp. Mid wolder Ham rik leed het zwaarste ver- 
lies; 13 menschen verloren aldaar het leven en 60 huizen 
werden verwoest. Van Neder-Reiderland schijnen er be- 
rigten te ontbreken (169). — Noodlottig was de schrikkelijke 
stormvloed van den 14 en 15 November 1775, voor den 
toen voor het eerst ingedijkten Oostfrieschen Heinitzpolder, 
daar deszelfs dijk op vele plaatsen tot op den grond weg- 
geslagen werd , en het schoone raapzaad, waarmede de ge- 
heele polder bezaaid was, verloren ging. De dijk werd 
in den volgenden zomer van 1776 wel hersteld, maar door 
den vloed van dat jaar weder overal doorboord en op 
verscheidene plaatsen zoo tot op den grond geslecht, dat 
de polder weder in kwelderland werd herschapen, en zoo 20 
jaren in dien staat bleef liggen , namelijk tot aan de herdij- 
king van 1769 (Aant. 160, bL 144). — Eindelijk deelde nog 
het Oldambt met zijne dijken in den laatsten rampspoed van 
1825. Zij braken op onderscheidene oorden door, zoodat 
de gemeente Termunten, een groot deel van Nieuwolde 
en de landen van Nieuw-Scheemda onderliepen (170). — 
Zoo was , en is het nog steeds , onder eene bestendige 
worsteling met de baren, dat wij onze veroveringen op 
dezelve hebben moeten maken en behouden! 



(169) Arends cn feith, a. w. deze laatste t. n. pL, II, 542, doch 
vooral I, 456 — 458. 

(170) Smith, a. w. bl. 423. 



Digitized by Google 



VIJFDE HOOFDSTUK. 



Over den gang der aanslijking, bepaaldelijk over den jaar- 
lijheken aanwas van den aangewonnen Doüardgrond, 
" ^ ééèedfs bedijking afgeleid. 

■ '< - ' !•» '. •: . • 

Om den gang , welken de aanslijking of de aanwas aan 
den Dollard genomen heeft, te kunnen opmaken, moet 
men in de eerste plaats kennen den tijd en de grootte der 
onderscheidene indijkingen. Zulks is echter geenszins, zoo 
als wij zagen, van alle polders, van de nieuwsten tot de 
oudsten toe, bekend; van eenige dezer geheel niet, van 
andere onzeker, zoodat men die zaak niet wel, althans 
niet naauwkeurig, over den geheelen aangewonnen Dollard- 
grond en van het begin af tot heden toe kan nagaan. In 
den westelijken boezem , die van lateren oorsprong is , 
heeft men daarvoor nog de meeste zekerheid, en dit heb- 
ben wij hoofdzakelijk dank te weten, aan den inhoud van 
den Stichtingsbrief van het Termnnter zijlvest en wel aan 
meergemeld Art. 12, dat, gelijk wij zagen, telkens, schier 
met iedere bedijking , aanleiding gaf tot twist en inroeping 
van beslissingen der daartoe bevoegde magt. Het is ook eerst 
met de 17de eeuw dat deze beslissingen en andere stukken 
omtrent die bedijkingen in de stads Archieven van Gronin- 
gen , onder wier toezigt zulks plaats had, meer geregeld 
zijn bewaard gebleven en ons de noodige inlichtingen kun- 
nen geven. In den oostelijken en deels wel ouderen boezem 
op ons grondgebied , verkeeren wij in dit opzigt nog in het 
duister tot aan de Stoksterhorner overdijking in 1657. 
Streng genomen kunnen de hierop gevolgde bedijkingen 



Digitized by Goc 



153 



van den Kroon- en Stadspolder zelfs nog niet hierbij op- 
genomen worden, aangezien de aanleg van een gedeelte 
dijk van den eersten polder, namelijk de Koedijk, ouder 
dan het overige en onbekend is; en wij moeten dus, om 
ten minste laatstgenoemden polder mede in rekening te ne- 
men , dien dijk als gelijktijdig stellen met den dijk van 1695. 
De bedijkingen in Oostfriesland zijn daarentegen meer vol- 
doende bekend. Men kan den gang der aanslijking van de 
polders in dit gedeelte van den oostelijken boezem alzoo 
naauwkeurig nagaan sedert 1605 of de bedijking van het 
Oud Bunder Nieuland; op ons grondgebied of in het zui- 
delijk gedeelte eerst met 1695; in den westelijken boezem 
reeds met de bedijking, die op het jaar 1545 gesteld wordt 
Geen wonder dan nu, dat wat daaromtrent aangegeven 
is, vóór ons, toen men nog minder, dan wij, daartoe in 
staat was , slechts eene zeer algemeene of oppervlakkige 
en verre van juiste voorstelling oplevert. Arends is de 
eenige, zoo wij weten, die er iets over in het midden 
heeft gebragt. Hij maakt opmerkzaam op het aanzienlijk 
verschil, dat hem toeschijnt in den aanwas van vroegeren 
en lateren tijd te bestaan. Wonderbaar en onverklaarbaar 
snel komt hem die in den eersten tijd voor. Van de ge- 
heele uitgestrektheid gronds , welke er in den Dollard aan- 
gewonnen is, stelt hij namelijk, dat alleen binnen de eer- 
ste 150 jaren of tot het einde der 17de eeuw meer dan 
3 Y% □ mijlen gewonnen is en in de volgende 150 jaren 
nog niet ééne □ mijl. De grootste aanwinst had, volgens 
hem, plaats in de 17de en 18de eeuw, weinig nog in de 
16de en naar evenredigheid ook in de 19de eeuw. Hier- 
uit zou dan tot eene toenemende vermindering der aan- 
slijking, als men bij bunders rekent, te besluiten zijn, zoo 
als inderdaad het geval kan wezen, maar waarvoor hij de 
reden niet opgeeft (171). Naar onze opgaven is het be- 
drag van het aangewonnen land in elke eeuw , als volgt. 
Tot de 16de eeuw is te brengen, wat binnengebragt is 
in den westelijken boezem door den dijk van 1545 en 
1597 en geschat is op 7901 B., en wat in den oostelij- 
ken boezem gewonnen is, vóór den polder van 1657, 



(171) Noordzeekusten, II, 187. 



Digitized by Google 



154 



begroot op 7048 B.; dit bedraagt dan te zamen in ons 
gewest in die eeuw 14949 B. Wat er in Oostfriesland 
gewonnen is door de eerste bedijking in dezelfde eeuw, 
hebben wij begroot op 1500 B. In het geheel zal het dus 
bedragen 16449 , veel aanzienlijker derhalve , dan akends 
dit berekent. — In de volgende eeuw bestond de aanwinst 
ten onzent in de volgende polders: van 1626, groot 1139 B. 
(om hier ook alleen de volle bundertallen te nemen), van 
1657, groot 2364 B. , van 1665, groot 848 B., en van 
1696, groot 483 B., te zamen 4834 B.; in Oostfriesland 
in die van 1605, groot 936 B., en van 1682, groot 255 B. , 
te zamen 1191 B. , in het geheel dus in de 17de eeuw 
6025 B. — Tot de 18de eeuw behooren de polders, hier 
van 1701 , groot 621 B., van 1741, gróót 427 B., te za- 
men 1048 B. ; daar die van 1707 groot, 1391 B. , van 
1752, groot 1150 B., en van 1795, groot 626 B., te za- 
men 3167 B.; dus beloopt al het polderland dier eeuw 
4215 B. — In de 19de eeuw heeft men nog maar bij ons 
de indijking van 1819, groot 1153 B., om den oninge- 
dijkten aanwas tot heden niet mede te rekenen. Of ech- 
ter werkelijk de aanwas nu eens meer, dan eens minder 
is geweest, of ze toe- of afgenomen, dan meer onveran- 
derd dezelfde is gebleven, namelijk betrekkelijk en in het 
algemeen, bij het plaatselijk en tijdelijk verschil, dat hierin 
mag en zal geheerscht hebben, — dit verdient wel nader 
onderzocht te worden, dan tot dus ver is geschied; en al 
kunnen wij ook dat vraagstuk niet in zijn geheelen om- 
vang oplossen, zoo zullen wij, gebruik makende van de 
gegevens en middelen die ons te dienste staan, zoo veel 
en zoo na mogelijk dat trachten te doen. 

Tot dat einde hebben wij eerst een Tafeltje zamengesteld 
van het jaar van bedijking en van den inhoud van iederen 
polder in onze provincie, waarvan dit een en ander ons 
bekend was, om daaruit den gemiddelden jaarlijkschen aan- 
was op te maken. 



* 



Digitized by Google 



155 



Het onderstaand tafeltje houdt die opgaven in : 



Naam van den polder. 


Tusschen 

WCIKC tllJKCn 

de polder 
gelegen is. 


In 
hoeveel 
jaar de 
polder 
is ont- 
staan. 


Inhouds- 
grootte 

van den 
polder. 


Jaarlijkschc 
aanwas. 








B. 


R. 


E. 


B. 


R. 


E. 


Westelijk van het Zijldiep 


1597 en 1545 


52 jaren 


1112 


» 


ii 


21 


38 


46 


Oudland 


1626 en 1597 




1139 


47 


59 


39 


29 


40 


Oud .Nieuwland 


1665 eu 1626 


39 „ 


848 


39 


24 


21 


76 


64 


Nieuwland 


1701 en 1665 


36 „ 


621 


40 


23 


17 


26 


12 


Oostwolder polder 


1769 en 1701 


68 „ 


1189 


68 


30 


17 


49 


53 


Fin8erwolder polder 


1819 cn 1769 


50 „ 


1153 


25 


40 


23 


06 


50 


Stadspolder 


1741 cn 1695 


46 „ 


427 


68 


20 


9 


29 


74 


Kweldcrgrond 


in 1845 


65 „ 








28 


80 


25 

(172) 



Ziet men den jaarlijkschen aanwas, die in de laatste 
kolom is opgegeven, slechts oppervlakkig na, dan blijkt 
het, dat die aanwas in den westelijken boezem in verschil- 
lende tijdperken nog al belangrijk verschilt. Bij het Oud- 
land bedraagt de jaarlijksche aanwas toch 2 l / A maal meer 
dan voor het Nieuwland. 

Dit leidt daarom zelfs voor den westelijken boezem 
opzigtelijk den jaarlijkschen aanwas tot geene voldoende 
uitkomst, en zoo dit ook mogelijk was, zou men toch geen 
regt hebben , om daaruit tot den jaarlijkschen aanwas langs 
den geheelen Dollard te besluiten. 

Wij willen daarom zien , of wij uit die getallen geen an- 
dere kunnen afleiden , die voor ons oogmerk meer bruik- 
baar zijn. Het zal daarvoor echter noodig zijn, dat wij 
vooraf opgeven, hoe wij die getallen moeten vinden. 



(172) De dijk is voor een gedeelte gelegd in 1819, voor een gedeelte 
in 1741 en de Ganzendijk is nog veel ouder. In 1845 was dus de kwel- 
dcrgrond achter eeratgemelden dijk 26, achter laatstgenoemden 104 jaar 
oud , wat gemiddeld op 65 jaar uitkomt. Later zal men zien , hoe dio 
jaarlijksche aanwas van 28 B. 80 R. 25 E. is gevonden. 



Digitized by Google 



156 



Wij weten, en als men de kaart van de Dollardpolders 
in handen neemt, zal dit gereedelijk worden toegestemd, 
dat de aanwas langs den oever of dijk niet overal even 
groot is : hier zal de kweldergrond meer , daar minder toe- 
nemen ; er zullen dus plaatsen zijn , waar de aanwas het 
sterkst, andere, waar hij het minst is. Neemt men echter 
den oever voor eene regte lijn aan en verdeelt men den 
jaarlijkschen aanwas langs den oever zoo , dat hij overal 
even veel bedraagt, dan verkrijgt men eene lengte, die aan- 
wijst, hoe veel de kweldergrond gemiddeld jaarlijksch voor- 
uitschrijdt, en men kan die uit de grootte van den jaarlijk- 
schen aanwas gemakkelijk vinden , zoo men er de oever- 
lengte in deelt. 

Op die wijze is het volgende Tafeltje berekend: 



Naam van den polder of 
grond die bedoeld wordt. 


Gemid- 
delde 
j aarlij k- 

schc 
aanwas. 


Lengte 
van 
den 

oever. 


TT * * 

Hoe- 
veel de 
kwel- 
der- 
grond 
gemid- 
deld 
jaar- 
lijks is 
voort- 

ge- 
schre- 
den. 


In 

hoe- 

.r aal 

veei 
jaar de 
grond 
ge- 
won- 
nen 
is. 


Hoeveel 

de 
Kwciaer 
in het 
geheel 
gemiddeld 
is voort- 
geschre- 
den. 




B. 


R. 


£. 


Ellen. 


Ellen. 


Jaren. 


Ellen. 


Westelijk van het Zijldiep 


21 


38 


46 


12439 


17.5 


52 


910.0 


Oudland 


39 


29 


40 


14131 


25.4 


29 


736.6 


Oud Nieuwland 


21 


76 


64 


10293 


21.1 


39 


822.9 


Nieuwland 


17 


26 


12 


7730 


22.3 


36 


802.8 


Oostwolder polder 


17 


49 


53 


9814 


17.8 


68 


1210.8 


Finserwolder polder 


23 


06 


50 


10365 


22.2 


50 


1110.0 


Stadspolder 


9 


29 


74 


4433 


21.0 


46 


964.6 


Kweldergrond in het jaar 1845 


28 


80 


25 


14020 


20.54 


65 


1335.1 










Totaal 


• • • • 


385 


7892.8 cl. 



Of in 1 jaar gemiddeld 20.50 el. 



Digitized by Googl 



157 



De getallen in de vierde kolom verschillen wel nog aan- 
merkelijk van elkander. Als reden daarvoor gelooven wij 
wel te mogen aannemen, dat nu eens hier, dan eens daar 
de aanwas grooter is geweest, naar dat de oever daarvoor 
meer of min gunstig gelegen was. Het zou ons niet ver- 
wonderen, dat men bij eene volledige berekening van het 
jaarlijksch voortschrijden van den kweldergrond ook voor 
den oostelijken boezem op ons territoir en op Hannoversch 
grondgebied, tot de uitkomst zou komen, dat men bij 
de grootste getallen voor den westelijken boezem, kleinere 
in den oostelijken zou vinden en omgekeerd. 

Het is ons, door die overweging geleid, niet onaanne- 
melijk voorgekomen, dat aan de gemiddelde waarde, die 
aanwijst, hoeveel ellen de kwelder gemiddeld van 1545 tot 
1845 is vooruitgeschreden , wel vertrouwen mag worden 
geschonken. 

Voor het juist berekenen daarvan dienen de vijfde en 
zesde kolom, die zeker voor hen die weten, hoe men uit 
verschillende gemiddelde waarden eene enkele algemeene 
gemiddelde waarde moet opmaken, geene nadere toelich- 
ting vereischt 

Men vindt alzoo, dat op ons grondgebied van 1545 tot 
1845, dus over een tijdvak van 300 jaar, de kweldergrond 
of, met andere woorden, de kwelderplant zelve jaarlijks ge- 
middeld 20.50 el is vooruit geschreden. 

Opzigtelijk het jaarlijksch voortschrijden van den kwelder 
in den Dollard, voor zoo ver die onder Oostfriesland is 
gelegen, is met minder zekerheid een naauwkeurig cijfer 
te verkrijgen, omdat wij de lengte van den oever van 
iederen polder niet naauwkeurig hebben kunnen te weten 
komen, en wij de kaarten van het Oostfriesche kadaster 
niet ter onzer beschikking hadden; echter kunnen wij uit 
de opgaven van Dr. rkinhold wel ten naastenbij zulks 
uitvondig maken. ; 

Volgens hem bedraagt de grootte van de polders achter 
den dijk van 1605, die het Bunder Nieuland insloot, zoo 
als wij zagen (bL 143) en hier voorkomen: 

■ 



Digitized by Google 



158 



Jaar van Bedijking. 


Naam van den polder. 


Iuhouds- 

grootte. 


1682 
1707 
1707 
1707 
1752 
1795 
tot aan 1845 


Charlottenpolder 

Süder Christian Eberhardspolder 

Bunrïpr TntfcrpRfiflntprmnlflpT 

Norder Christian Eberhardspolder 

Landschaftspolder 

Heinitzpolder 

de kwelder achter den laatsten polder 


255.5 
142.5 

lui J.«J 

173.2 
1150.2 
626.8 

340.7 (173) 




Totaal . . . 


3764.2 bunder. 



Rekent men nu, dat deze 3764.2 bunder van 1605 tot 
1845, das in 240 jaren zijn aangewassen, dan vindt men 
door eene eenvoudige deeling voor den jaarlykschen aan- 
was van kweldergrond 15 B. 68 R. 42 E. Deze aanwas 
heeft, volgens Dr. reinhold, plaats gehad langs eenen 
oever, ter lengte van 7535 ellen. Deelt men deze oever- 
lengte in den jaarlijkschen aanwas, dan vindt men, dat 
de kwelder in Oostfriesland jaarlijks gemiddeld vooruit is 
geschreden 20.81 el. 

Wij hebben derhalve gevonden, dat de kweldergrond 
langs den oever gemiddeld jaarlijks vooruit is gegaan: 

Op ons grondgebied van 1545 tot 1845 .... 20.50 el. 

Onder Oostfriesland van 1605 tot 1845 .... 20.81 el. 

Dus gemiddeld .... 20.64 el. 
Deze gelijkheid van jaarlijksche voortschrijding van kwel- 
der in den oostelijken en westelijken boezem , op ons grond- 



(173) In het werk van Dr. reinhold : Hislorisch-hydrographiiche 
Nachrichten von den Haf en und andern Schiffahrts-Anstalten in O st/ri es- 
land , komt op p. 105 voor, dat de kwelder achter den Heinitzpolder 
in 1840 groot was 306.6 bunder. Daar mrvan 1795 tot 1840, dus in 
45 jaar, deze kweldergrond is ontstaan, zal hij in 50 jaar, dus in 1S45. 
voor % z y n vergroot , derhalve een inhoud van 340.7 bunder gehad heb- 
ben. Eene kleine misgissing hierin zal wel geen invloed op de uitkomst 
hebben. 



Digitized by Go 



159 



gebied en in Oostfriesland, in beide boezems en oorden, 
door een drietal eeuwen heen, is zeker cene verrassende 
uitkomst; het leert ons, zoo als men dagelijks uit honderde 
verschijnsels kan opmaken , dat alles , wat oppervlakkig be- 
schouwt, zeer onregelmatig en ordeloos schijnt te zijn , doch 
bij naauwkeurig inzien, aan den invloed van vaste wetten 
onderworpen is. De aanwas op ons grondgebied is dus op 
zich zelf wel veel aanzienlijker, dan die op Oostfriesch grond- 
gebied, omdat wij veel grooter deel van den Dollard heb- 
ben, maar naar evenredigheid niet; integendeel bedraagt 
die van Oostfriesland zelfs iets meer en heeft het land dus in 
dat opzigt wel zijn deel ontvangen. Aan de in vergelij- 
king veel uitgebreidere oeverlengte in het eerst aan onze 
zijde, toen nog de beide boezems zoo diep in ons gewest 
binnendrongen, als oorspronkelijk het geval is geweest, zal 
het dan ook voornamelijk toe te schrijven zijn , dat onze 
Dollardkust zoo veel eerder en meerder is begonnen we- 
der aan te groeijen, dan de Oostfriesche. De meer gun- 
stige ligging van, onzen oever boven den ander, mag ook 
het hare daartoe bijgedragen hebben; doch wel niet zoo 
veel als bedïhold wil, die onzen meerderen aanwas ge- 
heel daaraan toeschrijft (174). Onze Dollardoever is, vol- 
gens hem , dus genoemde opper- of hoogerwal , welke de 
weste- , noorde- en noordweste winden niet tegen zich over, 
maar van het land afkomende heeft, waardoor hij bij stor- 
men daartegen beschut en niet zoo zeer aan hunnen aan- 
val blootgesteld is, als de tegen over gelegene Oost- 
friesche oever, welke lagerwal is en aan die winden meer 
blootstaat; terwijl bovendien de vloedstroom door de 
staande gebleven landspits van Beide van deze kust af- 
en naar gene kust toegekeerd wordt en is. Dat verschil 
van ligging is echter niet zoo geheel van toepassing, ver- 
mits een deel van onze kust in den oostelijken boezem 
ook wel degelijk aan die winden is en was blootgesteld, 
en het zal de vraag zijn , in hoe ver die verklaring aanne- 
melijk is, als wij over den invloed van de ligging der 
kust en van de rigting der winden op de nog plaats heb- 
bende aanslijking in den Dollard hebben te spreken. 



(174) Uydrographie von Ostfricsland , in Joum. von Dr. crelle , B. 
XIII, H. 3, S. 307, en ïlistlor.'Uiidrogr. Nachrictitên , S. 3.1. 



160 



Hoe dit zij, daar nu bij iedere bedijking de oeverlengte 
natuurlijk veranderd werd , volgt dit er onbetwistbaar ze- 
ker uit, dat de aanwas, naar bunders gerekend, sedert 
het ontstaan van den Dollard of van den beginne af even 
zoo is veranderd, gelijk wij zagen, en de reden daarvan 
nu ook blijkbaar genoeg is. 

De beide boezems, die met den naam van oostelijke en 
westelijke worden onderscheiden, zijn middelerwijl verdwe- 
nen; de oever van den tegenwoordigen Dollard heeft een 
cirkelvormig beloop gekregen en de oevers, waarlangs 
aanwas plaats heeft, hebben zich daardoor noordelijk, zoo 
wel op ons grondgebied, als onder Oostfriesland, verlengd. 
Door dit verdwijnen van de beide boezems is de opslib- 
bing veranderd. Achter den Heinitzpolder is tegenwoor- 
dig de aanwas niet groot en bedraagt ongeveer 6.81.00 
'sjaars. Achter den Stadspolder is de aanwas 'sjaars, na 
de bedijking van den Finserwolder polder, iets vermeer- 
derd en bedraagt ongeveer 4.67.00. De plaatsen, waar 
de aanwas het sterkst en het meest was, hebben zich daar- 
door veranderd , zoo als later zal worden opgegeven. Ach- 
ter Finserwolde, onder Nieuwolde en Termunten schrijdt 
nu de kwelder 'sjaars meer vooruit, dan vóór laatstgemelde 
bedijking. Maar het tijdverloop sedert de bedijking in 1819, 
die het laatste spoor van den westelijken boezem wegnam, 
is nog te kort, om nu reeds met zekerheid op te maken, 
hoeveel de kwelder 'sjaars in den geheelen Dollard zat 
voorwaarts schrijden, daar de fouten, die men hierbij be- 
gaat , over groote tijdruimten verdwijnen , maar over kleine 
tijdperken niet anders dan eene uitkomst geven , aan welke 
geen genoegzaam vertrouwen te schenken is. Het verder 
onderzoek naar de wijze van aanslijking, hoe en van waar 
ze geschied is en nog geschiedt, behoort ook meer tot 
de beschouwing van den aard en oorsprong van het aan- 
geslijkte land en dus tot de Tweede Afdeeling van ons 
werk, waar wij dat een en ander op zijne plaats zullen 
behandelen en waartoe wij nu overgaan. 



Digitized by Goc 



TWEEDE AFDEELING. 

DE TEGENWOORDIGE STAAT EN NATUURLIJKE HISTORIE 

VAN DEN DOLLARD. 

EERSTE HOOFDSTUK. 

* 

Grootte van den Dollard. 



Vóór de Kadastrale opmeting is de grootte van den 
Dollard, naar ons weten, niet bepaald geworden, dan 
eens en ook alleen , voor zoo ver hij op ons grondgebied 
is gelegen, namelijk bij de opneming, ten jare 1733 in 
het werk gesteld op last der Stadsregering van Gronin- 
gen, welke, niet alleen als Heer van het Oldambt, maar 
ook als grondeigenaar van een groot deel van dien boe- 
zem», bijzonder belang daarbij had en in dit laatste opzigt 
nog heeft (175). Zoodanige opmeting kon ook niet wel eer- 
der geschieden , voordat de grensscheiding of het aandeel 
in dezen boezem tusschen de wederzijdsche gewesten , 



(176) Deze opneming is geschied ten gevolge Raadsbesl 11 Junij 1733, 
waarbij de Stads Bouwweester a. verburgii is authoriseert eene Oaarte 
van een gedeelte van den Dollart voor het Kleij Oldambt langs te vervaar- 
digen. Bij Raadsbesl. 19 Febr. 1734 is Denzelven voor het meeten van de 
grootte van den Dollart, en op eene Kaerte brengen , toegelegt 200 zilveren 
Ducalons. De oorspronkelijke , op linnen geplakte , maar door ouderdom 
zeer onduidelgk geworden Kaart wordt in het Stadskantoor, met andere 
Kaarten van den Dollard , bewaard. Eene kopij daarvan , door den Land- 
meter a. J. Smit van der vegt gemaakt en den 20 Julij 1838 gewaar- 
merkt , hangt op de provinciale Archivenkamer in het Raadhuis. 

11 



Digitized by Google 



162 



Groningen, of liever bepaaldelijk het Oldambt, en Oost- 
friesland geregeld en vastgesteld was. Dit was een tiental 
jaren vroeger geschied, te weten in 1723, tusschen de- 
zelfde Stadsregering en den Vorst van Oostfriesland. Wij 
willen kortelijk vermelden , wat de geschiedenis ons leert 
omtrent deze grensscheiding , waarover later weder ver- 
schil is ontstaan en heden nog bestaat , en welke daardoor 
eenige vermaardheid heeft gekregen en alsnog de belang- 
stelling wekt. 

Nadat, gelijk gezegd is (bl. 95) , door de inbraak van den 
Dollard, de oude landgrenzen waren verbroken, Keider- 
land was vaneen gescheiden en verdeeld geworden tusschen 
ons en dat gewest , is de Westerwoldsche Aa tot grens tus- 
schen beiden aangenomen (176). Men heeft die rivier dan 
ook als zoodanig gevolgd, zooals zij later door de aan 
haar weder aangewonnen landen van den Dollard is ge- 
loopen, van beneden de Nieuwe Schans af. Van hier 
naar boven is de Moersloot de grenslijn geworden, toen 
Bellingwolde met het land tusschen de Aa en die sloot tot 
Westerwolde en alzoo tot ons gewest is gerekend gewor- 
den , terwijl de lijn , bij die Schans , om deze is heengeleid. 
Wegens den wisselvalligen loop echter der Aa ontstond er 
in den aanvang der 18de eeuw geschil over hare grens- 
scheiding tusschen voornoemde Regeringen van Groningen 
en Oostfriesland , en wel met opzigt tot den wederzijdschen 
aanwas. Die stroom namelijk begon toen daar, in plaats van 
zijnen noordelijken loop te vervolgen , eene noordwestelijke 
rigting aan te nemen. Van deze zijde trachtte men den 
eersten ouden loop als grens te behouden , om niet bekort 



(176) Zoo wordt reeds in een zoenbrief tusschen haijb addikga , Hoofd- 
ling van Westerwolde , cenerzijds , en de stad Groningen en de Ommelanden 
anderzijds, van den 12 Junij 1427 , by driksbex , Monum. Gron. TV, 838, 
Reijderland op de weeitrsyd der Ee (de Westerwoldsche Aa), onder de 
laatstgenoemde landen mede opgenomen. Die Aastroom wordt vervol- 
gens onder de grenzen van Oostfriesland genoemd in den brief, waarbij 
in het jaar 1454 de Keizer frederik III dat gewest tot een Graafschap 
des Rijks heeft verheven. Wiarda , Ostfries. Gesch. II , 80. Westendorp » 
Jaarb. II , 536. Beide verstaan echter , zeker te onregte , onder die Aa 
het takje daarvan de Sijp of Moersloot , welke ook verder de grens uit- 
maakte, en, aoo al, hier wel niet anders dan als zoodanig of als vervolg 
der Aa zal bedoeld of te begrijpen zijn. 



Digitized by Goc 



163 



te worden in den toekomstigen aanwas; van gene zijde 
daarentegen wilde men den nieuwen loop als zoodanig ge- 
volgd hebben (177). In plaats van het een of het ander, 
werd besloten eene vaste grens te bepalen, en wel in de 
oude noordelijke rigting der Aa, en dus in zoo verre aan 
den eisch der stad toegegeven. Men kwam dan in 1723 
overeen, die grens aldus te regelen en vast te stellen: 
dat van zekere plaats in de Aa eene lijn zou getrokken en 
met palen afgebakend worden , overeenkomstig met de mid- 
delstreek tusschen het N. en het N. t. O. van het kom- 
pas, welke lijn in 't vervolg steeds de scheiding, zoowel 
van den eigendom van dm grond , als van het regtsgebied 
tusschen de beide partijen zou uitmaken, al veranderde 
de Aa ook van loop (178). Diensvolgens werden er vier 
zoogenaamde Duc d' Al ven , zijnde sterke palen , onder- 
steund door zijpalen, beneden de Statenzijl, op een af- 
stand van 705 4 %oo Rijnlandsche roeden van eenen oost- 
waarts van die zijl aan den buiten voet des dijks staande 
paal, gemerkt A, in die rigting, op den aanwas in den 
Dollard tot bakens opgeslagen. 

De zuidelijkste dezer Duc d'Alven , zijnde de terminus a 
quo, dat is het punt, van waar de grensscheiding voortaan 
de bovengemelde rigting zoude volgen , welke was geplaatst 
aan de oostzijde van een kronkel of bogt van de Aa , 
spoelde echter na verloop van eenige jaren bloot door de 
werking van den stroom, welke dien kronkel meer en 
meer oostwaarts drong. Deze Duc d'Alve kwam daardoor 



(177) Deze verandering van rigting in den loop der Aa zal men echter 
slechts als eene plaatselijke mogen aanmerken, daar immers de hoofd- of 
algemecne rigting, althans verder in den Dollard , wel noord westwaarts zal 
geweest zijn , gelijk nu nog , en omgekeerd eene noordoostelijke verplaat- 
sing bij deze en andere noord en zuid loopende wateren in den Dollard 
wordt bespeurd , zooals wij zullen zien , en waardoor dus de stad , was 
men den vrijen loop der rivier blijven volgen , ten slotte mogelijk zoo 
veel meer niet verloren zou hebben , als zij nu bij de hierop vastgestelde 
grensbepaling gewonnen hoeft. 

(178) Het Contract van deze grensscheiding, geteekend den 26 Jau. 
1723, zooals het in het Hoogduitsch van de zijde van Oostfriesland is 
overgegeven, berust op het Provinciaal Archief alhier; ook eene verta- 
ling daarvan gemaakt door den beëedigden Translateur j. rütgerr in der 
tijd. Zie ook over de onderhandelingen daaromtrent gevoerd de Stads- 
resol. 18 April, 13 Aug. en 27 Nov. 1722 , alsmede 14 Mei 1723. 



Digitized by Google 



164 



van lieverlede in de rivier te staan, hinderde de scheep- 
vaart en werd voor dezelve gevaarlijk. Hij werd daarom 
in het jaar 1738, onder het toezigt van wederzijdsche ge- 
magtigden van Groningen en Oostfriesland, meer zuidelijk 
verplaatst, en wel in de oude rigting van de drie meer 
noordwaarts staande Duc d' Al ven. Bij die gelegenheid 
werd nog een maatregel genomen, strekkende, om de vast- 
gestelde ware rigting van de grenslijn ten allen tijde ook 
op het vaste land te kunnen kennen, wanneer de bakens 
te eeniger tijd weder door ijsgang of anders mogten zijn 
vernietigd of van derzei ver oorspronkel ijken stand uitge- 
weken , zooals dit kort na 1723 was geschied en 't welk 
reeds in 1730 eene vernieuwing der bakens noodig had 
gemaakt. Die maatregel bestond daarin, dat met weder- 
zijdsch overleg vijf palen in dezelfde rigting der bakens 
binnenlands werden gesteld, namelijk drie op Groningsen 
en twee op Oostf'riesch grondgebied, van welke vijf palen 
de zuidelijkste bleef de bovengemelde paal A en de overige 
palen geteekend werden naar volgorde, de twee op stads- 
grond met C, D 9 de twee anderen op Oostfriesch territoir , 
met B, E; terwijl er hier tegen de zuidelijkste Duc 
d'Alve F, regthoekig op de grenslijn, in den aanwas nog 
twee palen , G en H, op bepaalde afstanden zijn ge- 
plaatst. Van een en ander werden toen , in 1838 , twee 
gelijke kaarten gemaakt en wederzijds geteekend, geratifi- 
ceerd en uitgewisseld (179). — De gemelde Duc d'Alven 
leden echter weder later, door de inwerking van het water 
en andere oorzaken, zoo zeer, dat zij voor het oog verlo- 
ren raakten. De stad drong wel herhaaldelijk op derzelver 
herstelling aan, maar vruchteloos; want het is ons niet 
gebleken, dat daaraan van de zijde der Oostfriesche rege- 
ring gevolg is gegeven (180). 



(179) Zie de Stadsres. 4 Junij 1737 cn 22 Sept. 1738. Het aan de stad 
Groningen uitgewisselde exemplaar dier Kaart, den 29 April 1743 door 
het Oostfriesch Gouvernement geteekend , wordt in het Stads Archief In 
een blikken bus in de Kist no. 1 bewaard, met onderscheidene Kopijen 
daarvan genomen. Het werk , het zetten der palen en opmaken der 
Kaart, is verrigt door de Ingenieurs horst, van de Oostfriesche, cn 
THEYsiNGA van de Stadszijde. 

(180) Stadsresol. 22 en Missive 29 Junij 1772; Secrete Rtsol 28 Oc 
tob. 1774 en Missive 11 Nov. 1774. 



Digitized by Goc 



165 



Dus bleef en was het hiermede gesteld, toen bij de 
grensregeling tusschen ons Rijk en Hannover, in 1819 be- 
gonnen, doch eerst in 1824 en later ten einde gebragt, 
ook de grens door den Dollard op nieuw zou bepaald wor- 
den, naar de overeenkomst van 1723. Hierbij kwam het 
in de eerste plaats op aan , de oude boven den grond ver- 
dwenen grenspalen terug te vinden , zijnde hiervan alleen 
de paal A , staande aan den dijk bij de Statenzijl , als van 
ouds toen meer overig. De Stadsregering van Groningen 
liet in 1820 daarnaar onderzoek doen, door haren stad- 
genoot, den Heer G. kuijper, alhier nog woonachtig. 
Met behulp van de Kaart van 1738, vond deze de twee 
op Groninger territoir in den grond nog zittende palen 
C en D terug; wat de overigen betrof, meende men 
geen regt te hebben op Oostfriesch territoir daarnaar on- 
derzoek te doen. Het vermoeden echter, dat deze ook 
nog onder den grond verborgen waren, is in zoo verre 
bevestigd geworden , dat men in 1851 den paal B ook nog 
heeft terug gevonden. Dat de terug gevonden palen de- 
zelfde waren, als de in 1738 geplaatste, besloot kuijper 
daaruit, dat zij op gelijke afstanden als deze in eene 
regte rigting van 14° 40' ten O. van het N., naar het 
toenmalige kompas gerekend, stonden. De afwijking daar- 
van bedroeg toen 20° 35' westelijk, en aannemende die 
voor het jaar 1722 op 11° 27' westelijk en de rigting der 
palen, volgens de bepaling der grensscheiding in 1723, 
op 5° 37' 30* ten O. van het N. , berekende hij de rigting 
daarvan naar het kompas in 1820 op 14° 45' 30" ten O. 
van het N., wat slechts een verschil van b l / 2 min. met 
de door hem gemetene rigting der palen opleverde (181). 
Niettegenstaande deze bewijzen en ondanks den sterken 
aandrang der stad Groningen, om door middel van de 
palen A, C, JD, op haren grond staande, ook al de 
overige palen B, E, G en H op Oostfriesch territoir on- 
der den grond terug te zoeken, en daarna ook de ver- 



(181) Dit is vervat in zgne Memorie wegens de Grensscheiding tusschen 
Oostfriesland en de provincie Groningen buiten de Statenzijl in den Dollart , 
overgegeven den 29 Febr. 1820, en nedergclegd in het Provinciaal Archief 
van Groningen. 



166 



moedelijk in den grond zittende einden der Duc d'Alven , 
vond zulks van de Hannoversche zijde zulk een tegen- 
stand en geene voldoende ondersteuning van de zijde der 
Nederlandsche gemagtigden , dat men afzag van de her- 
stelling der grenslijn naar de oude bakens — waartoe echter 
de gevondene reeds voldoende waren geweest — en besloot 
die op nieuw te regelen naar het kompas, volgens de be- 
paling van 1723. Die regeling werd alzoo nu geheel af- 
hankelijk gemaakt van de zoo onzekere bepaling van de 
miswijzing van het kompas in dat jaar, dat daaromtrent 
zeer uiteenloopende opgaven van weerszijden door des- 
kundigen werden medegedeeld. Doch dit punt werd 
ook geschikt, en zoo kwam dan eindelijk de grensbepa- 
ling aldus tot stand , luidens de eigene woorden van 
Art. 41 van het Grens-Tractaat in 1824 gesloten: „De 
„nieuw bepaalde grenslijn in den Dollart begint van het 
„ punt , hetwelk op eenen afstand van 2674 ellen en 6 
„palmen of 710 Rijnlandsche voeten van den aan den voet 
„en noordelijk van den dijk, bij de ötatenzijl, thans nog 
„ voorhandene paal (A) , naar den Dollart heen , aan den 
„westelijken of linker oever van de Aastroom, te vallen 
„komt, en op de bij dit Tractaat behoorende nieuw opge- 
„ meten grenskaart met de letter F is aangewezen. Van 
„hier af, loopt de grenslijn door den Dollart tot aan de 
„Eems, in eenen hoek van 8 gr. 9]/ 2 min. westelijk van 
„de ware noordlijn, welke de middellijn is tusschen het 
„Noorden en Noorden ten Oosten, naar het kompas ge- 
trokken, overeenkomstig het Convenant van den jare 
„ 1723, voor welk jaar de westelijke afwijking van het 
„ware noorden tot 13 gr. 47 min. gemeenschappelijk is 
„ aangenomen" (182). Op dat vaste punt werd daarop, den 
11 Augustus 1825, even zoo gemeenschappelijk door de 
Commissarissen van Nederland en Hannover in den kwel- 
dergrond een grenssteen gelegd, geteekend met No. 203, 
als de nieuwe terminus a quo. 



(182) Dit Grens-Tractaat tusschen de Koningrijken Hannover en de Ne- 
derlanden , gesloten en geteekend te Meppen den 2 July 1824 , is te vin- 
den in het Bijvoegsel op het Staatsblad van het Koningrijk der Nederla*' 
den, D. XIII, St. 3, bl. 90, te Gorinchem bij j. noorddyn uitgegeven. 



Digitized by Goc 



167 

Daar nu de aldus bepaalde van dien grenssteen uitgaande 
nieuwe grenslyn met die , welke door de oude palen A t B, C 
en D naar de Eems wordt aangewezen , een verschil maakt 
van 2° 14' 30" of zoodanigen hoek, dat het daar tusschen 
liggend terrein van den Dollard tot aan de Eems gerekend 
wordt een aantal van 257 bunders te bedragen, zoo is dit 
terrein derhalve, door het Tractaat van 1824, van Neder- 
landsen grondgebied, gelijk het was, Hannoversch grond- 
gebied geworden. Voor zoo verre nu namelijk het regts- 
gebied of Rijks territoir aangaat, was en is hieraan geen 
twijfel , maar wel wat den grondeigendom betreft , omdat 
daarvan in dat Tractaat geene sprake, integendeel in 
Art 2 bepaald is: „dat de dusverre bestaande bij- 
zondere regten der wederzijdsche grensbewoners op het 
„grondgebied van een der beide Staten blijven voorbe- 
houden;" derhalve ook het regt van eigendom, hetwelk 
de stad Groningen op die 257 bunders bezat, krachtens 
de scheiding van 1723, die ge volgelijk in dat opzigt nog 
volkomen geldig is gebleven. Althans zoo bleef zij tegen 
Hannover beweren, dat in tegendeel ook den grondeigen- 
dom onder de scheiding begrepen achtte. 

Doch het bleef niet bij dit geschil. Na het leggen van 
den grenssteen en wel reeds op den volgenden dag, is 
daarop van de zijde van Hannover terug gekomen en be- 
weerd, dat die steen omstreeks 8 roeden en 3 voet, Rijnl. 
maat, verder westwaarts moest worden geplaatst, als zijnde 
zoo veel te oostelijk gelegd. Men maakte dit op uit het 
zeggen van een paar landlieden , dat de oever daar ter 
plaatse door aanslijking zich zoo veel oostelijker verlegd 
had, dan op de grenskaart, reeds in 1819 opgemaakt, was 
aangewezen. Hieraan is van de Nederlandsche zijde wel 
geen gehoor gegeven, zoodat de baak in dien toestand is 
gebleven , maar bedoelde steen ook tot heden van den kant 
van Hannover niet als de terminus a quo is erkend. Wan- 
neer nu van onze zijde aan dien nieuwen eisch van Han- 
nover werd voldaan, zou daardoor nog eene uitgestrekt- 
heid van ongeveer 34 bunders grondgebied tot aan de 
Eems aan dat Rijk overgaan en dit met de bovengemelde 
257 B. te zamen 291 B. bedragen, waarop het, en niet 
alleen als zoodanig, maar ook als grondeigendom van het 
Domein aanspraak maakt, ten koste der stad, welke echter 



Digitized by Google 



168 



daarentegen haar regt staande houdt, op voormelden 
grond. De onderhandelingen, daarover reeds sedert eeni- 
gen tijd tusschen de partijen gevoerd, bij gelegenheid dat 
er een plan van indijking in den Dollard is ter sprake 
gebragt, waaronder ook de aangrenzende Stads gronden 
zouden worden begrepen , hebben dan nog tot geene hier- 
voor ook zoo wenschelijke uitkomst geleid. Wij onthou- 
den ons verder van aanmerkingen in deze zaak, waarvan 
wij alleen een getrouw verhaal hebben getracht te geven , 
maar kunnen niet nalaten den wensch te uiten, dat dit 
geschil spoedig in der minne geschikt moge worden. In 
afwachting hiervan bepalen wij ons bij de begrooting van 
den tegenwoordigen omvang van den Dollard aan deze en 
gene zijde, zooals die tot dus ver afgebakend is (183). 

Volgens de opmeting van den Dollard op ons grondge- 
bied, welke het Kadaster ter regeling der grondbelasting 
heeft gedaan, tijdens de jaren 1823, 1824 en 1825, zou 
die waterplas buiten de dijken , die haar omsluiten , een 
inhoud hebben van 9032 B. 34 E. en 80 E. Onder deze 
grootte is de landtong Reide begrepen, die eigenlijk niet 
tot den Dollard behoort, omdat zij nog meer of min het 
overblijfsel van het oude vaste land is. Voor die landtong 
geeft ons het Kadaster 84 B. 52 R. 60 E. Trekt men 
deze grootte van even genoemde oppervlakte van den Dol- 
lard af, dan verkrijgt men voor den wezenlijken inhoud 
van dien boezem op ons grondgebied 8947 B. 82 R. 20 E. 
Het Kadaster heeft echter de Dollardgronden in zoo verre 
te klein opgemeten , als de noordelijke Kadastrale grens de 
Eems niet bereikt, welker zuidelijke oever de wezenlijke 
scheiding uitmaakt van den Dollard (184). De Eems nu 



(183) Men zie voorts nog het Verslag van hei Vierde Nederl. Land- 
huish. Congres , gehoud. te Utrecht in 1849, bl. 148, over de grensschei- 
ding in den Dollard en het geschil daarover ontstaan ; deze zaak is al- 
daar te berde gebragt bij de beraadslaging over het uitgebragte Rapport 
over de inpoldering van dien boezem , doch niet in allen deele juist 
voorgedragen. 

(184) Zoo wordt de Eems niet alleen in het Grens-Tractaat met Han- 
nover, maar ook op do Kaart van vbrburgh aangewezen, als grens van 
den Dollard en waar de grenslijn tusschen ons gewest en Oostfriesland 
daarin getrokken ophoudt. Men vindt de rigting van die grenslyn voorts 



Digitized by Google 



169 



zal 2910 Oostfriesche Rijnl. roeden of 10963 ellen van den 
grenssteen, die in den kweldergrond is nedergelegd, ver- 
wijderd zijn. Bij de voormelde nog aanhangige onderhan- 
delingen over de scheiding in den Dollard, heeft het Oost- 
friesch Domeinbestuur zich genegen betoond , om aan de 
stad Groningen zoo verre toe te kennen de slijkgronden 
langs die grenslijn. Het eischt nu wel, dat die steen iets 
westelijker zal gelegd worden, maar dit maakt voor de 
lengte dier grenslijn geen verschil. Hiernaar hebben wij 
berekend, dat de slijkgronden onder de gemeente Beerta 
inderdaad 519 B. 44 R. grooter zijn, dan zij bij het Ka- 
daster voorkomen. De Dollardgronden buitendijks hebben 
dus op ons grondgebied, met inbegrip van de landtong 
Reide, eene grootte van 9551 B. 78 R. 30 E. 

Wat de grootte van de buitendijksche gronden van den 
Dollard onder Oostfriesland aanbelangt, wij hebben die op 
3334 B. berekend naar de Kaart van de provincie Gronin- 
gen, welke door het Departement van Oorlog is uitgege- 
ven, nadat vooraf daarop is overgebragt de afstand van 
10963 E., welken, zooals gezegd is, de oever der Eems 
van den grenssteen in den kwelder heeft. Deze inhouds- 
opgaaf verdient derhalve minder vertrouwen, dan die, 
welke wij voor den Dollard op ons grondgebied hebben 
berekend; maar toch schatten wij de fout in geen geval 
hooger dan op een vijftigtal bunders, en als men geene 
genoegzaam volkomene juistheid kan verkrijgen, is men 
wel genoodzaakt, zich met eene meer onnaauwkeurige op- 
gaaf te vrede te stellen. Wij kunnen daarbij de verzeke- 
ring geven, dat de Kaart zelve op verschillende plaatsen 
door ons is nagezien en vrij juist is bevonden. 

Het volgende tafeltje zal een nader overzigt geven van 
den inhoud van den Dollard, ook wat daarvan onder elke 
gemeente is begrepen. 



gewoonlijk opgegeven , als rooiende op den kerktoren van Nesserland , wolk 
gebouw nu echter sedert den stormvloed van 1828 in puin ligt. Zie Teg. 
Staat van Stad en Lande, I, 12, en de Kaarten dor provincie van beo 
keringu en van jappé. — Wy laten daar, als niet tot ons onderwerp 
behoorende, de anders niet minder belangrijke en nog onbesliste vraag, 
in hoe verre ook de Eems de landscheiding uitmaakt. 



170 



w 

p 

d 

o 



"2" 

O- 
O 

s 



«0 

B & 
I -t 





Jeragum. 




Terraunten. 


Nieuwolde. 


Finserwolde. 


Beerta. 




0 

2,03 

>B i 

1 es * 
era a 

r» — 

S 

0 


Totaal 


3334 




2371 


O) 
O 




6111 


cc 

• 


in 

Gemcon 




■w 
M 




ex 
o 


O* 
O 


~j 


o 




Ml 
^ 3 o 

>°g. 




«■ 




O 


OO 
O 


CO 

O 


O 


w 


3 o 
cr 
** 
• 


12885 | 


3334 


9551 










• 


H 

M | 

OS* 0 
2 3- 

8. 8 

S.H 

r 1 


oc 




00 










■ 


OO 
O 


** 
^# 


OO 
O 










• 



Pi 

© 

au 
g § 

■ o 

• «p: 
O» W 

Bk — • 

M§ 

© P 



» 



o p* 

0 ft 
O * 



P>BE 
c: » o 



2 

O 

o 
re 

3 

gr 

re 



H 

O 
■ 

O 



o S 
o ~ 

5g 



N 

_ ft 
P-i - 



♦ Pi |— 



B *• 



fs 

s p 



i 



ft M. Pi 

ft P" » ft 

" w 

CD 



P <| B © 

•21 

^ 2 



E 

orq p. 

I CD 



00 
(O 



ft 

Er- 
ft 



O 

O 
s 

& 
cd 

O 
o 
p 



■ 

p 
co 

w 

© 

CD 

»■ -t 

ft ft 
O 1 

^CD 

Pi O 
© O 



1 se ft 

|g> 

Q g' 

- c 

© 

2 e 

O P< 

0 ft 
re <rj 

1 5C 



P. 

e 

b hi 
wP 

2 

3 2 

CD P. 
i-l CD 

ga 

o & 

• B 
p 



Kc? 
I " 

M 

CD « 
O 

CD L- 

• CO 

O 



ê 

SC 

i 

3 

•— » 

O 
o 
3 

re 



p- 

ft 



■ 

i 

3 

— 

e» 



Q 

O 2. 



CR H 

3§ 

Cl. » 

CD 2 

eS 
© pr 

3 -j . 



o © . 
u o » j 

a • 

■i °^ n. 

5 2 w 

ft 45 «" 

D CD "* 

3 p. ft 

cc te P 
c p 

§ 2 O 
a 2 o. . 
N p ® ft 
« © 

O . P n- 



o 

1 

O 

3 
s 

O 
3 



p c:: » 2. 
& SJ» td o 

CO CD 

*" Cu p 
< ^ p 

» © 
»* o P 

p r 
< <t 



re 



td 



O 

I? 

© I 



K p* 

g, O ft 

ii 

O O 

s 

F» 

3 ft 

* © 
p* 

© *■» 



3 p" 

re p _ 
3 & g 

<-» »p: 
o 

p p. 

0Q re 
M 

» § 

| c? 

era 

CP rr, 

p !: 
o 

• ft 



p*ora P- 
« 2 « 

<r* O <-t 

e Cr 

2 <n 

co - o 
rr O 

CD P 

ora _ cu 

© Pi CD 

ft ft 

- — — 
p o o: 
Pi o pc 
. "« i 



— 

- »p: 

2. — 
lp: co 

|j 

» era 
p< o 
© ^ 

3 p. 
7 S 



o 
a 

3 

I 

3 

vo 

A 
9 



Digitized by Google 



171 



De Dollardgronden bestaan hoofdzakelijk uit slijk- en 
uit met gras begroeide gronden, die men in het Oldambt 
kweldergronden noemt, en om met zekerheid op te geven, 
hoedanig de inhoud van den Dollard tusschen deze twee 
soorten van eigendom is verdeeld , moeten wy onze toevlugt 
tot de Kadastrale stukken nemen. 

Het Kadaster heeft in 1845 noodig geoordeeld, om de 
kweldergronden bij hunne gedurige aanwinst sedert de pri- 
mitieve meting, ter regeling van de grondbelasting, van 
nieuws op te nemen ; daarbij is echter de primitieve meting 
van den Dollard, voor zoo verre hij op ons grondgebied 
ligt, behouden gebleven. Men heeft dus in 1845 alleen 
de grootte van den kweldergrond behoeven te bepalen, en 
deze heeft men van den inhoud van den geheelen Dol- 
lard, zoo als de primitieve meting die had bevonden, 
afgetrokken : het verschil toonde de hoegrootheid der slijk- 
gronden voor het jaar 1845 aan. 

Van de grootte der kweldergronden langs den Dollard 
onder Oostfriesland hebben wij over het jaar 1845 nergens 
aanteekening gevonden. Dr. reinhold geeft echter die 
grootte voor 1840 op, en door aan te nemen, dat de 
kweldergrond in denzelfden tijd met dezelfde grootte ver- 
meerderd wordt, hebben wij de de grootte voor 1845 kun- 
nen vinden. 

De hierna volgende Staat toont de verdeeling van den 
Dollard tusschen de vier Gemeenten in ons land en onder 
het Ambt Jemgum in Hannover in de twee onderscheidene 
soorten van eigendom voor het jaar 1845 aan. 



Koningrijk. 


Gemeente 
of 
Ambt. 


Kweldergrond. 


Slykgrond. 


Totaal. 




Beerta. 


368 


49 


60 


6742 


51 


80 


6111 


01 


40 




Fhwerwolde. 


316 


29 


30 


192 


46 


60 


608 


75 


90 


Nederland. < 


Nieuwolde. 




















176 


01 


60 


884 


49 


30 


560 


50 


80 




Termunten. 


278 


60 


80 


2092 


89 


90 


2371 


50 


70 


Hannover. 


Jemgum. 


334 


76 


30 


2999 


23 


70 


3334 


» 


» 




Totaal. 


1474 


17 


60 


11411 


61 


30 


12885 


78 


80 



Digitized by Google 



172 



Uit deze Tafel kan gemakkelijk het gemiddeld jaarlijksch 
vergrooten van den kweldergrond , in iedere Gemeente van 
ons land, die in den Dollard oploopt, en onder het Ambt 
Jemgum gelegen , worden opgemaakt , zoo men slechts 
het tijdsverloop sedert de laatste binnendijking bekend 
heeft, en dit tijdsverloop is op eene eenvoudige wijze te 
vinden. De hier volgende Tafel toont het gemiddeld jaar- 
lijksch vergrooten van den kweldergrond aan , opgemaakt 
uit het tijdsverloop tusschen het jaar der laatste indijking 
en het jaar 1845. 



Gemeente 
of 
Ambt 


Aantal jaren 
tusschen het 

leggen van 
den laatsten 
dijk en 1845 

verloopen. 


Gemiddelde jaarlijk- 

sche vergrooting 
van den kweldergrond. 






B. 


B. 


B. 


Beerta. 


105 


3 


50 


95 


Finserwolde. 


26 


12 


16 


50 


Nienwolde. 


26 


6 


77 


00 


Termnnten. 


26 


6 


35 


80 


Jemgum. 


50 


« 

6 


69 


50 


Totaal 'sjaars. 


35 


49 


75 



Aanmerkingen. 



Onder de Beerta ver- 
meerdert de kwelder 
's jaars een weinig min- 
der dan hier is opge- 
geven , omdat de Egyp- 
terdijk vroeger gelegd 
is dan de dijk achter den 
Stadspolder. 

De kweldergrond is 
onder Termnnten langs 
den dijk van 1819 in 
1845 groot geweest 165 
B. 31 R. 10 E. 



Wat den jaarlijkschen aanwas betreft , het is niet zeker, 
dat men dien in alle jaren even groot vindt; de wind heeft 
er eenen belangrijken invloed op , zoowel wat zijne sterkte 
als rigting betreft. Wij gelooven echter niet, dat bij eene 
altijd gelijke handelwijze van begraving, waarover wij in 
een der volgende Hoofdstukken zullen spreken, de ver- 
grooting van den kweldergrond jaarlijks zoo ver uiteen- 
loopt, als men die uit de opgaven van de grootte van dien 
grond achter den Heinitzpolder , onder het Ambt Jemgum , 
werkelijk vindt. Uit de opgaven van Dr. reinhold blijkt 



Digitized by Go 



173 



het, dat de kweldergrond zich aldaar gemiddeld jaarlijks 
heeft vergroot: 

van 1795 tot 1814 .... 8.7 bunder. 
n *> » 1824 .... 6.8 „ 
n ii »> 1833 .... 7.0 „ 
„ „ „ 1835 .... 6.9 „ 

„ „ „ 1840 6.7 „ 

Wij weten niet volkomen zeker, waaraan wij deze groote 
onregelmatigheid, vooral opzigtelijk de gemiddelde aanwas- 
sen van 1795 tot 1824, moeten toeschrijven; vermoedelijk 
is het echter wel, dat men bij iedere meting slechts de 
volle meetjes, waarin de kweldergrond is afgedeeld en 
waarvan wij later eene beschrijving zullen geven, heeft 
opgenomen en de gedeelten niet heeft gerekend, en het 
is zeker, dat eene zoo belangrijke verwaarloozing eenen 
grooten invloed op dergelijke berekeningen moet uitoefe- 
nen. Deze gissing is niet geheel ongegrond; ook de stad 
Groningen handelt op dezelfde wijze. 

Wat overigens het verminderen van den jaarlijkschen 
aanwas betreft , naarmate de uiterste rand van den kwelder- 
grond meer afstand van den dijk heeft, dit is natuurlijk; 
de vloed- en ebstroom hebben daar toch, zoo de vloeden 
den aanwas onder water zetten, meer snelheid dan digter 
aan den dijk, en het neerslaan van minder slib is er wel het 
gevolg van. 

Uit de opgave, in het voorgaand Tafeltje voorkomende, 
dat de kweldergrond jaarlijks 35 B. 49 R. 75 E. aanwint, 
volgt, dat zoo de gemiddelde jaarlijksche vergrooting van 
den kweldergrond voor standvastig worden aangenomen, 
de geheele Dollard in 363 jaar in kweldergrond zal zijn 
overgegaan. 

Om van de juistheid der getallen , in het laatste Tafeltje 
voorkomende, niet in het onzekere te blijven, is het noo- 
dig op te geven, waar de meting in 1845 op ons grond- 
gebied de grens van den kweldergrond heeft aangenomen. 
Bij deze meting is gerekend bij den kweldergrond te 
behooren al zoodanige grond, die als kweldergrond rente 
afwerpt. De grens van den kweldergrond is daar aange- 
nomen te zijn, alwaar de groei van het Kweldergras (Poa 
maritima) ophoudt Buiten deze grens , verder naar de zijde 
der slijkgronden , treft men eerst de Suite (Aster Tripolium) aan , 



Digitized by Google 



174 



in welker schaduw het Kweldergras ten voorschijn komt, dan 
de strook van Hanevoet {Salicomia herbacea) en vele alleen 
staande Sulteplanten , en deze planten vormen buiten langs 
den zoom van den kweldergrond eene strook van eene hier 
grootere, daar kleinere breedte. Deze strook verplaatst 
zich langzamerhand "verder naar buiten ; de Suite verdwijnt 
voor^het Kweldergras, dat hare plaats inneemt, en de Hane- 
voet wordt door de Suite verdrongen ; doch de grond , die 
deze beide) laatste planten voortbrengt , geeft geene inkom- 
sten; zij is daarom bij de meting in 1845 gebragt bij den 
slijkgrond, die geene rente afwerpt. 

De Staat, die den stand van den Dollard in de verdee- 
ling van de twee soorten van eigendom , volgens de meting 
van 1845, zoowel als het Tafeltje, dat de gemiddelde jaar- 
lijksche vergrooting van den kweldergrond in ieder der 
vier Gemeenten in ons land aanwijst, verdienen daarom 
het volste vertrouwen. Opzigtelijk Oostfriesland, is het ons 
onbekend, in hoe verre de meting aanspraak kan maken 
op naauwkeurigheid. De naam van Dr. reinhold waar- 
borgt echter wel de juistheid der opgaven (185). 

Evenwel laat ons het laatste Tafeltje nog in sommige 
opzigten in het onzekere. Zoo kan men er nog niet uit 
opmaken, wa*dr de vermeerdering van den kweldergrond 
het grootst of geringst is geweest, omdat de Gemeenten 
niet voor dezelfde breedte in den Dollard aan elkander 
sluiten, en toch zou een zoodanig overzigt van bet maxi- 
mum en minimum en van het gemiddeld jaarlijksch voort- 
schrijden van den kweldergrond niet onbelangrijk zijn. Om 
dus hiervan een overzigt te kunnen geven, moeten wij 
tot de Kaart van den Dollard de toevlugt nemen ; doch bij 
de uitpassingen , die ten dien einde moeten plaats hebben, 
zullen wij deze niet langs de naar buiten loopende zwet- 
goten mogen bewerkstelligen, omdat deze dikwijls eenen 
vrij scherpen hoek met den dijk vormen, zooals vooral 
onder Ivnsenoolde het geval is. Wij zullen uit de lijn, 
die den kwelder- van den slijkgrond afscheidt, lijnen moe- 
ten meten, die loodregt op den dijk te staan komen; als- 



(185) Te vinden in «ijne Biêtorisch-hydrograpbische Nachrickten von den 
ffö/en w*tf andérn Schiffahrta-Amtaltm in OstfHesland , S. 31 , 32 en 105. 



Digitized by Google 



175 



dan verkrijgen wij de lengte van den kweldergrond sedert 
de laatste binnendijking , en hieruit laat zich gemakkelijk 
de lengte van het gemiddeld jaarlijks voortschreden van 
den kwelder voor dat punt vinden, zoo men er slechts 
het aantal verloopen jaren sedert de laatste binnendijking 
tot aan het jaar 1845 in deelt. Bewerkstelligt men deze 
uitpassingen op de plaatsen, alwaar de meeste en minste 
kweldergrond aanwezig is , dan verkrijgen wij , de voor- 
gaande handelwijze volgende , het maximum en minimum 
van het gemiddeld jaarlijks voortschrijden van den kwelder- 
grond voor die plaatsen. 

In het volgende Tafeltje vinden wij dat maximum en 
minimum aangeduid. De kolom , die de gemiddelde jaar- 
lijksche voortschrijding van den kweldergrond in iedere 
Gemeente onder ons land en in het Ambt Jemgum onder 
Hannover opgeeft, is op eene andere wijze verkregen. 
Hier is de gemiddelde jaarlijksche vergrooting van den 
kweldergrond uitgedrukt in bunders , zoo als die in het 
voorgaande Tafeltje voorkomt, door de overeenkomende 
breedte van den kweldergrond gedeeld. 

Wat den kweldergrond onder het Ambt Jemgum be- 
treft, wij kunnen er de plaatsen van maximum en mini- 
mum evenmin met juistheid bepalen , als er de grootte van 
opgeven. Wij weten alleen, dat de Heinitzpolderdijk eene 
lengte heeft van 8672 E., en door deze lengte in den 
gemiddelden jaarlijkschen aanwas te deelen , hebben wij het 
gemiddeld jaarlijks voortschrijden van den kwelder onder 
Oostfriesland gevonden. 



Digitized by Google 



176 



! 

8* 



63 

co 
cc 

I 
F 



s 



OS 



O 



3 «> £ 



«.w ~ — • 



P 



co m 

Ut M C_| 

5r co 

^ 2 H 

CD O r 



£© cS co 

3 3 £L 



2 



I 



2 2 2 

cc 



5° 



oo 
co 



OO o 
£ O 



fc© CO *© tt> 



I 

B 
5 



O 

P >T3 CD P- 



I 

QfQ 



I e B ï s 

p K 

B | 



CD *<* rT 
N R S 

co ^ 3 



00 

t— ' 

co 



oo 



co 

a 

00 -o 




< 

s 



p 
p 



co 

«< 

O 
O 

3 

O 



CU 

5 § 

i « 

„ g 



B 8 

i r 

b i 

3 

CD 



P 

i 

co 

CD 

3 



«>. 




Digitized by Goc 



177 



Zoo als men uit dit Tafeltje niet kan opmaken , had vóór 
de bedijking van den Finserwolder polder in 1819 de grootste 
voortschrijding van den kwelder plaats onder de gemeente 
Beerta bij het Schanscher diep; bij den hoek van den 
dijk van 1740, waar deze zich naar den Koedijk buigt, 
was de vergrooting het geringst; maar na de binnendijking 
in 1819 zijn deze plaatsen van maximum en minimum 
veranderd , zoo als het Tafeltje doet zien. Thans vindt men 
het maximum onder die Gemeente bij de Bellingwolder 
moe, het minimum bij het Schanscher diep. Over het 
geheel genomen, zijn sedert 1740 de plaatsen van maxi- 
mum en minimum daar, waar het Tafeltje die onder 
o en / aanwijst. 

Wat de Gemeentescheidingen in den Dollard aanbe- 
langt, zij behouden geene onveranderde ligging. Het Noor- 
der riet , de Oude Geut, de BeerUter moe verzetten zich lang- 
zaam; er verdwijnen kromten en andere komen er voor 
in plaats. De Bellingwolder moe is zelfs verdwenen ge- 
weest, maar hare vroegere ligging is in 1852 weder opge- 
zocht en met al hare oude kromten is zij nog eens opge- 
graven (bi. 137). De waterloopen maken tevens de schei- 
ding tusschen de kwelder- en slijkgronden , die aan ver- 
schillende bezitters toebehooren, uit, en de grootte van 
die gronden, waar ze aan dergelijke gemeentescheidingen 
sluiten , verandert onophoudelijk. 

De bezitters van gronden onder Fin&encolde hebben 
echter de BeerUter moe, die van de Bellingwolder moe tot 
aan het Munnekeveen als scheiding met deze tusschen de Ge- 
meente Beerta en Finserwolde is aangenomen, niet als de 
scheiding tusschen hunne slijkgronden en die van de stad Gro- 
ningen willen erkennen, en wij meenfcn wel te weten, dat 
het geschil, 't welk hierover is ontstaan, bij minnelijke 
schikking is uit den weg geruimd, door te bepalen, dat 
de scheidingen , die dat gedeelte der Beertster moe door- 
sneden , allen eene lengte , van de buitenbermsloot van 
den dijk afgerekend, van 2000 el zouden hebben, en dat 
de in die rigting verder naar buiten liggende slijkgrond 
voor de eene helft aan de stad Groningen , voor de andere 
helft aan die bezitters van gronden onder Finserwolde 
zouden behooren. 

Wat den aanwas betreft, hij behoort altijd aan den 

12 



Digitized by Google 



178 



eigenaar van den oever , dus van den aangrenzenden pol- 
der, zoo bij akte niet is bedongen, dat hij aan den be- 
klemden meijer toekomt, en waar de aanwas in opstrek- 
kende heerten (waarover later) gescheiden is , wordt de aan- 
was verdeeld door de zwetten in den polder tot in den aanwas 
en de slijkgronden te verlengen (186). Langs de geheele 
Wadkust van de provincie Groningen zoowel als in den Dol- 
lard is, zoo ver men dit van de oudste bedijkingen af aan 
kan nagaan en wij weten, deze regel altijd gevolgd, zon- 
der er ooit van af te wijken. De geheele Dollard is hier- 
naar dan ook verdeeld onder verschillende, zoo openbare, 
als bijzondere eigenaars, zijnde een gedeelte van dezen, 
waartoe het landbezit met het onderhoud der dijken oor- 
spronkelijk geheel alleen behoorde , hiermede (ook nader te 
vermelden, bl. 191) tot gene overgegaan. Zoo behoort het 
geheele Oostfriesche aandeel tot het Hannoversch , vroeger 
Oostfriesch Domein, en behoorde een groot deel op ons grond- 
gebied aan de Provincie, later ook aan het Lands Domein, 
sedert dit het Provinciaal Domein heeft vervangen , en van 
het Domein is het aangekocht in 1845 door de Maatschappij 
ter inpoldering van dit gedeelte van den Dollard, waarmede 
door iiet leggen van een rijsdam wel een begin, maar 
ongelukkig sedert 1847, wegens financiële bezwaren, geen 
voortgang tot heden toe gemaakt is. Dit gedeelte strekt 
zich uit van de punt van Reide tot het begin van den 
dijk van den Finserwolder polder en het hier aan gele- 
gen particulier grondgebied, dat ook mede zoude inge- 
dijkt zijn geworden, en is overigens begrensd door het Noor- 
der riet en de Beertster moe. Het beslaat het noordelijkst 
gedeelte van den Dollard en eene oppervlakte van onge- 
veer 2019 Bunder. Dat naaste particulier eigendom tot 
aan het Noorder riet behoort aan de HH. CREMERS en 
anderen en is groot omstreeks 268 B. Het Munneke- 
veen, gelegen aan denzelfden dijk, tusschen het Noorder 
riet ten N., de Beertster moe ten O., de Oude Geut ten 
Z.W. , is ook particulier eigendom en groot 524 B., die 



(186) Men kan over de methode, waarnaar men dit zeer naaaw- 
kcurig kan verrigten, nazien het werkje, getiteld: Vekema, Over 
het treklen van lange regte lijnen in het veld. Groningen, bij j. oom- 

KBNS. J. ZOON, 1847. 



Digitized by Goc 



179 



nog onverdeeld zijn , en 36.5 B. verdeeld , deze laatstcn , 
gelegen het naast aan meergemelden dijk, onder de be- 
zitters van de hieraan grenzende landerijen. Vroeger was 
de Provincie Groningen en vervolgens in deze eeuw het Rijks- 
domein ook voor *% 5 aandeelen eigenaar van het onverdeelde 
Munnekeveen , waarschijnlijk omdat het voor een deel Kloos- 
tergoed is geweest (bi. 93), totdat het in Dec. 1841 ze heeft 
verkocht aan den Raadsheer Mr. h. O. feitii te Groningen , 
zijnde diens erfgenamen alzoo de voornaamste bezitters van 
dien aanwas. Zoo behoort de verdere aanwas tusschen de 
Oude Geut en de Bellingwolder moe weder aan de gewone 
bezitters van de naaste landen in den Finserwolder polder, 
met een deel der slijkgronden buiten haar vervolg in de 
Beertster moe , zoo als wij zoo even zagen , dat die tusschen 
hen en de stad Groningen verdeeld zijn. Dit haar doel 
met al het overig gedeelte van den Dollard of wat ver- 
der van de Bellingwolder en Beertster moe tot de grens- 
lijn tusschen Oostfriesland is gelegen , behoort aan die stad , 
als eigenares van de aanhoorige polders. Dit deel beslaat 
alleen 5591 B. en heeft dus verre weg de grootste uitge- 
strektheid van allen, zonder hierbij te rekenen de 257 B., 
die haar op Oostfnesch grondgebied nog zouden toe- 
komen , volgens de eerste grensscheiding in 1723, maar 
door dat Domeinbestuur betwist worden. Rijk inderdaad 
mag in dit opzigt deze stad heeten , al is het ook nog 
slechts meer in de toekomst! 



Digitized by Google 



TWEEDE HOOFDSTUK. 

Over de waterkopen in en de waterwerken langs ut» 

Dollard. 



Als men den Dollard van den dijk, die hem begrenst, 
beschouwt, ziet men achter den aanwas, in de verte, eene 
min of meer bruinachtige vlakte, en het ongeoefende oog, 
zich door den indruk latende verleiden , meent een effen 
waterspiegel te zien. De tint geeft veel aanleiding tot 
die gezigtsbegoocheling, daar de kleur van het troebele 
water, dat de vloed over de slijkgronden jaagt, weinig 
van de kleur dier gronden verschilt En toch zijn de 
slijkgronden alleen tijdens den vloed onder water; bij eb 
liggen zij geheel droog. Het geoefend oog merkt echter 
zonder eenige onzekerheid, wel bij een blik in de verte, 
aan den tint der buitengronden, of zij door vloedwater 
bedekt zijn, dan of het is ontweken. Het water geeft 
een eenigzins donkerder aanzien aan de slijkgronden, en, 
hoe feller het waait, hoe donkerder vertoont het zich. 
Hierdoor is het zelfs mogelijk het opkomen van het vloed- 
water op de slijkgronden te zien, daar het zich, door 
eene donkere streep vrij scherp begrensd, van de meer 
licht gekleurde slijkgronden afscheidt. 

De groote vlakte der kwelder- en slijkgronden is bij eb 
echter niet geheel van water ontdaan; zij wordt door zeer 
vele kronkelende stroomen en stroompjes doorsneden. De 
grootste van al die stroomen is ongetwijfeld de Aa of 
Westerwoldsche Aa, die door de schippers vast algemeen 



Digitized by Google 



181 



met den naam van Schamclier diep wordt onderscheiden. 
Twee verdiepingen zijn er, die moeden of maden heeten , 
de Beertster- en BelMngwolder Moe, van welke de laatste 
sedert eenigen tijd is digtgeslijkt geweest, maar in 1852 
weder is opgegraven (bi. 177). De overige verdiepingen , in 
welke het water opkomt en afgaat, worden in gaten, genten, 
rieten , rillen , overloopen , aders en blainen onderscheiden , 
en wij weten niet, of men zich ten opzigte der drie eer- 
ste benamingen wel aan eenige regelmaat heeft gehouden, 
waaruit is op te maken , of men den naam van gat , geut , 
of riet aan de grootste of kleinste verdieping heeft gegeven. 
Op de hierbij behoorende Kaart komen niet alle rieten 
en gaten voor, die in den Dollard gevonden worden; al- 
leen zijn die opgenomen en op de Kaart afgeteekend, die 
de verschillende platen van elkander afscheiden. Wij ver- 
wijzen omtrent deze zoowel als gene naar die Kaart en 
noemen hier nog eenige der ontbrekende waterloopen op. 

Onder anderen treft men, onder Finserwolde in de slijk- 
gronden, buitendien aan, van de Oude Geut afgerekend, 
het Bekriet, het Ganzeriet en de Rille, die zich in de 
Beertster Moe ontlasten (187). 

In het noorden van de Heringsplaat is het Blainriet. 
Door diezelfde plaat kronkelt ook het Sparregat, dat uit 
drie kleine rietjes ontspringt, waarvan een, dat het digtst 
aan het Dwarsgat is, den naam van Schulpdalle voert, om- 
dat er vele schelpen door en onder de zandige slib wor- 
den aangetroffen. In dit Sparregat treft men de over- 
blijfselen van een vergaan schip aan; dat gat ontlast zich 
in het Schanscher diep, een weinig benoorden de Kop- 
baak. 

Op den Noordwal heeft men , van het Kerkeriet west- 
waarts aangerekend , eerst het Dikke riet , dan de Veengeut. 
Het Kerkeriet heeft zijn naam ontleend van de overblijfse- 
len eener kerk, die men vroeger bij laag water in dat 
riet meende aan te treffen, en de Veengeut is zeer eigen- 
aardig zoo genoemd, omdat de darggrond tot eenige diepte 



(187) Naar het daar ter plaatse gewone spraakgebruik schrijven wij 
riet en nemen dit woord onzgdig, schoon het eigenlijk wel rijt, waarvan 
nog rijten , gelijk omgekeerd nu hiervan reet , eu vrouwelijk zal zijn. 



Digitized by Google 



182 



in dezelve wordt aangetroffen. Deze darg spoelt soms 
buiten van de oevers der Eems, zoo als sommigen van 
gevoelen zijn, en na het leggen van den rijsdam ook uit 
de Veengeut los; het water, dat met die stukken speelt, 
voert ze nu vooruit, dan terug, en verspreidt die soms 
zeer ver naar den Noordwal en over de overige platen in 
den Dollard. Deze groote stukken darg geven den Dol- 
lard bij laag water, als de platen droog liggen, een zon- 
derling aanzien; die kale vlakte gelijkt dan een woestijn, 
met groote zwarte steenblokken als bezaaid , die zich ge- 
heimzinnig schijnen te verplaatsen, daar zij heden hier, en 
bij eene volgende eb daar worden aangetroffen. 

Het tweede Oostfriesche gat, ook wel Zurentjeriet ge- 
noemd , komt uit de Maanplaat en ontlast zich met een 
stompen hoek in het Sckanscher diep , 6 of 700 ellen noor- 
delijk van de Kopbaak (188). 

In de Moeplaat treft men nog het Aalriet aan; dit riet 
ontspringt uit den kwelder en loopt met een zeer scherpen 
hoek ten naasten bij op de helft van den afstand tusschen 
den kweldergrond en de Kopbaak in hetzelfde diep uit. 

Als men den oorsprong der rieten en gaten opzoekt, 
dan vindt men, dat zij zich eerst in takken verdeelen, 
die ieder weer uit een of meer aders ontspringen. Deze 
aders komen dikwijls uit meer of min groote laagten , die 
men blainen noemt , voort. Deze blainen liggen meer naar 
binnen in de platen en zijn soms slechts een paar duim, 
soms meer, lager, dan de meer buitenwaartsche deelen 
der plaat zelve. Dikwijls ontspringen ook de takken uit 
de zwetgoten der kweldergronden , zooals met die van 
het Leegtjer-, Uiker- en Oostergat, het Stoete- en Aalriet het 
geval is. 

Buitendat loopen in de rieten en gaten, moeden, geu- 
ten en takken tallooze kleine aders uit, die van de pla- 
ten niet zeer ver naar binnen ontspringen en bijna altijd 
regthoekig in voormelde waterloopen vallen. Deze aders 
zijn, wat hare ligging betreft, aan zeer veel verande- 



(188) l)c beschrijving der waterloopen in den Dollard, en alles wat 
op zijn tegciiwoordigeu toestand betrekking heeft, is reeds in 1846 ont- 
worpen , on zij stelt alzoo den Dollard voor, zoo als hij in dat jaar 

was. 



Digitized by Google 



183 



ringen onderworpen; nu eens verloopen zij langzaam van 
plaats , dan verdwijnen zij geheel , en op andere plaatsen 
komen plotseling nieuwen te voorschijn. In het algemeen 
hebben de hoogste platen de meeste aders , vooral zoo die 
platen uit geen zand, maar uit klei bestaan; de Herings- 
plaat heeft echter , daar waar zij uit klei bestaat , de 
meeste aders van allen, 

Eene andere soort van laagten treft men zeer veel in 
den Dollard aan, ter plaatse, waar twee waterloopen zich 
met elkander vereenigen , vooral zoo één dezer of zoo 
beiden niet al te ver van het punt van zamenkomst eene 
uitspringende bogt vormen. Deze laagten, die men over- 
hopen noemt, en die altijd aan de noordzijde van de wa- 
terloopen zijn gelegen en in welke overloopen het water 
nog een zeer korten tijd langs vloeit, als het reeds van 
de slijkgronden is afgestroomd, ontstaan door de wer- 
king van het afloopende water. Wij zullen trachten aan 
te toonen , met behulp van eene teekening (Fïg. 1 op de 
plaat achter dit werk), waaraan die overloopen, die in 
vergelijking van de rieten of goten, tot welke zij behooren, 
eene zeer geringe diepte hebben, hunnen oorsprong ver- 
schuldigd zijn. 

Stellen wij ons ten dien einde voor, dat de slijkgronden 
met water bedekt zijn en dat de afebbing begint. Laten 
a b en c d twee gaten zijn , van welke wij kort- en duide- 
lijkheidshalve a b juist met de rigting van den ebstroom, 
die door het pijltje wordt aangeduid, doen overeenstemmen, 
en laat het gat c d bij e eene uitspringende bogt hebben. 
Zoodra nu de afebbing begint, vloeit het water op de slijk- 
gronden voor het gat c d e in de rigting van het pijltje 
weg; maar in het gat c e heeft ook een weinig beneden de 
oppervlakte eene afstrooming in de rigting van c naar e plaats. 
Bij e loopt het water uit het gat c e over den slijkgrond 
naar ƒ, gedeeltelijk naar d. Deze dubbelde strooming is 
zeer duidelijk op te merken ; boven een zoodanig gat of 
riet veroorzaakt deze kruising der stroomen, zelfs bij het 
stilste weder, kabbelende golfjes, die digt aan elkander staan 
en die hunne plaats niet schijnen te verlaten. De stroom 
van e naar ƒ wordt echter door den ebstroom al spoedig 
opgeheven, maar is de afstand van e naar / niet zeer ver, 
dan bereikt het water toch in eene gebogene rigting het 



Digitized by Google 



184 



punt /, en er wordt door dien stroom eene laagte onder- 
houden, die men overloop noemt. Is het water van de 
slijkgronden verdwenen, dan loopt het nog een zeer kor- 
ten tijd uit het gat c e langs den overloop naar het gat a 
b af; daarna volgt het de rigting van e d , om het water 
in a b te brengen. — De schuring van den stroom is 
in den overloop in den regel niet vermogend genoeg om 
hem te verdiepen, en de aanslibbing is niet belangrijk ge- 
noeg om hem te doen verdwijnen. Soms verdiept de 
overloop zich echter zoo aanzienlijk, dat hij de nieuwe 
mond van het gat wordt, waarvan dan de oude mond 
spoedig sporeloos verdwijnt. Dit is vooral het geval , als 
het benedenste gedeelte van het gat bij e d door ijs , kwel- 
dergras of hooi verstopt wordt, dat bij ebben, die op 
hooge vloeden volgen, wel eens kan geschieden. Dan 
baant het water zich langs den overloop een uitweg, om- 
dat deze met de rigting van zijne afstrooming juist of ten 
naasten bij overeenkomt. Meer dan een voorbeeld zou 
men hiervan in den Dollard kunnen bijbrengen; wij zullen 
ons echter vergenoegen, om ons in dezen alleen bij de 
Beerster Moe te bepalen. 

Vroeger liep het water, dat de Beertster zijl loosde , in 
de Beerster Moe achter het Munnekeveen langs en daar 
nam zij het Noorder riet in zich op, om het water, weder 
oostelijk door de Heringsplaat voerende, in het Schan- 
schcr diep te storten. Maar nadat de Beerster Moe zich 
voor meer dan 20 jaren achter het Munnekeveen door 
kwelderhooi had digt gezet, heeft men den Overloop van 
de Beerster Moe naar het Dwar.-gat moeten uitdiepen , om 
deze Moe met dat gat in verbinding te brengen en om 
het water der Beertster-, Finserwolder-polder- en Belling- 
wolder zijlen naar het Schanscher diep en alzoo in de 
Eems te doen afstroomen. — Later heeft ook de Oude 
Beertster Moe haren loop nog veranderd. Het oude gat 
naar het Schanscher diep heeft zich digt gezet en het 
water heeft zich langs een overloop een weg digt bij 
Reide naar het Schanscher diep gebaand. 

Deze stroomen of waterloopen hebben eene onstandvas- 
tige ligging; zij veranderen niet alleen van plaats, maar 
ook van rigting. Het is eene daadzaak, dat in het alge- 
meen ieder oost en west liggende waterloop zich verder 



Digitized by Go 



185 



noordop , ieder zuid en noord loopende waterloop zich ver- 
der naar het oosten verplaatst. 

Bij de zwetgoten, die aan den dijk ontspringen, wordt 
er alleen eene verandering van rigting naar het oosten 
waargenomen; zij verzetten zich aan den dijk niet, maar, 
hoe verder naar buiten, hoe meer zij zich langzamerhand 
oostwaarts aan verleggen. Dit verschijnsel, dat men over 
het algemeen in den geheelen Dollard waarneemt, is niet 
nieuw; men vindt het dikwijls terug in de vroegere in- 
gedijkte Dollardpolders. In den Finserwolder en Oost- 
wolder polder, in het Nieuwland en Oud Nieuwland, 
wordt hier en daar nog die te oostelijke rigting der zwet- 
slooten aangetroffen. Zelfs veranderen zij op de Uiterdij- 
ken langs de wadkust, zoo als ons de Heer 6. beinders 
van den Noordpolder heeft verzekerd, naar dezelfde zijde 
van rigting. 

Eene verklaring van deze in den eersten opslag wel 
zonderlinge verschijnsels te geven achten wij niet noodig, 
daar zij elders vrij volledig voorkomt (189). Verbindt men 
hiermede , wat wij hiervoor over de gedurige verplaatsing 
der waterloopen gezegd hebben, dan volgt er onmiddel- 
lijk uit, dat van twee goten of rieten, die onder eenen 
zekeren hoek in elkander vallen , het punt van zamenkomst 
zich langzamerhand verder naar buiten moet verplaatsen. 
Bevestigd wordt deze gevolgtrekking in den Dollard; de 
punten van zamenkomst der rieten en gaten schrijden langza- 
merhand verder naar de Eems en alhoewel er geene metin- 
gen voorhanden zijn , om de hoegrootheid van verplaatsing 
voor ieder der alzoo zamenloopende gaten te bepalen, kan 
men toch uit de vergelijking van den stand , dien de Kop- 
baak in dezen tijd bij de zamenkomst van het Dwarsgat en 
Schanscher diep heeft, en van dien, welke zij bij de meting 
voor het Kadaster had, met vrij veel zekerheid opmaken, 
dat het punt van zamenkomst van het Schanscher diep en 
het Dwarsgat jaarlijks ongeveer 30 ellen naar buiten wordt 
verzet. 



(189) Over de veranderingen , die de kusten van ons land langs de zee, 
de wadden , de zeeboezems en groote stroomen ondergaan , door O. a. vb- 
kema, Groningen bij j. oomkens , j. zoon, 1848. 



186 

De reden, waarom de zwetgoten, die aan den dijk ont- 
staan en die in den Dollard oploopen, zich echter daar- 
door niet in haar geheel, dat is niet bij den dijk, 
maar aan de einden en dan, hoe verder van den dijk, 
hoe meer oostwaarts, zich verplaatsen, is gemakkelijk te 
vinden. Slechts enkele vloeden bereiken den dijk; maar 
zij komen dikwijls een weinig buiten en soms in de 
Sultestrook. Dagelijks werkt dus daar de wind op het 
water in, om de zwetgoten oostaan te verzetten, en daar- 
van is het gevolg , dat de zwetgoten eene oostelijker 
rigting aannemen. Om deze verplaatsing tegen te gaan, 
worden dikwijls bij de noord en zuid loopende zwetten 
achter Finserwolde de oostelijke wallen met knijpen voor- 
zien, die van rijswerk en aarde worden opgeworpen en 
die regthoekig op den wal staan ; maar deze knijpen , die 
het verplaatsen der goten wel tegengaan , kunnen het toch 
niet altijd beletten, omdat de oorzaak te magtig en te 
duurzaam is. 

Ook in de kweldergronden zelve hebben de moeden en 
rieten en wel met name het Schamcher diep, de Beertster 
Moe, de Oude Geut en het Noorder riet, zich sedert de 
meting voor het Kadaster aanmerkelijk verplaatst Deze 
verplaatsing wordt niet alleen door den stroom veroor- 
zaakt, die, als hij zwak is, de medegevoerde stoffen ne- 
derzet, als hij sterk is, dikwijls den oever aantast en 
daardoor de bedding verplaatst; ook de kweldergronden, 
die ter wederzijden aan die gaten grenzen, brengen niet 
zelden het hunne daartoe bij. Genoeg is het, om aan 
de zijde van het gat den kweldergrond te vergrooten, 
dat men eene zeer groote en breede hoofdgoot op het gat 
in graaft, die bij afebbing haar water dwars door het gat 
voert en zoodoende den hoofdstroom van het gat verder in 
den anderen kweldergrond brengt, waardoor alzoo de 
aanwas aan de zijde van den kweldergrond, waaruit de 
goot ontspringt, moet plaats hebben. Ook op die wijze 
wordt wel eens de verplaatsing der zwetten naar het oos- 
ten tegengewerkt. 

Wij hebben gezegd, dat van alle gaten in den Dollard 
het Schanscher diep het voornaamste was en daarbij hadden 
wij in de eerste plaats op het oog, dat in dat diep alle 
rieten en gaten, óf zelve, óf door middel van weer ande- 



Digitized by Google 



187 



ren uitstroomen; maar ook, dat dit diep het oenigst is, 
dat voor de scheepvaart van eenig belang is, en eindelijk 
dat alle zijlen die op den Dollard uitwateren het wa- 
ter langs verschillende moeden en rieten in dit diep af- 
voeren. 

Ten einde dit diep voor de scheepvaart veilig te doen 
zijn, heeft men de Kopbaak, eene lange spier, van boven 
met twee pijpemanden voorzien , bij de zamenkomst van 
het Dwarsgat en het Schanscher diep , en aan de westzijde 
van laatstgenoemden stroom, verder naar binnen, tot digt 
aan den aanwas, meer bakens geplaatst. De Kopbaak 
wordt laat in den herfst weggenomen en vroeg in het 
voorjaar weder op voormeld punt gebragt» Daarvoor en 
voor het plaatsen der bakens zijn de schepen, die de 
Statenzijl binnenloopen , verpligt, ton- en bakengeld te 
betalen. 

Nog bevindt zich eene baak bij de zamenkomst van de 
Oude Geut en de Beertster Moe, die thans noodig is voor 
de schepen , die van de Finserwolder zijl het zaad en graan 
afhalen , dat op den Finserwolder polder wordt verbouwd 
en dat thans langs den Dollard en de Eems naar Delfzijl 
en van daar naar Groningen mag worden vervoerd. 

De zijlen, die het binnenwater van Oostfriesland en van 
ons grondgebied in het Schanscher diep afvoeren, zijn, van 
Oostfriesland: de Heinitzpolder- en de Wijmeerster zijl, die 
langs korte geuien haar water buiten de Statenzijl in even- 
genoemd diep doen afstroomen, en van ons grondgebied: 
de Statenzijl, de Stadspolder zijl, de Bellingwolder zijl, 
de Beertster zijl en de Finsencolder zijl. 

Vroeger voerde ook, even als nu, de Bellingwolder zijl 
haar water langs de Moe van dien naam in den Dollard 
naar het Schanscher diep af; maar, zooals reeds vroeger 
aangestipt is (bl. 136), ten gevolge van herstellingen aan 
de zijl, heeft men voor dezelve een dam moeten leg- 
gen en men heeft de Moe niet kunnen open houden. 
Toen bleef er eene kleine geul van een gedeelte der 
Moe over en men had het aan de visschers te danken, 
die daarin op en af voerden , dat ook dat geultje nog aan- 
wezig bleef. Later hebben de ingelanden onder die zijl, 
overtuigd van de onmogelijkheid , om hunne Moe we- 
der open te krijgen en die voortdurend open te houden, 



Digitized by Google 



188 



eene afvoergeul naar het Leegtjergat, dat in het CJiker- 
gat uitstroomde, willen daarstellen, maar hiertegen heeft 
zich de Stad Groningen, als eigenares der slijkgronden , 
waarin het Leegtjergat is gelegen, verzet Jaren lang heeft 
Bellingwolde toen eene zijl gehad zonder afvoergeul, 
zoo ongelukkig voor zijne landerijen , die buitendien reeds , 
door den dikwijls al te hoogen stand van het water in de 
binnendijks gelegen Westerwoldsche Aa , haar binnenwater 
zelfs door kostbare molens , uit nood gebouwd , niet altijd 
kunnen ontlasten. In 1852 heeft Bellingwolde echter de 
buiten Moe weder opgegraven, en de zijl kan het water 
weder in den Dollard ontlasten. De tijd zal moeten lee- 
ren of de Moe zoo lang voor digtslibbing bewaard blijft, 
tot «dat men eene betere afwatering, gelijk velen wenschen, 
naar het Fimel heeft verkregen. 

Deze hiervoor genoemde gaten, die het water uit de 
zijlen moeten afvoeren, slibben, zoo als wij later zullen 
opgeven, zeer schielijk digt, vooral in de maanden Junij 
en Julij, omdat er dan bij gebrek aan veel regen geen 
bovenwater door de zijlen stroomt, om het slib voor de 
zijldeuren en verder naar buiten weder weg en mede te 
nemen. Maar zelfs dit binnenwater, dat door de zijlen 
afstroomt, is, bij veel regen, nog niet eens voldoende, 
om de geulen buiten de zijlen voor digtslibbing te behoe- 
den. Men heeft reeds vroeger tot andere middelen zijne 
toevlugt moeten nemen. Om het gebrek aan bovenwater, 
dat de zijl ter openhouding der geul niet genoegzaam 
loost , te verhelpen , heeft men buitendijks bij deze en 
gene zijl spoel- of spuigaten gegraven, die door valdeu- 
ren aan de einden kunnen worden gesloten, door welke 
valdeuren de gemeenschap van het spuigat met de geul, 
die het water uit de zijl afvoert, kan worden daargesteld 
of afgebroken. Daar waar de spoelgaten doelmatig zijn 
ingerigt, komt eene dezer valdeuren zeer digt aan de 
zijl, hoe digter aan de zijl, hoe beter, te staan. Komt 
nu de vloed op , dan worden de valdeuren geopend , en 
het spoelgat stroomt vol; is de vloed op het hoogst, dan 
sluit men de valdeuren , en zij worden niet weder geopend, 
voor de eb komt. Dan trekt men de valdeur bij de zijl 
op, en al het water uit het spoelgat stroomt met geweld 
de geul binnen , woelt de slib voor de zijldeuren los en 



Digitized by Google 



189 



neemt die in zijne vaart mede. In het algemeen echter 
zijn deze spoelgaten veel te kleine waterbergingen, om de 
geul duurzaam een genoegzaam profiel te doen behou- 
den ; zij zijn nogtans zeer nuttig en werken de digtslibbing 
der afvoergeul merkelijk tegen; doch ook deze spoelgaten 
zelve slijken zeer schielijk digt. 

Om dit digtslibben der geulen tegen te gaan, heeft men 
zelfs, vóór dat men ten dien einde van spoelgaten gebruik 
maakte, een middel gevonden, waarvan men zich bedient, 
om zonder uitgraving, die te kostbaar zou zijn, de geul 
open te houden ; later heeft men dit ook ten zelfden einde 
bij de spoelgaten in gebruik gebragt; men heeft dit niet 
zeer eigenaardig met den naam van ploegen bestempeld. 
Dit ploegen wordt in den Dollard door middel van een 
schipje verrigt, waaraan een opstaand raam, van onderen, 
óf met een houten strijkbord, óf met ijzeren schoffels 
voorzien , wordt bevestigd , en de breedte van dit raam is 
de maat voor de grootte van het ploegwerktuig , zoo als 
een aldus toegerust schipje genoemd wordt. Plaatst men 
dit schipje, alzoo toegerust, buiten de zijl in de geul en 
is de vloed hoog, dan valt het water snel weg en het 
schipje wordt door het achter hetzelve zich bevindende 
water uit de spoelgaten voortgedreven. De slib wordt 
van onderen van den bodem losgewoeld en zelfs de 
min of meer vaste grond ondervindt de werking van het 
strijkbord of van de ijzeren werktuigen ; het water neemt 
die alzoo in zich opgenomen slib weder mede naar 
buiten. 

Nog van eene nuttiger uitwerking is dit ploegen , als er 
zoo veel binnenwater voor de zijldeuren aanwezig is, dat 
deze zich bij eb kunnen openen, en hoe hoog er dit bin- 
nenwater is, des te volkomener worden de geulen schoon 
gemaakt. Dan is de stroom zoo snel, dat er minder 
aan een bezinken van de door het ploegwerktuig losge- 
woelde slib te denken valt; en zoo noodig is dit ploegen 
voor het openhouden der geul , dat dit , zoo de omstan- 
digheden slechts eene goede uitwerking voorspellen, nim- 
mer achterwege wordt gelaten, en evenwel laten deze 
afwateringen, wat derzelver profielen betreft, veel te 
wenschen over. 

Ook de spoelgaten worden hier en daar op dezelfde 



Digitized by Google 



190 

wijze door ploegen met een klein schipje en met een 
klein ploegwerktuig opengehouden , en dit is veel gemak- 
kelijker en minder kostbaar, dan het uitgraven, dat te 
dikwijls herhaald zou moeten worden. 

Men heeft wel eens ten onregte aan de nuttige wer- 
king van het ploegen getwijfeld , vooral door dat men ver- 
onderstelde, dat de los gemaakte slib niet eens de Eems 
bereikt, voor dat de vloed weder opkomt; men meende 
dus , daar de slib niet weer werd terug gevoerd , dat het 
ploegen nutteloos was. Deze twijfel aan het nut van het 
ploegen, die alleen door eene ongenoegzame kennis van 
het ploegen zelve kan ontstaan, is zeer ongegrond. Laat 
ons zelfs aannemen, wat echter in geene deele met de 
waarheid overeenkomt, dat de slib, die eens op de Dol- 
lardgronden is, niet weder tot de Eems kan terugkee- 
ren , dan is het toch zeker , dat het vloedwater de door 
het ploegen losgemaakte slib in zich opneemt, en dat zij 
alzoo voor een gedeelte op de 6lijkgronden bezinkt , voor 
een ander gedeelte in de rieten en gaten, die in de geul, 
waaruit de slib is losgeploegd, uitloopen, en voor een 
klein gedeelte in de laatste geul zelve. Overal waar gron- 
den, die de vloed onder water zet, langs een stroom, 
die eene neiging tot digtslibben heeft, gelegen zijn, zal, 
door een ijverig gebruik van het ploegwerktuig te ma- 
ken , die stroom veel langer eene zekere diepte kunnen 
behouden, dan wanneer men zorgeloos dien stroom aan 
zich zeiven overlaat 

Uit het volgende Tafeltje, dat wij hier nog bijvoegen, 
kan men het afvoeringsvermogen der onderscheidene 
zijlen nader leeren kennen. 



Digitized by Goc 



191 



Namen der Zijlen. 



Liggingder 
slagbalken 
beneden 
volzee. 



Wijdte der 
zijlen in den 
dag. 




Ellen 
2.03 
2.80 
3.15 
2.40 
2.50 
2.66 
1.65 
2.10 
3.86 



Ellen 

2.40 

4.90 

6.50 

2.35 

4.30 

5.25 

2.25 

3.14 

6.00 



Meer bijzonders valt er niet over deze zijlen noch de 
dijken, welke den Dollard omzoomen en bedwingen, 
te zeggen, dan reeds bij de geschiedenis van derzelver 
aanleg is vermeld. Even als elders behooren die zijlen 
met haar onderhoud van ouds tot de verschillende Zijl- 
vestenijen of de onderhoorige ingelanden gezamenlijk, ter- 
wijl de dijken zijn ten laste der bijzondere eigenaren , wier 
landen daaraan en aan het water liggen en den aanwas 
genieten, en aldus naar mate hiervan onder hen verdeeld. 
Waar de eigenaars echter zelve niet het land gebruiken, 
moeten de meijers , de losse zoowel als vaste of beklem- 
de meijers , de dijken onderhouden ; zoo is althans de ge- 
wone of algemeene regel. Hiervan wijkt ook eigenlijk 
niet af het onderhoud , dat op geene particulieren , maar 
op het Domein rust, zooals met de geheele dijklinie in 
Oostfriesland het geval is , en voor een deel ook met de 
onze, en wel met de oeverdefensie van de landpunt Reide 
en den Dollarddijk , van daar tot den dijk van den Finser- 
wolder polder. Wij hebben immers gezien, hoe de inwoners 
aldaar van tijd tot tijd door den nood gedrongen zijn ge- 
worden hunne landerijen met het onderhoud der zeewerin- 
gen daarvan aan de Provincie af te staan (bl. 58 , 88) , 



192 



van waar het aan dat Rijks Domein is gekomen. Beide 
hebben daarover langdurige onderhandelingen gevoerd , 
zijnde het eindelijk bij een Koninklijk Besluit in 1830 be- 
paald, dat de Provincie dien hoek van Reide en Dollard- 
dijk zal onderhouden, en het Lands Domein daartoe jaar- 
lijks zal betalen de som van / 15,000 (190). Zoo onder- 
houdt de stad Groningen of hare meijers, niet anders dan 
de andere bijzondere eigenaars, de dijken van hare pol- 
derlanden. 



(190) Zie feith Gron, Beklemr. I, 497—504 en II, 514, en het Ko- 
ninklijk Besluit van den 15 Mei 1830 , no. 142 , vermeld in het jaar- 
lijksch Verslag der Gedeputeerde Staten van Groningen , van den 6 Julij 
1830 , bl. 19. 



Digitized by Google 



DERDE HOOFDSTUK. 
Grondsgesteldheid van den DoUard. 



De gronden in den Dollard zijn van zeer verschillenden 
aard; men vindt er uiterst vette kleigronden, gemengde 
gronden, hoedanige men in de polders langs de wadden 
zavelgronden noemt, waarin op het oog óf de klei, óf 
het zand de overhand heeft, en ook de dorste zandgron- 
den , die hier bijna uit zuiver welzand , daar uit grof en 
scherp zeezand bestaan. 

Om de klei- en zandgronden, zoo ten naasten bij, op 
de Kaart van elkander af te scheiden, zou men eene ge- 
bogene lijn moeten trekken, die onder de gemeente Ter- 
munten ongeveer 300 el van de zuidzijde van den Dal- 
lingweerster Uiterdijk uit den ouden Dollarddijk ontspringt , 
door het punt loopt , alwaar zich vroeger de Beertster Moe 
met het Noorder riet vereenigde, van daar eenigzins bin- 
nen waarts gebogen , op de Kopbaak , en van dit punt 
evenwijdig aan den dijk van 1740 voortgaat, om zich on- 
der Oostfriesland weder naar de Eems te buigen. Op deze 
wijze voorgesteld, komt die afscheidingslijn op de hierbij 
behoorende Kaart voor. Noordwaarts van die lijn, wordt 
de kleigrond al spoedig met veel zand vermengd, ver- 
andert hier en daar in welzand, terwijl men soms zelfs 
grof, scherp zeezand aantreft. De Reiderplaat, het groot- 
ste gedeelte der Heringsplaat en der Maanplaat bestaan 
hoofdzakelijk uit onvruchtbaar dor zand , op de beide 
laatste platen hier en daar met weinig, enkel met veel 

13 



Digitized by Google 



194 



klei vermengd. Het grootste gedeelte dier gronden zal 
wei altijd onvruchtbaar blijven , omdat zij thans reeds zeer 
hoog zijn en al te digt aan de Eems zijn gelegen. De 
kleigronden gaan zoo niet in eens in zandgronden over: 
langzamerhand vermeerdert het gehalte van zand, dat dik- 
wijls een gemengden en blaauw gekleurden grond oplevert. 
Een groot gedeelte van den Noordwal, een gedeelte der 
Herings- en Maanplaat, ten zuiden van de zandgronden 
gelegen, zijn van zoodanigen zamengestelden aard. De 
kleigrond, binnen voornoemde lijn gelegen, is ook nog 
niet overal van dezelfde hoedanigheid; naar den dijk toe 
wordt hij in het algemeen zuiverder en dan nog is hij, 
naar veler gevoelen, onder Nieuwolde en Finserwolde van 
ligtere hoedanigheid , dan onder de Beerta en langs den 
dijk van 1819 onder Termunten. 

Daar waar in den Dollard klei aanwezig is — en die 
treft men vast overal zuidwaarts van de hiervoor aange- 
wezen lijn aan — heeft deze laag klei, van den dijk afgere- 
kend, eene afnemende dikte, en daaronder ontmoet men 
eerst nog eene met meer zand vermengde kleilaag, eer 
men op den zand- of darggrond zeiven komt Daar waar 
de kleilaag ophoudt, komt de met meer zand vermengde 
klei aan de oppervlakte. Deze beide kleilagen zijn allu- 
viale vormingen, die bij aanspoeling daar zijn ontstaan 
en nog ontstaan; zij rusten op den ouderen zand- of op 
darggrond, welk laatste vooral het geval is ten westen 
van de Beertster Moe en het Noorder riet. Langs 
den geheelen dijk van 1740, den Egypterdijk en den 
dijk van 1819 heeft de kleilaag van den kweldergrond 
eene aanmerkelijke dikte. Van het Noorder riet tot aan de 
Westerwoldsche Aa of het Schanscher diep heeft , in den 
kweldergrond digt aan den dijk, die laag gemiddeld eene 
dikte van 3.67 el, terwijl de daaronder aanwezige ge- 
mengde kleilaag gemiddeld slechts 0.40 el zwaar is. De 
dikte van de eerste kleilaag neemt, als gezegd is , naar bui- 
ten toe af; rekent men ook hier weder tusschen het Noor- 
der riet en de Westerwoldsche Aa langs lijnen die loodregt 
uit den dijk ontspringen, dan bedraagt de vermindering 
van de dikte der kleilaag, van den dijk af naar buiten ge- 
rekend, 0.81 el op ieder 1000 el afstand. De met veel zand 



Digitized by Google 



195 



gemengde kleilaag neemt integendeel, van den dijk af naar 
buiten gerekend, in dikte toe, en deze toeneming bedraagt 
ongeveer 0.05 el op ieder 1000 el afstand van den dijk. 
Dit getal, zoo wel als dat wat de afneming der kleilaag 
in den Dollard bepaalt, kan men op eenen afstand van 
3000 el van den dijk als geldig aanmerken. Meer bijzon- 
dere opgaven ten opzigte van de kleilagen zullen wij hier 
echter van de verschillende gedeelten van den aanwas en 
de daaraan gelegene slijkgronden geven , en wel van die 
gedeelten, die tegen den dijk van 1740, tegen den Egyp- 
terdijk, tusschen de Bellingwolder Moe en de Oude Geut, 
en tusschen deze laatste en het Noorder riet zijn gelegen, 
en tot een gemakkelijker overzigt zullen wij deze opgaven 
in een Tafeltje te zamen vatten. 





Gemiddelde dikte van 




Toene- 




de kleilaag in den 


Afneming 


ming van 


Welk gedeelte van den aau- 


kweldcrgrond digt aan 


in dikte 


do dikte 




den 


dijk. 


van de 


der met 


vraa in de slijkgronden bedoeld 




kleilaag op 


zand ge- 








ieder 1000 


mengde 


wordt. 




Klei met 


cl afstand 


kleilaag op 




Klei. 


veel zand 


van den 


denzclfdcn 




gemengd. 


dijk. 


afstand. 




Ellen"" 


Ellen 


Ellen 


Ellen 


Onder Beerta, tegen 










den dijk van 1740. 


3.73 


0.50 


0.98 


0.00 


Onder Beerta, tegen 










den Egypterdijk. 


4.10 


0.33 


0.88 


0.05 


Onder Finserwolde 










tusschen de Oude Geut 










en de Bellingwolder Moe. 


3.39 


0.36 


0.69 


0.13 


Onder Nieuwolde in 










het Munnekeveen tus- 










schen de Oude Geut en 










het Noorder riet 


3.47 


0.40 


0.68 


0.03 


Gemiddeld 


3.67 


0.40 


0.81 


050. 



Uit dezen Staat kunnen wij opmerken, dat, zoo de voort- 
schrijding van den kweldergrond jaarlijks niet zeer aanzien- 



Digitized by Google 



196 



Jijk is , de begroeide grond toch jaarlijks door slib wordt 
opgehoogd. De kweldergrond achter den Egypter dijk 
is de oudste aan de zuidelijke grens van den Dollard, 
en ook daar is de kleilaag het aanzienlijkst , en echter is 
de aanwas aldaar voor 1819 altijd uiterst gering ge- 
weest Ook langs den dijk van 1740 schrijdt het kwel- 
dergras jaarlijks langzaam voorwaarts , zoo als men uit 
een vroeger Tafeltje (bl. 172) kan opmaken. Deze kwel- 
dergrond is echter zoo oud niet als die , welke tegen 
den Egypter dijk is gelegen, en ook de kleilaag is er 
minder dik. Langs den dijk van 1819 is de kleilaag min- 
der aanzienlijk, maar ook de kweldergrond is er jonger. 
Hij is nog door een minder aantal vloeden, tijdens hij 
met planten begroeid was, overstroomd geweest, en men 
weet, dat de grond de meeste slib uit ieder vloed terug- 
houdt, als hij begroeid is. 

Belangrijk zou het voorzeker zijn , zoo de soort en de 
hoedanigheid van den grond in den geheelen Dollard 
naauwkeurig werd onderzocht, door boringen tot op eene 
diepte van 3 of 4 el , in allen gevalle tot aan het düu- 
vium of den ouden oorspronkelijken bodem ; dit kon mo- 
gelijk tot beduidende uitkomsten leiden ten opzigte van 
de veranderingen, die er in de aanslijking of opspoeling 
in den loop van eenige eeuwen zijn voorgevallen. 

Eene in het oog vallende overeenkomst, die zich van te 
voren reeds deed vermoeden, is er tusschen de afneming 
van de dikte der kleilaag en het jaarlijksch voortschrijden van 
den kweldergrond , en al dadelijk op te merken , zoo men 
vorenstaand Tafeltje met dat evengenoemd Tafeltje na- 
der vergelijkt. Tegen den dijk van 1740 onder de 
gemeente Beerta schrijdt sedert 1819 de kwelder jaar- 
lijks weinig vooruit en daar neemt de kleilaag ook 
het aanzienlijkst op iedere 1000 el afstand van den dijk 
af. Tegen den Egypter dijk is onder de Beerta de af- 
neming geringer en ook aldaar is sedert 1819 de kwel- 
der jaarlijks meer toegenomen dan bij den dijk van 1740. 
Tusschen de Bellingwolder Moe en de Oude Geut on- 
der Finserwolde schrijdt de kwelder jaarlijks belangrijk 
vooruit. De afneming der kleilaag is er insgelijks op de 
1000 el afstand van den dijk veel geringer dan onder de 
gemeente Beerta, en in het Munnekeveen, alwaar de 



r 



Digitized by Google 



197 



kweldergrond jaarlijks het aanzienlijkst van allen toeneemt, 
neemt de kleilaag ook op ieder 1000 el afstand van den 
dijk het minst van allen af. 

Geheel verkeerd is dikwijls het gevoelen van hen, die 
nimmer den Dollard hebben bezocht, over de hoogte der 
slijkgronden boven gewone eb, waartoe de zeer onjuiste 
kaarten, die men dikwijls aantreft, gereede aanleiding ge- 
ven. Algemeen meent men, dat er in den Dollard een 
paar platen voorkomen de Beider- en de Zandplaat, zoo 
als het Kadaster die platen heeft genoemd en op zijne 
plans heeft aangewezen, en dan nog wel de Reiderplaat 
op de verkeerde zijde van de Oude Beertster Moe — en 
deze platen houdt men soms voor hoogten, die bij eb 
of bij eb en vloed alléén boven het water zijn verheven. 
Evenwel ligt de Dollard bij eb geheel droog, en in de 
rieten en gaten blijft niet veel water over. Hoog zijn de 
wallen dier waterloopen boven den waterspiegel verheven, 
en de geheele Dollard heeft dan het aanzien van hetgeen 
hij werkelijk is: een levenlooze door het water verlatene 
grond, dien het honderden van jaren rusteloos bespoeld 
en geteisterd heeft. 

Om in het algemeen eenig overzigt van de hoogten der 
Dollardgronden te geven , zij vooraf aangemerkt , dat de 
slijkgronden achter de Beerta , Finserwolde en Nieuwolde 
langs de Bol- en Heringsplaat en langs de platen tus- 
schen het Dwarsgat , den Overloop en het Schanscher 
diep eenen rug in den Dollard vormen ; oostelijk van dien 
rug naar de Oostfriesche slijkgronden en westelijk naar 
den Noordwal onder Termunten daalt de grond langza- 
merhand een weinig af. Ook overdwars in den Dollard, 
waar de kleigronden ophouden en het zand begint, is hij 
Jager, dan verder noord- of zuidwaarts, en deze laagte is 
derhalve gelegen ten naasten bij ter plaatse van de lijn , 
welker ligging wij in het begin van dit Hoofdstuk hebben 
beschreven. Op deze algemeene bepalingen zijn echter uit- 
zonderingen te maken; de eene plaat verheft zich altijd 
een weinig boven de andere. Zoo is , als men zuidwaarts 
van de meer besprokene lijn rekent, die de Kopbaak door- 
snijdt , de hoogste plaat de Moeplaat , daarop volgt de 
Uikerplaat , dan de Heringsplaat , voor zoo verre deze 
plaat digt aan den Overloop en het Dwarsgat is liggende, 



Digitized by Google 



198 



daarna komt de Koelderplaat , dan de Diepeplaat en ein- 
delijk de Leegtjerplaat (191). 

Overschrijden wij de lijn, die het zand en de klei schei- 
den en waarvan wij zoo even de ligging hebben beschre- 
ven, dan wordt de grond zandiger en veelal hooger; zoo 
is de Reiderplaat veel hooger dan de Noordwal, de Maan- 
plaat hooger dan de Oostfriesche plaat. Ook is de He- 
ringsplaat naar buiten hooger dan verder naar binnen. 

In het algemeen zijn de platen aan de oost- en noord- 
zijde het laagst; uitzonderingen op dezen regel maken de 
Reider- en Heringsplaat, die aan de westzijde minder hoog 
dan aan den oostkant zijn. Tevens is de Heringsplaat 
noordelijk van het Dwarsgat hooger, dan aan de zuidzijde 
van genoemd gat. 

Van meer wezenlijk belang is het evenwel , dat wij ons 
bezig houden met het opgeven van de hoogte der kwel- 
dergronden zelve en deze vergelijken met het punt van 
volzee. Een naauwkeurig onderzoek, ten dien einde door 
anderen en door ons bewerkstelligd, heeft deze uitkomst 
opgeleverd, dat de kweldergronden allen hooger zijn ge- 
legen dan de ingedijkte gronden digt aan den dijk , in den 
Stadspolder, in het Achter Hamrik en in den Finserwol- 
der polder, en wel gemiddeld 1.15 el boven de langs de- 
zelve gelegene binnengedijkte gronden. 

Deze kweldergronden hellen naar buiten toe bijna re- 
gelmatig af ; aldaar waar de Sultestrook aan de slijkgronden 
- grenst, is die helling grooter, dan verder naar binnen of 
naar buiten. Over het geheel genomen is de helling nog 
al aanmerkelijk; zij bedraagt gemiddeld 54 ned. duim op 
ieder 1000 el afstand van den dijk, wanneer men langs 
lijnen naar buiten meet, die loodregt uit den dijk ont- 
springen , en deze helling kan men tot eenen afstand van 
ongeveer 3000 el van den dijk af als standvastig aan- 
nemen. 



(191) Natuurlijk uiuet raeu alhier, ter vergelijking van de hoogte der 
platen, de punten op die platen even ver van den dijk af nemen. In 
1846 en in 1852 heeft een onzer de betrekkelijke hoogte der platen on- 
derling of opzigtelijk elkander onderzocht en in beide jaren de boven- 
staande uitkomsten kunnen opmaken. 



Digitized by Google 



199 



De helling der kwelders in den Dollard is evenwel niet 
overal dezelfde, even min als de hoogte der kweldergron- 
den; meer bijzondere opgaven hiervan vindt men in het 
volgende Tafeltje. 



Omschrijving , waar do kweldergronden zijn 

gelegen. 



Onder Beerta tegen den dijk van 
1740. 

Onder Beerta tegen den Egypter 
dijk 

Onder Finserwolde tusschen de Bel- 
lingwolder Moe en de Oude Geut. 

Onder Nieuwolde tusschen de Oude 
Geut en het Noorder riet. 

Gemiddeld. 



Gemiddelde 
hoogte van 
den kwelder- 
grond digt aan 
den dijk boven 
volzce. 




0.71 



Gemiddelde 
helling van 
den kwelder- 
en slijkgrond 
op ieder 1000 
el afstand van 
den dijk. 



Ellen 

0.68 

0.51 

0.49 

0.48 



0.54 



Vrij opmerkelijk is het, zoo als zich van te voren reeds 
eenigzins deed vermoeden , dat tusschen de helling der 
gronden en het jaarlijksch voortschrijden van den kwelder- 
grond eene in het oog loopende overeenkomst plaats vindt. 
Daar waar die helling het grootst is, schrijdt het kwel- 
dergras jaarlijks het geringst vooruit, zoo als eene ver- 
gelijking van de derde kolom van dit Tafeltje met het 
meergenoemd vorig Tafeltje (bl. 176) overtuigend aantoont. 



V1EJRDE HOOFDSTUK. 
Aanwas en ophooging der dijhgronden. 



Gedurig wordt de slijkgrond door het achterblijven van 
slib opgehoogd, en is hij zoo hoog geworden, dat hij met 
den dagelijkschen vloed ruim dezelfde hoogte heeft verkre- 
gen , dan wordt hij drooger en vaster; er ontspruit Hane- 
voet en daartusschen komen eenige alleen staande en eenige 
schreden ver van elkander verwijderde SuUeplanten op, 
om hier en daar de ruimten tusschen de Hanevoetplant aan 
te vullen. Deze Hanevoet houdt het Sultezaad terug, dat 
in den naherfst afvalt; dat zaad komt des voorjaars welig 
op en de jonge SuUeplanten dooden, ondankbaar genoeg, 
de Hanevoet, die zoo veel tot hare wording heeft bijge- 
dragen , en als de tweede herfst na haar ontspruiten is 
gekomen, vormen zij reeds een digt groen bos met 
heerlijke bloemen. Deze beide planten zijn de eersten, 
die den ruwen slijkgrond bezetten, om hem aan het ge- 
bied van het water te ontrukken en voor den verderen 
plantengroei geschikt te maken. Later komt het kwelder- 
gras te voorschijn, dat doodelijk voor de Suite is, en al 
die grond, waarop deze grassoort en evengenoemde plan- 
ten groeijen, wordt aamoas genaamd, terwijl men, zoo als 
wij reeds vroeger hebben opgegeven, alleen met den naam 
van kweldergrond bestempelt die strook grond, die tusschen 
de Suite en den dijk is gelegen. 

Digt aan den aanwas, daar waar de Hanevoet en Suite 
nog niet zijn te voorschijn gekomen , is insgelijks de 
slijkgrond bij lage eb vrij droog en taai, en hij wordt 



Digitized by Go 



201 



hoe langer hoe weeker , hoe meer men den aanwas verlaat 
en hoe meer men de lijn nadert, die de slijk- en zand- 
gronden afscheidt. Zelfs niet zeer ver buiten den aanwas 
is de slijkgrond van boven met eene geel-graauwe brij- 
achtige massa , soms wel ter dikte van 2 of 3 palm be- 
dekt, die men biets of blei, ook wel slib of slijk, noemt 
De dikte dier laag neemt meestal ver naar buiten af en 
verdwijnt meestal, zoo men de evengenoemde lijn noord- 
waarts heeft overschreden. Deze biets is zeer fijn, met 
veel water vermengd en te zamenhangend met den grond 
om in massa weg te vloeijen. Kort echter nadat het 
vloedwater is weggestroomd, bezakt deze biets en boven 
op dezelve staat dan 2 of 3 streep water, dat men zog- 
toater noemt. Niet bij alle winden is die hoeveelheid wa- 
ter even groot, bij noordelijke winden, dus bij winden, die 
tegen den ebstroom zijn gerigt, blijft er het meeste wa- 
ter in de biets achter, en daarvan is het ook alleen, dat 
zich dan het meeste water uit de biets afscheidt; bij 
zuidelijke winden vindt het tegendeel plaats. Is het we- 
der droog en de lucht helder, dan verdwijnt dit water 
spoedig; het verdampt, en in dien luchtvormigen toestand 
veroorzaakt het in de onderste lagen der lucht, door de 
steeds afwisselende breking der lichtstralen, die zoo ei- 
genaardige trilling, welke schijnbaar aan de voorwerpen, 
op eenigen afstand gezien , eene zonderlinge bewegelijk- 
heid geeft. 

Onder die biets is een meer of min weeke kleigrond , 
die volgens het gevoelen van sommige schrijvers door het 
gehalte aan blaauwzuur- of phosphorzuur ijzer hier en daar 
eene blaauwe kleur heeft aangenomen (192). Is deze 
grond onder de biets klei en is hij korrelig, dat naar 
veler gevoelen door den vorst veroorzaakt werdt , dan heet 
hij pulver; is hij echter in zijn geheel zamenhangend, dan 
noemt men hem sminke. 

Deze biets behoort echter niet standvastig tot den 
grond, waarop zij voorkomt; soms is zij daarop in eene 
groote hoeveelheid aanwezig, en even schielijk verdwenen , 



(192) Nat. Historie van de provincie Groningen door nylstbuiiof* en 

STRATJKGH, 1 D., 1 St. , p. 153. 



202 

en de ophooging van den grond geschiedt alleen daar- 
door, dat die bletslaag zich, zoo zij zeer dun is, geheel, 
of anders voor haar onderste gedeelte met den bodem 
verbindt, dat altijd plaats heeft, zoo zij er eenigen tijd op 
blijft liggen. 

Niet overal komt in den Dollard evenveel biets op de 
slijkgronden. In het algemeen vermindert de hoeveel- 
heid, hoe verder men zich buiten de Sultestrook be- 
geeft , en is men het gebied genaderd , waar de onder- 
grond meer zandig is , dan ook vermindert de biets en 
wordt deze tevens zandiger. Op het wel- of zeezand 
wordt bijna nimmer biets aangetroffen. De Oost-Dollard 
ontvangt meer biets, dan de westelijk van de Oude 
Beertster Moe gelegene slijkgronden. De meeste biets 
heeft men gewoonlijk in den Oost-Dollard op de Moe- 
plaat, daarna op de Uikerplaat, dan op de Leegtjer- 
plaat, vervolgens op de Koelderplaat , op de Hoogeplaat, 
op de Oostfriesche plaat en eindelijk op het zuidelijkst 
deel der Heringsplaat. Westelijk van de Oude Beertster 
Moe wordt de meeste biets gevonden op de Bolplaat, 
daarna op den Noordwal en eindelijk op het zuidelijkst 
deel der Eeiderplaat. 

Wij hebben hiervoor vele daadzaken ten opzigte Yan de 
ophooging der slijkgronden vermeld, zonder op te geven, 
wanneer die biets wordt aangevoerd; thans zullen wij dat 
en de oorzaken daarvoor zoeken aan te wijzen en een be- 
gin maken met eene beschrijving van de opkomst van het 
vloedwater op den Dollard. 

Langs onze Noordelijke zeekusten komt de vloedstroom 
van de N. W. zijde op; binnen de lijn der eilanden heeft 
hij geene standvastige rigting meer , en dit is overal het 
geval , waar men hooge zandbanken aantreft , die om kom- 
men of bekkens liggen, of overal, waar de kust sterk 
naar binnen springt en boezems vormt. In het alge- 
meen genomen, zal de rigting van de opkomst van het 
vloedwater, zoo als dit noordelijk van de Kopbaak stroomt, 
terwijl de buitenste platen reeds onder water staan, vrij 
juist in het beloop der groote rieten zijn afgeteekend. 
Binnen de Kopbaak heeft de vloedstroom , zoodra de 
slijkgronden onderloopen , geene standvastige rigting. 
Dan stroomt eerst het water, althans bij het Dwarsgat, 



Digitized by Google 



203 



op den toren van Woldendorp aan , en deze stroomrigting 
houdt niet eer op, dan als het vloedwater ongeveer 5 
palm boven den slijkgrond is verheven; dan buigt de 
stroom bij het Dwarsgat zich meer zuid aan , tot dat hij 
ten langen laatste eene bijna Z. W. rigting heeft aange- 
nomen; daarna loopt de stroom het Dwarsgat dwars over, 
en daarvan heeft dat gat zijn naam ontleend. — Hieruit 
schijnt te blijken, dat het water eerst een loop heeft, om 
de kom , die het westelijkst gedeelte van den Dollard uit- 
maakt, te vullen, en dat het van daar zelfs boogsgewijze 
naar den kweldergrond achter Finserwolde stroomt en te- 
vens dan langzamerhand eene meer uit het noorden ko- 
mende rigting aanneemt, zoo als ook uit het aandrijven 
van paal- en rijswerk van den Rijsdam , tijdens deze voor de 
voorgenomene , maar steken geblevene inpoldering gelegd 
werd , schijnt te blijken. — Onder de Beerta komt de 
vloedstroom van de noordzijde een weinig oostelijk op den 
kweldergrond. Wordt het vloedwater hoog opgejaagd , 
zoo als niet zelden in den laten herfst of in het vroege 
voorjaar het geval is, dan wordt het water door den dijk 
gekeerd, die het geweld daarvan moet verduren; bij lage 
zomervloeden bereikt het water echter nog niet eens de 
strook, waar de Hanevoet groeit. In beide gevallen heeft 
evenwel de vloedstroom te veel snelheid , om de fijne biets 
of slibdeelen te laten vallen, waarmede het water bezwan- 
gerd is. Maar toch is door de schuring, die het water 
bij zijne opkomst op de buitenste platen in den Dollard 
ondervindt, de snelheid reeds zooveel verminderd, dat het 
het zand niet meer kan medevoeren, welk het, toen de 
vloedstroom de ondiepten der kust naderde , van den bo- 
dem medenam. Het grove zeezand laat reeds de vloed- 
stroom op sommige noordelijke deelen der Reider-, He- 
rings- en Maanplaat los ; het welzand , dat fijner is , slaat 
uit den vloedstroom , als nog de snelheid minder is , op 
enkele plaatsen van den Noordwal , op andere gedeelten 
der Reider-, Herings- en Maanplaat neder; maar de slib 
zelve laat het water bij den zacht opkomenden vloed niet 
los , dan alleen langs de lijn , waar langs het water staat , 
als het voor dien vloed bijna op zijn hoogst is gekomen. 
Zeer dikwijls neemt het vloedwater nog de biets of slib 
van de slijkgronden weder in zich op, vooral als de vloed- 



Digitized by Google 



204 



stroom het water door eenen N. W. wind met veel kracht 
en snelheid tegen de slijkgronden opjaagt (193). 

De neerslag van slib, zoo als wij de biets ook verder 
zullen noemen , heeft hoofdzakelijk tijdens de afebbing 
plaats. Tot neerzetting van slib wordt er rust in het wa- 
ter, althans eene geringe snelheid van den stroom ge- 
vorderd, en hoe langer het water in rust is, des te vol- 
komener bezinken alle vreemde stoffen, waarmede het 
water bezwangerd is. Dit is eene daadzaak, die de on- 
dervinding zelve dagelijks , ook bij het huishoudelijk ge- 
bruik, dat wij van het versche water maken, bevestigt. 
Bij vloed nu is er veel meer snelheid in het water, dan 
bij afebbing, en van daar dat de fijnste stoffen, die het 
water mede voert . , beter bij eb dan bij vloed op den bodem 
zakken (194). Voor dat echter de afebbing begint , is het 
water een oogenblik in rust, en zelfs dan reeds begint 
zich de slib wolkvormig in het water af te scheiden. Van 
boven wordt het water meer helder; hoe verder naar be- 
neden , hoe meer slib het water bevat. Is het weder stil 
en er alzoo geen wind, dan is het voor den neerslag van 
slib niet onverschillig, of het regent dan of het droog 
weder is; in het eerste geval, is de neerslag van slib 
aanzienlijker, dan in het tweede. De regendroppels toch, 
die alsdan tusschen vloed en eb of tijdens eb nedervallen, 
drijven, daar zij soortelijk ligter dan het zoute water en 
de slib zijn, door den stoot, dien zij veroorzaken, de slib 
naar beneden (195). 

De winden hebben ook eenen belangrijken invloed op 
den neerslag van slib. Een Z. W. wind brengt slib op 
de slijkgronden; een N. W. wind, die zoo hevig is, dat hij 



(193) Men ziet hieruit, dat bet verschijnsel, op sommige plaatsen aan 
onze noordelijke wadkusten waargenomen, dat de zandbanken ophoogen 
en de aanwassen afnemen , zeer goed kan worden verklaard. 

(194.) Daar waar de kleigrond met veel zand vermengd is, zoo als het 
geval is met de polders en aanwassen aan de wadden en met sommige 
gronden in den Dollard , zijn wij overtuigd , dat het zand uit den vloed- 
stroom neerslaat en dat de klei uit den ebstroom bezinkt, en dat op 
die wtfze de met veel zand vermengde kleigronden ontstaan. 

(195) Dat een regenachtige tijd de slijkgronden door veel slib ver- 
hoogt, heeft het jaar 1845 bewezen; in dat jaar is er bij uitstek veel 
regen gevallen en ook de slykgronden zyn toen belangrijk opgehoogd. 



Digitized by Goc 



205 



den aanwas bij vloed onder water zet, voert de slib in den 
aanwas tot naar den dijk , en oostelijke winden , die lage 
vloeden hebben, zijn juist geëigend, om aan de slib digt 
langs en buiten den aanwas de gelegenheid te geven , zich 
door opdrooging aan den bodem te verbinden. Is de wind 
oostelijk of noordoostelijk , dus op de slijkgronden , waar 
biets aanwezig is, ongeveer tegen den ebstroom gerigt, dan 
verlaat het ebwater meestal de slijkgronden meer troebel , 
dan het bij het opkomen van den vloed was. De slijk- 
grond heeft dan na de afebbing een zonderling aanzien. 
Hij heeft dan niet meer die effene , spiegelende , licht- 
graauwe oppervlakte, zoo als hij vertoont, als er veel 
biets op aanwezig is ; maar hij heeft een dof, bruin aan- 
zien, vol van oneffenheden en gaten, die de golven hebben 
veroorzaakt. Dan schuwt de visscher de slijkgronden , 
waarover hij anders met zijne boot zoo schielijk henen 
vliegt, en hij houdt zich zoo veel mogelijk in de rieten 
en gaten op, want op dat stroeve slib, dat nu grooten- 
deels zand is, kost het reuzenkrachten, om zijne boot 
voort te bewegen. Elders redenen gegeven hebbende van 
den invloed , dien de windrigting op de aanslibbing heeft , 
verwijzen wij den leier daarnaar, om ons hier te bekor- 
ten (195). 

In alle maanden des jaars hoogen de slijkgronden niet 
evenveel op, en daarvoor is eene natuurlijke oorzaak te 
zoeken in de heerschende windrigting. Het is ons, bij 
een opzettelijk onderzoek daarvan, gebleken, dat in de 
eerste helft van het jaar het getal Z. W. tot N. O. win- 
den in verhouding staat, als 1.2 tot 1; in de laatste helft 
van het jaar wordt die verhouding uitgedrukt door 2.2 
tot 1. In het laatste half jaar is dus die verhouding 
bijna tweemaal grooter dan in het eerste half jaar, als 
wanneer de Z. W. en N. O. winden bijna tegen elkan- 
der opwegen, en daar de Z. W. winden, zoo als wij 
vroeger gezegd hebben, slib aanvoeren, moet men ook 
daarin de oorzaak zoeken, waarom de slijkgronden in de 



(196) Zie het a. w.: Over de veranderingen, die de kusten van ons 
land langs de zee , de wadden , de zeeboezems en groote stroomen onder- 
gaan, van o. A. VENEMA. 



206 



laatste helft van het jaar meer slib ontvangen , dan in de 
zes eerste maanden. Deze winden, die in den nazomer en 
de herfstmaanden de biets op de slijkgronden voeren, zijn 
niet vermogend, om de kweldergronden zelve op te hoo- 
gen; want de Z. W. winden brengen geene hooge vloeden 
aan; die vloeden reiken gewoonlijk tot aan de Hanevoet- 
strook. De verhooging van den kweldergrond geschiedt 
bijna altijd in den naherfet, den winter en het voorjaar, 
bij N. W. wind, die vooral dikwijls waait, zoo de winter 
zacht is en het niet of weinig vriest. De ophooging is 
dan soms nog al aanzienlijk. Eene opzettelijke meting in 
het begin van den zomer van 1846 heeft aangetoond, dat 
sedert den herfst van 1845 de kweldergrond achter Fin- 
serwolde op ongeveer 100 ellen afstand van den dijk op 
sommige plaatsen 5, op andere 7 ned. duimen was opge- 
hoogd. Niet overal was de ophooging zoo aanzienlijk en 
in de meeste jaren bedraagt zij veel minder; het najaar 
van 1845, de winter en het voorjaar van 1846 hebben 
zich bijzonder door regen gekenmerkt Niet bij alle win- 
den , die den N. W. wind voorafgaan, hoogen de kwel- 
dergronden zich evenveel op; het belangrijkst heeft dit wel 
plaats, zoo er voor een N. W. wind#een Z. W. wind heeft 
gewaaid. Dan wordt niet alleen het vloedwater hoog op- 
gejaagd , maar het troebele water , dat de vloed aanvoert , 
neemt nog in zich op de groote hoeveelheid slib of biets, 
die de Z. W. winden op de slijkgronden hebben gebragt, 
en in den aanwas en de kweldergronden zet de eb die 
slib grootendeels weder af. Deze neerslag zal nog aan- 
zienlijker zijn, zoo tnsschen vloed en eb de wind plot- 
seling eene Z. W. rigting kiest, als de wind zich dan 
neerlegt, of als het, bij eene op dat oogenblik in vallen- 
de windstilte, fel regent. 

Ook ten gevolge van vorst wordt meestal de aanwas 
zelf met slib opgehoogd. Het ijs, dat zich op het groote 
veld der slijkgronden heeft gevormd , bestaat aan de on- 
derzijde uit eene laag bevrozen slib; zoo nu de opdooi 
met een N. W. wind invalt, dan scheurt dit ijs zich los, 
het wordt den aanwas opgevoerd en, als het is gesmol- 
ten, valt de slib op den aanwas neder. 

Overal waar eene met planten bedekte grond door het 
vloedwater overstroomd wordt, daar is de ophooging van 



Digitized by Goog 



207 



den grond in een bepaalden tijd veel aanzienlijker, dan 
dit in denzelfden tijd bij onbegroeiden grond het geval is. 
Deze stelling wordt in den Dollard bewaarheid. De meeste 
helling van den grond vindt men daar, waar de planten- 
groei ophoudt en waar de ruwe slijk begint, en deze meer- 
dere helling is een afdoend bewijs , dat de aanwas door 
de veel minder talrijke vloeden, die hem overstroomen , 
evenwel nog meer wordt opgehoogd, dan de slijkgronden , 
die bij iederen vloed met water bedekt worden en bij 
iedere eb droog loopen. Bij deze ophooging der aanwas- 
sen is de Sultestrook van het uiterste gewigt. Deze Suite- 
planten, die bij 1.5 of 2 el hoogte een digt bosch vormen 
en haren grootsten wasdom hebben bereikt, als de neer- 
slag van slib in het najaar het aanzienlijkst is, zijn er 
juist voor geschikt , om meer slib op te nemen , dan ver- 
der naar den dijk door het lagere kweldergras kan wor- 
den terug gehouden. Daaruit blijkt het nut dier planten, 
ook uit het oogpunt der aanslijking overtuigend; immers 
nemen zij, bij het jaarlijksch voortschrijden, de groote 
helling , die tusschen haar en het ruwe slijk altijd aanwezig 
is en die zij ook zelve veroorzaken, telkens wederom 
weg. Bleef die Sultestrook dezelfde plaats bewaren, dan 
zou de helling naar buiten toenemen , en die strook zou 
ten opzigte van den kweldergrond te veel worden opge- 
hoogd; maar zij schrijdt steeds naar voren , terwijl hare 
plaats door het kweldergras wordt ingenomen. Met dat 
al behoudt toch de kweldergrond zelf insgelijks eenige 
helling, zoo als uit het tafeltje, dat op bl. 178 voorkomt, 
kan opgemaakt worden. 

Deze voorwaarden, hiervoor in het breede omschreven, 
die, zoo zij vervuld worden, den aanwas en de ophooging 
der slijkgronden, waarvan het eerste een gevolg is, wer- 
kelijk bevorderen , zijn evenwel alleen niet voldoende , om 
overal gronden, die begroeid zijn, voort te brengen. Die 
winden , die jaargetijden en troebel met slib bezwangerd wa- 
ter vindt men op alle plaatsen en inhammen onzer kusten , 
zonder dat er juist overal aanwas plaats heeft. Zelfs in 
den Dollard is de aanwas overal bij lang niet even groot; 
de Tafeltjes, die wij op bl. 172 en 176 hebben opgegeven, 
toonen dit overtuigend aan. Langs den Ouden Dollarddijk 
is de aanwas zoo onbeduidend geweest, dat aldaar in den 



Digitized by Google 



208 



loop van eenige eeuwen slechts eenige ellen begroeide 
grond zijn te voorschijn gekomen, en toch is daar het- 
zelfde troebele water, dezelfde wind, hetzelfde jaargetijde, 
als achter Nieuwolde en Finserwolde. Er moet dus eene 
grootere en algemeenere oorzaak zijn , die den aanwas be- 
heerscht; die teweegbrengt, dat hier de aanwas met reu- 
zenschreden vooruit gaat, terwijl zij daar de gronden niet 
alleen niet ophoogt, maar integendeel zelfs verlaagt en 
werkzaam is om de dijken aan te tasten. Deze oorzaak 
moet men , naar het ons voorkomt , in de rigting van den 
vloedstroom ten opzigte van de kust zoeken. 

Is het water met slibdeelen vervuld en loopt de vloed- 
stroom onder eenen zekeren hoek op de kust in , dan heeft 
er aanwas plaats, en die aanwas zal des te aanzienlijker 
zijn, hoe meer die hoek den regten hoek nadert; maar 
schuurt de vloedstroom langs de kust, of, met anderewoor- 
den, is de rigting van den vloedstroom evenwijdig aan 
de kust, dan zal er, zoo men den invloed van den wind 
buiten beschouwing laat , geen aanwas plaats hebben , zelfs 
zal de stroom eene neiging hebben, om de kust af te 
knagen, en deze afnemen. Laat ons zien of wij voor die 
stellingen bevredigende gronden kunnen vinden. Ten dien 
einde moeten wij eerst over de strooming van het water 
handelen. — Zoo de vloedstroom op eene steilstaande kust 
of een dijk instroomt, dan hebben er digt bij die kust of 
dien dijk twee stroomingen plaats ; onder in het water jaagt 
de vloed het water naar die kust of op dien dijk in, van 
boven stroomt het terug. Deze stroomrigtingen zijn juist 
tegengesteld aan die, welke alleen de wind veroorzaakt; 
wordt door die kracht alleen het water op eene kust inge- 
jaagd , dan stroomt het bovenste water op die kust in , 
maar van onderen vloeit het weder terug. Verder van 
den dijk is de stroom dan ook zeer gering ; het water wast , 
om zoo te spreken, met betrekkelijk veel minder snelheid, 
dan wanneer het niet door de kust gekeerd werd. 

Deze dubbelde vloedstroom nu en die mindere snelheid 
hebben eenen beduidenden invloed op de ophooging der 
slijkgronden en van den aanwas. Immers als het water, 
dat alzoo , tijdens het opkomen van den vloed , van onderen 
den dijk nadert , van boven terug stroomt , heeft het een 
tijd van rust, en dan bezinkt de slib zelfs tijdens den vloed. 



Digitized by Goc 



209 

Merkbaar is de waarheid hiervan, als men slechts het 
slijkgehalte van het bovenste en onderste water onder- 
zoekt; men komt dan tot de overtuiging, dat het opko- 
mende water van onderen veel meer met slibdeelen is op- 
gevuld dan het afstroom ende water van boven. Zoo deze 
dubbele strooming niet bestond, dan zou alleen de slib uit 
de watermassa, die den kweldergrond onmiddellijk aan den 
dijk bedekt, kunnen bezakken; doch nu moet de neerslag 
grooter zijn, daar het water tijdens het opkomen van den 
vloed, niet ver van den dijk telkens vernieuwd wordt. — 
Deze oorzaak werkt echter zeer nadeelig op de verstop- 
ping der muden en geuten digt aan den dijk, en op de 
digtslibbing der zwetgoten. Daardoor worden eerstge- 
noemde afwateringen niet alleen buiten, maar zelfs, door 
de niet al te juiste sluiting der zijldeuren , binnen de zij- 
len met slib opgevuld , en men moet zijne toevlugt tot 
kunstmiddelen nemen, ten einde die waterloopen voor den 
afvoer van het binnenwater eene genoegzamen wijdte te 
doen behouden. Aan den anderen kant geeft, naar het 
ons voorkomt , deze oorzaak den kweldergrond zeiven bij 
en niet ver van den dijk de meerdere hoogte en dus 
eene grootere helling, dan verder naar buiten. — Daar 
waar dus de bovenstroom eindigt , is tijdens den vloed 
de neerslag van slib zeer gering, maar bij den dijk, waar 
de bovenstroom begint en waar de benedenstroom op- 
houdt, daar is, als er geene al te sterke golfslag is, 
tijdens den vloed het water in rust en bezakt de slib 
tijdens den vloed op het aanzienlijkst. Tusschen beide 
grenzen in, neemt de neerslag van slib naar buiten toe 
af, en daarvan is het gevolg, dat de kweldergrond op 
eenigen afstand van den dijk altijd eene meerdere hel- 
ling dan elders moet behouden, zoo men de helling bij 
die grens van den plantengroei uitzondert. De dagelijk- 
sche vloeden reiken echter niet aan den dijk; zijn zij laag, 
dan komen zij nog niet eens tot aan de Hanevoetplant ; 
maar zoo de vloedstroom onder den hoek , die niet veel 
van den regten hoek afwijkt, op de lijn inloopt, die de 
grens van het vloedwater op de slijkgronden afteekent, 
dan toch zal aldaar, tijdens den vloed, neerslag van slib 
plaats hebben, zoodra de vloed bijna op het hoogst is 
gekomen ; want dan is daar bijna stilstand in het water , 

14 



Digitized by Google 



210 



zelfs terwijl het nog klimmende is , en daarvan is liet ge- 
volg, dat de slib dan reeds naar beneden slaat. 

Door deze oorzaken is het, dat de slijkgronden onder 
Termunten langs den dijk van 1819, achter Nieuwolde, 
Finserwolde en de Beerta, die voor den aanslag van het 
vloedwater bloot liggen, hetwelk aldaar onder een hoek, 
die niet veel van den regten hoek verschilt, op den dijk 
in loopt, aanmerkelijk bij den dijk zijn opgehoogd en dat 
de aanwas er in de laatste jaren zeer aanzienlijk is ge- 
weest, terwijl, doordien de vloedstroom aan de oostzijde 
van Finserwolde een weinig meer oostelijk opkomt, dan 
aan de andere zijde, alwaar hij, vooral bij hevige N. W. 
winden , een weinig meer westelijk gerigt is , de aanwas 
achter Finserwolde en in het Munnekeveen nog vermeer- 
derd wordt. 

Loopt integendeel de vloedstroom langs de kust, dan is 
daar geen stilstand in het water, tijdens den vloed nog 
klimt, en er is ook geene terugstrooming ; het water langs 
de kust wordt dus niet zacht en langzaam vernieuwd; 
maar het wordt door ander water met veel snelheid voort- 
gedreven, en daarom kan aldaar geen aanslag plaats heb- 
ben. Van daar, dat beschermende punten, als zij groote 
kommen achter zich hebben , geen aanwas achter zich op- 
nemen, zoo als zelfs met die van Reide het geval is. 

Om de oorzaak hiervoor aan te wijzen , zoo laat ons 
de rigting van het vloedwater volgen. Zoodra het om de 
Reider landtong op de slijkgronden komt en zich alzoo 
boven de Oude Beertster Moe heeft verheven , schuurt 
het langs de zuidzijde van Reide, loopt naar den Dal- 
lingweerster Uiterdijk , dan bijna evenwijdig aan den 
Ouden Dollarddijk, en hier buigt het zich oost om naar 
den dijk van 1819. Komt de vloed niet tot die hoogte, 
dat hij den dijk bereikt, dan volgt toch de vloedstroom 
de opgegevene rigting over den slijkgrond. In beide ge- 
vallen is het duidelijk, als men slechts de Kaart raad- 
pleegt, dat er, tijdens het opkomen van den vloed, aldaar 
aan geen stilstand noch terugstrooming van het bovenste 
water, maar wel aan eene schuring van het water langs 
de kust te denken valt , en daaruit volgt , dat er dan ook 
geen neerslag van slib , maar wel van zand kan plaats 
hebben. Zelfs is daar de vloedstroom zoo snel , dat de 



Digitized by Google 



211 



slib, die nu en dan bij uiterst lage vloeden, die altijd door 
trage ebben worden opgevolgd, uit dat ebwater nedervalt, 
door de sterk opkomende vloeden weder wordt losgewoeld 
en medegenomen. De slijkgronden zijn dus daar, even 
zoo wel als langs de Oostfriesche kust, lager dan op an- 
dere plaatsen , even ver van den dijk gelegen , en deze 
mindere hoogte moet men alleen in voormelde oorzaak 
zoeken. 

Wij weten , dat de aanwas en de slijkgronden , eer deze 
laatste in zand overgaan, eenige helling hebben, en deze 
helling is een gevolg van de afstrooming van het ebwater. 
Wij weten, dat er tot den neerslag van slib stilstand of 
althans weinig beweging in het water gevorderd wordt. 
Is de vloed op het hoogst , dan is er , hoe digter men een 
zeker punt bij den dijk neemt, des te minder water aan- 
wezig, dat terug moet stroomen; hoe verder men zich van 
den dijk verwijdert, hoe grooter is de achterliggende wa- 
termassa , die daarover terug moet vloeijen, en hier houdt 
de ebstroom langer aan en is ook sneller dan daar. Daar- 
om zal do neerslag van slib in het algemeen met den af- 
stand van de lijn , die de uiterste grens van de gewone 
dagelijksche vloeden op de slijkgronden afbakent, afne- 
men, en het is hierdoor ook alleen, dat de slijkgronden 
eenige helling naar buiten behouden. 



Digitized by Google 



VIJFDE HOOFDSTUK. 

Het bevorderen van den aanwas. 



De mensch is niet altijd te vreden met hetgeen de natuur 
hem zoo gewillig schenkt. De wijze Voorzienigheid heeft 
dat ook niet alzoo gewild. Zij heeft den mensch het 
verstand gegeven , om de krachten der natuur in zijn 
voordeel en tot zijn nut aantewenden , om ze tot eene 
zekere grens, die door de wetenschap nog dagelijks wordt 
verruimd, te beheeren en er meester over te zijn. 

Ook bij den aanwas woekert de mensch met zijn ver- 
stand; hij verpligt de natuur meer grond voort te bren- 
gen, dan zij , aan zich zelve overgelaten, wel geneigd is af 
te staan. 

De middelen, die hij daartoe in het werk stelt, zijn 
zeer verschillend: zij schikken zich naar den aard der 
aanwassen, en ook de bijzondere inzigten van hen, die ze 
toepassen, hebben onderscheiden middelen ten voorschijn 
geroepen , die niet allen even doelmatig zijn ; en wel 
zou het der moeite beloonen, door het nut dat dit ge- 
deelte der landhuishouding daaruit zou kunnen trekken, 
zoo iemand het ondernam , dit onderwerp in zijnen ge- 
heelen omvang te behandelen , waartoe de grenzen van 
ons bestek , zoo al niet de krachten , te kort zouden 
schieten. 

Wij zullen ons vergenoegen de eenvoudige en toch 
zeer doelmatige middelen mede te deelen , die men in den 
Dollard met zulk een goed gevolg aanwendt, om den 
grond aan het gebied van het water te ontrukken, omdat 



Digitized by Google 



213 



die middelen nog niet zoo algemeen bekend zijn , als on- 
zes inziens wel wenschelijk is, en vooral ook omdat eene 
beschrijving daarvan bij het onderwerp behoort. 

De middelen die in den Dollard ten dien einde in 
het werk worden gesteld, rusten op twee algemeene 
grondslagen. 

Vooreerst zorgt men , dat er geene beletselen worden 
daargesteld , die zouden kunnen verhinderen , dat het 
vloedwater vrij op de slijk- en kweldergronden kan op- 
loopen , maar bij eb wordt de afstrooming belemmerd , 
ten einde het water zoo lang mogelijk in stilstand te hou- 
den. Dit een en ander is voor den neerslag van slib 
uiterst dienstig. Het vloedwater toch, met slib bezwan- 
gerd, moet op den aanwas kunnen komen; iedere belem- 
mering in dezen, die vermogend genoeg was, om het 
vloedwater te beletten den aanwas geregeld te bezoeken, 
zou ook van den aanwas die slib terug houden , die het 
anders zoo geregeld afzet. Maar heeft het vloedwater 
eenmaal den aanwas bedekt, dan is iedere belemmering, 
die het tegenhoudt, zeer doelmatig, als strekkende, om 
het water lang in rust te houden, daar de slib des te 
meer uit het water neerslaat, naarmate het des te volko- 
mener en langer in rust is. 

Ten anderen draagt men zorg , dat alle begravingen en 
andere werken zoodanig worden aangelegd , dat evenwel al 
het ebwater geheel kan wegvloeijen; omdat de ophooging 
van den aanwas in het tegenovergestelde "geval uiterst 
langzaam stand grijpt. De redenen daarvoor zijn duidelijk; 
wij zullen ze opgeven. Gesteld ten dien einde, dat in eene 
kuil of laagte het water, tijdens de eb, is verbleven en dat 
er neerslag van slib heeft plaats gehad, zoo als altijd het 
geval is, dan blijft deze slib in de onderste lagen van het 
water hangen, of anders gezegd, die slib is met water 
vermengd en het geheel heeft weinig meer soortelijk ge- 
wigt dan het water zelf ; die slib hecht zich niet op den 
bodem vast, maar zij blijft er als het ware op drijven, 
alhoewel het water van boven helder wordt. Komt het 
vloedwater weder op , dan roert het , door de snelheid die 
het heeft, al het water in de kuil of laagte weder door 
elkander; de neergezakte slib vereenigt zich nu weder 
met het vloedwater, en als de eb is gekomen, dan is de 



Digitized by Google 



214 



neerslag van slib in die kuil of laagte niet of althans zeer 
weinig grooter dan vroeger. Met iederen vloed wordt de 
slib weder met het water vereenigd, en de ophooging in 
die kuil of laagte is na lang tijdverloop bijna onmerkbaar. 
Stroomt het water echter uit die kuil of laagte geheel 
weg, dan droogt de lucht de slib, bij de eb achter ge- 
laten, uit, waardoor die nu steviger wordt en zich laags- 
gewijze met den bodem verbindt , zoodat , als de vloed op 
nieuw over die gronden rolt, de slib reeds geheel met 
den bodem vereenigd is. Ieder eb laat een laagje slib 
achter, die zich alzoo door opdrooging met den bodem 
verbindt; de vloed neemt er niets weder van mede, en 
aldra is de plaats niet meer aan te wijzen , waar voorheen 
eene kuil of laagte is geweest. 

Om het ebwater tegen te houden en om het tevens 
volkomen te doen wegvloeijen, heeft men den aanwas be- 
graven. Men heeft van de buitenbermsloot van den dijk 
slooten gegraven, die men zwetten noemt, en deze in het 
slijk opgebragt, alwaar zij in rieten of gaten vallen, die 
zich, zoo zij niet aanwezig zijn, toch spoedig op de ein- 
den der zwetten vormen. Langs deze zwetten legt men, 
waar dit noodig is, lanen aan, die soms daar eindigen, 
waar de aanwas ophoudt, maar die dikwijls nog in den 
slijkgrond worden opgegraven. Van zwet tot zwet of van 
laan tot zwet , graaft men kleine slooten , die men meet-, 
meed- , met- , meyntgoten of groene goten of ook dwarsgruppek 
noemt, en als men deze in den slijkgrond aanlegt, ont- 
vangen zij den naam van slijkgoten. Is de afstand tusschen 
de zwetten en lanen, naar het inzigt van den eigenaar 
of bezitter van gronden , te groot , dan worden buiten de 
voorgaanden nog kleine slootjes op den aanwas gegraven, 
die evenwijdig met de zwetten of lanen loopen, en dan 
heeten deze altijd meetgoten, en de slootjes, die van de 
lanen naar de zwetten loopen , in dit geval dwarsgruppeh. 

De zwetten , lanen , meetgoten en dwarsgruppels verdee- 
len den aanwas in vierhoekige stukken grond, die niet 
overal in den Dollard even groot zijn, en ieder zoodanig 
stuk heeft een meetje. 

Deze meetjes hebben een inhoud : 
In de Stads aanwassen onder de gemeente 
Beerta en in het Munnekeveen , . . . . van 75 Koeden 



Digitized by Goc 



215 



In den aanwas onder Finserwolde meest van 50 Roed. 
Maar hier ook , even als onder Termunten, „ 37 % „ 

Bij het graven der zwetten , meynt- en slijkgoten en dwars- 
gruppeh wordt uit de eerste de slijk, óf gelijkelijk op 
beide wallen geworpen en geëffend, óf men werpt de 
slijk daarheen , waar laagten zijn , om die laagten daar- 
mede te vullen. Zoo oostelijk van de zwet eene laan ligt, 
wordt ook dikwijls, aan de andere of westelijke zijde der 
zwet, de helft van den grond, die uit de zwet komt, tot 
een dijkje of wal verwerkt. Uit de meet- en slijkgoten en 
uit de dwarsgruppels wordt de slijk ter vorming van een 
dijkje af wal noord of zuid, oost of west aangeworpen; 
want men verschilt nog in gevoelen , welke zijde men in 
dezen moet kiezen, om den aanwas en de slijkgronden 
het meest te doen ophoogen. 

Bij het groot aantal vierhoeken of meetjes , waarin , door 
dien aanleg van zwetten en goten , de aanwas en een ge- 
deelte van de slijkgronden verdeeld is , heeft toch ieder 
meetje alsnu aan eene of aan beide zijden een wal of 
dijkje, en deze watten of dijkjes zijn voor de ophooging 
van den aanwas en de voorliggende slijkgronden van het 
hoogste gewigt. 

Om dit te doen zien , zoo laat ons de afebbing nagaan 
voor het geval, als de vloed de slijk- en kweldergrondcn 
onder water heeft gezet. Is de vloed juist of bijna op, 
het hoogst , dan is er eerst eenige stilstand in het water , 
eer de afebbing begint; de slibdeelen zinken gedeeltelijk 
in de onderste lagen van het water, gedeeltelijk op den 
bodem. Het laagste water houdt dus meer slib op dan 
het hoogere. Deze stilstand duurt niet lang; het water 
begint spoedig af te ebben ; maar hoe bruisend de vloed 
ook is opgekomen , de eb laat het water meer kalm. De 
afstrooming, die over den aanwas en de slijkgronden meest 
noordoostwaarts of noord aangaat, geeft toch aan het on- 
derste water op den aanwas weinig of geene strooming, 
omdat de wallen en de meetjes hier verhinderend tusschen 
beide treden, en zoo het water tot aan het bovenste der 
wallen is afgeëbt, houdt de noordoostelijke of noordelijke 
afstrooming op den aanwas geheel op. Het water, 
dat nu nog vrij hoog op de meetjes staat, moet eerst 
ongeveer westelijk of oostelijk aan , al naar dat de wallen 



Digitized by Google 



216 



zijn gelegen , clan langs de zwetten naar de takken , ga- 
ten, rieten of muden , om van daar naar de Eems te 
worden afgevoerd. Dit water is, zoo als wij even reeds 
hebben aangetoond , veel meer met slibdeelen bezwan- 
gerd , dan het bovenste water, dat noord- of noordoost- 
waarts is weggestroomd , en het is dit water dat de meeste 
slibdeelen nederzet. Het is toch gemakkelijk te zien , dat 
er nu , daar het water op ieder meetje tnsschen deszelfs 
wallen begrepen is, slechts weinig afstrooming kan plaats 
hebben, omdat dit water alleen langs de zwetten moet af- 
vloeijen , die , zoo als wij later zien zullen , geen grooten 
inhoud bezitten en ook niet bezitten mogen, opdat het 
water niet te schielijk wegvloeije. Het is dus langen tijd 
bijna geheel in rust en nu slaat de slib rijkelijk op den 
aanwas en op de alzoo begravene slijkgronden neder, die 
er door worden opgehoogd. — Vraagt men waarom men de 
meetjes zoo klein aanlegt, dan is het antwoord hierop 
gemakkelijk te vinden. Gesteld toch dat een meetje zeer 
groot werd genomen , om een voorbeeld te nemen , vijf 
of meermalen grooter, dan nu, dan zou eene even zoo 
veel malen grootere oppervlakte van water met elkander 
in gemeenschap zijn , en eene zachte koelte zou zelfs in 
staat zijn eene beweging in het water te onderhouden, 
sterk genoeg , om den neerslag van slib merkelijk te be- 
lemmeren ; en daar de aanwas nog al veel naar buiten af- 
helt, zou er zelfs het gevolg van zijn, dat het water uit 
dat groote meetje , voor dat gedeelte dat liet digtst aan 
den dijk was gelegen, geheel over 'den wal van het meetje 
wegstroomde en dit dus aldaar droog kwam te liggen , voor 
dat de meer langzame afstrooming alleen langs de zwetten 
een aanvang nam. Maar in kleine meetjes is de gemeen- 
schap van het water door vele wallen afgebroken, en de 
kleine krullingen , die eene koelte in het water veroor- 
zaakt, planten zich niet verder dan tot aan de digt aan 
elkander gelegene grenzen over; de beweging in het water 
wordt dus door het verdeelen in kleine meetjes tegenge- 
gaan; de slibneerslag wordt er door bevorderd. Vooral 
van belang is het dus om eenig meetje zuid- en noord 
Weinig breedte te geven ; de afmetingen oost en west kun- 
nen daarom veel grooter dan zuid- en noord worden ge- 
nomen. — Zoo als wij vroeger reeds gezegd hebben, niet 



Digitized by Goc 



217 



alleen op den aanwas, maar ook in de slijkgronden kort 
buiten de strook, waar de Hanevoet groeit, begraaft men 
den grond op de even beschrevene wijze, ten einde 
niet alleen den neerslag van slib te bevorderen, maar om 
tevens den grond door bezakking eene meer drooge lig- 
ging te geven, en om derhalve daardoor de snellere voort- 
schrijding van de Hanevoet te bespoedigen , en het is wel te 
gelooven , dat, hoe verder men deze begravingen in de 
slijkgronden uitstrekt, hoe meer vooral door de droogere 
ligging de biets , die de eb achterlaat , zich met den bo- 
dem laagswijze verbindt, hoe meer de slijkgronden ophoo- 
gen , en hoe grooter lengte de plantengroei jaarlijks voor- 
waarts strijdt. 

Deze handelwijze heeft tevens het voordeel , om het wa- 
ter te noodzaken, niet alleen de grovere, maar ook de 
fijnere deelen, die het ophoudt, af'tegeven , en daarom hou- 
den wij ons overtuigd , dat deze wijze van begraven , vooral 
doeltreffend zoude zijn voor onzen aan de wadden gelegen aan- 
was , die thans zeer zandig is, maar die dan ontwijfelbaar 
door meer fijne slibdeelen zoude worden opgehoogd. 

Deze begravingen, waarvan wij later het jaarlijks be- 
drag per bunder zullen opgeven, zijn nog al kostbaar; 
echter gelooven wij, dat die uitgaven ruim door den 
meerderen aanwas , die er een gevolg van is , worden 
vergoed , en van daar ook , dat in onzen tijd — die zich 
vooral door zijne materiële rigting daardoor van vroegere 
tijden onderscheidt , dat bij iedere onderneming het voor- 
en nadeel zeer juist tegen elkander worden afgewogen — 
die begravingen zoo algemeen en zoo zorgvuldig op be- 
paalde tijden worden in het werk gesteld. 

Onder Finserwolde is deze wijze van begraven wel het 
langst van allen in gebruik geweest, zekerlijk reeds in 
1740 ; doch toen en later nog werd minder algemeen , 
dan nu , aan dit werk behoorlijk de hand gehouden. 
Ook in de slechte tijden, die de landbouwer vroeger nu 
en dan heeft doorgeworsteld, bevond hij zich niet zel- 
den in de onmogelijkheid , om voor zijne baitendijksche 
gronden buitengewone uitgaven te besteden, en daardoor 
bleef dikwijls, tot nadeel in de toekomst, dat nuttige werk 
achter. 

De stad Groningen is met de begravingen in hare aan- 



Digitized by Google 



218 



wassen eerst in 1797 begonnen; en het Domeinbestnnr, 
dat zijne buitendijksche gronden altijd zeer onachtzaam 
heeft behandeld , nog later (197). 

Om de belangrijkheid van het onderwerp willen wij 
hier, na dit algemeen overzigt van de begravingen 
gegeven te hehben, meer in bijzonderheden treden, 
en voor alles het uitmuntende plan uit elkander zet- 
ten, dat in het jaar 1795 door den Heer J. hoba 
SICCAMA, ter verdeeling der Stads aanwassen onder de 
Beerta in meetjes is ontworpen , en dat nog tot op het 
tegenwoordige oogenblik , alhoewel het door den Heer 
J. roelofs eenigzins is gewijzigd, steeds bij de begravin- 
gen wordt gevolgd (198). De kaart, die aangaande dit 
onderwerp bij dit werk is gevoegd , en die door den voor- 
maligen kundigen Stadsbouwmeester , den Heer g. kuij- 
peb , is opgemaakt , en die tot op het jaar 1851 door den 
Heer r. j. roelofs is bijgehouden, is zoo duidelijk, dat 
wij om een juist overzigt te geven, met eene zeer korte 
beschrijving zullen kunnen volstaan. De liniën AA zijn de 
zwetten die uit de buitenbermsloot van den dijk ontsprin- 
gen en evenwijdig aan elkander naar buiten in het slijk 
uitloopen , om aldaar in rieten te eindigen , die het water 
in de Westerwoldsche Aa overbrengen. De lijnen, waar- 



(197) Ook elders is het begraven der kwcldergronden reeds laag be- 
kend geweest ; althans in een oud werkje , dat thans nog veel bruikbaar» 
bevat, van albert rrahms , An/angsgründe der Deich- und Wasser- 
bauhinst, Aurich 1767; komt op S. 142, § 164, het volgende voor: 
„Will man indessen in und vor dem anwachsenden festen und dichten 
„grünen Groden ab , etwa alle 4 bis 5 Ruthen kleine Grüppcn von etwa 
„2 bis 3 fuss oben weit, 1% fuss tief, so weit hinunter ziehen als der 
w sogenannte Quendel oder Krückfuss beginnet auszuschlagen oder höch- 
„stens soweit hinunter, da beij tüglicher Fluth 6 bis 9 Zoll Wasser 
„kommt, kan solcher zu besscres Ausschlagung des Quendels und übri- 
„ gen Gew'dchse auch Bcdichtung und Fcstwordung des Bodcns seinen 
„ gaten Nützen haben u. s. w." Deze handelwijze heeft met die , welke 
wij hier voor hebben beschreven , wel is waar weinig overeenkomst , 
maar het blijkt hieruit toch, dat men in dat werkje dat nut van begra- 
vingen vooral aantoont , voor het bezakken en het meer opdroogen van 
den grond , waarvan een grootere jaarlijksche aanwas het gevolg is. 

(198) Het plan van begraving van de Stadsaan wassen komt in zijn 
geheel voor in de Verzameling van Resolutiën van de provisi'oneele Muni- 
cipalileit der stad Groningen, te Groningen, bij J. n. bolt, bl. 133envv. 



Digitized by Go( 



219 



bij de letters BB gevonden worden, zijn Urnen, die ins- 
gelijk een begin aan de buitenbermsloot nemen , om in 
den slijkgrond te eindigen. De dwarswegen vindt men aan- 
geduid door de letters CC, de hoofdwegen door DD. 

Als wij deze beschrijving met de kaart vergelijken, zal 
men ligtelijk eene tegenstrijdigheid vinden , die wij moe- 
ten oplossen. Op de kaart toch loopen de zwetten en de 
lanen evenver tot aan eene gestippelde lijn, alwaar zij 
plotseling ophouden, terwijl onze beschrijving de eersten 
in rieten overbrengt, de laatsten in de slijkgronden doet 
eindigen. Maar, om deze schijnbare tegenstrijdigheid uit 
den weg te ruimen, behoeven wij slechts aantevoeren, dat 
het plan van begraving tot aan die gestippelde lijn is op- 
gemaakt, en dat de zwetten, zoo dat plan geheel is uit- 
gevoerd, tot aan die lijn de afgeteekende rigting moeten 
hebben, alhoewel het dan toch nog van zelve spreekt, dat 
de zwetten in rieten moeten inmonden, om den wateraf- 
voer naar de Westerwoldsche Aa te doen plaats hebben. 

De lijnen EE, die in eene regte rigting evenwijdig aan de 
dwarswegen loopen, zijn meijnt-, met-, meed-, meet- of groe- 
negoten , voor zoo verre zij in den reeds begroeiden grond 
liggen, of slijkgoten, voor zoo verre zij in den slijkgrond 
liggen. Door deze zwetten , lanen, wegen en door de 
meet- en slijkgoten , die ze regthoekig doorsnijden , wordt 
de aanwas in regthoeken verdeeld, die, zoo als wij vroe- 
ger reeds gezegd hebben, meetjes worden genoemd, en 
deze hebben alhier een inhoud van 75 Roeden. Wat de 
afmetingen der hoofd- en dwarswegen, lanen, zwetten, 
meet- en slijkgoten betreft , wij willen ze hier volledig ge- 
ven, omdat wij zeker niet ten onregte van gevoelen zijn, 
dat men bij het navolgen van dit plan, dat zoo uitmun- 
tend aan de verwachting heeft beantwoord , met alle on- 
derdeden behoorlijk bekend moet zijn, wil men zich in de 
uitkomsten , die men beoogt te verkrijgen , niet geheel of 
ten deele bedriegen. 

1. Afmetingen der hoofd- en dwarswegen en lanen. 

Hoofdwegen 24 Groninger voeten of 7.04 el. 
Dwarswegen 20 ,. „ „ 5.87 „ 

Lanen .... 18 „ „ „ 5.28 „ 



Digitized by Google 



220 



2. Afmetingen der zwetten en goten. 



Naam der zwetten , 9looten en goten. 


Wijdte 

van 
boven. 

Ellen. 


Wijdte 
in den 
bodem. 

Ellen. 


diepte. 
Ellen. 




3.15 


1.15 


1.15 




2.05 


1.20 


1.15 




1.76 


0.72 


1.03 




1.17 


0.58 


0.44 


Meetgoten in de groente en Laangoten 


1.03 


0.51 


0.73 


Hoofdwegsgoten ten zuiden van den weg 


1.03 


0.55 


0.73 


Hoofdwegsgoten ten noorden van den weg 


0.74 


0.44 


0.66 



3. Af melingen der meetjes. 

Een meetje is 8 maal langer dan breed; de lengte be- 
loopt 246.3 el , de breedte 30.8 el ; ieder zwet en laan zijn 
dus van elkander verwijderd 246.3 el ; de zwetten hebben 
een afstand van 492.6 el, en de lanen liggen even ver 
van elkander af (199). 

Het zal mogelijk eenigzins vreemd voorkomen , dat de 
zwetten in het slijk minder breed worden gegraven dan 
in den aanwas zeiven ; maar als men bedenkt , dat de 
grond zeer week is, en dat zij door inzakking al dade- 
lijk worden verbreed, dan vervalt die tegenstrijdigheid. 
Ook hebben de zwetten in het slijk minder diepte, dan in 
den aanwas, maar daarmede zullen zij in allen gevalle 
kunnen volstaan , daar de afhelling van den grond die 
van het water , zelfs bij de sterkste afebbing , nog verre 
overtreft. De stroom werkt tevens zoo sterk op de wal- 



(199) Deze opgave komt met de grootto van een meetje niet over- 
een : zijn de meetjes juist 75 Roeden , dan zal , bij eene 8 maal grooterc 
lengte dan breedte , de lengte 244.96 el , de breedte 30.62 el moeten 
zijn , zoo als gemakkelijk door berekening kan gevonden worden. Wij 
geloovon echter wel , dat de afmetingen juist zijn opgegeven , maar dat 
de inhoud iets grootcr en wel 75.87 roeden is. 



Digitized by Goc 



221 



len der zwetten , dat men zeer dikwijls genoodzaakt is , 
om de verbreiding der zwetten ongeveer op het einde 
van den kweldergrond , door het aanleggen van knijpen of 
aardhoopen , tegen te gaan. 

Deze knijpen , onder a in Figuur 2 aangewezen, worden 
meestal aan den oostelijken wal aangelegd , omdat de stroom 
inzonderheid dien wal der zwetten aantast In den vorm 
van eenen halven cirkel liggende, bestaan zij uit klei- 
grond , die door dunne lagen Kweldergras of Sulteplanten 
of door beiden wordt afgewisseld , om de knijp zelve , 
die veel van de stroom heeft te lijden, meer vastigheid te 
geven. Deze knijpen kunnen echter alleen worden aange- 
legd, als er reeds eene merkelijke verbreeding van de 
zwet bestaat , maar die verbreeding kan er niet door worden 
voorgekomen. Men zou mogelijk van gevoelen zijn, dat 
daarom zeer smalle , boven tamelijk breede zwetten door 
de Sultestrook heen te verkiezen zouden zijn, maar de 
ondervinding heeft juist het tegendeel bewezen. Zijn de 
zwetten daar smal, dan leveren zij geen grond genoeg 
op , om er wallen van op te werpen , die èn door uitdroo- 
ging, èn door drukking zoo stevig worden, dat zij de 
werking van het water kunnen weerstaan , en daarvan is 
het gevolg , dat zij al spoedig belangrijk verbreeden. Wor- 
den de zwetten echter op de hier voorgenoemde plaats 
dadelijk op deze breedte van ongeveer 2 el en ter diepte 
van ruim 1 el gegraven , dan leveren zij eene voldoende 
hoeveelheid grond op voor het vormen van wallen, die 
meer duurzaam aan de werking van het water weerstand 
kunnen bieden, en de zwetten verbreeden zich dan meer 
langzaam. 

Bij het jaarlijksch voortschrijden van de Sultestrook ver- 
dwijnen de rieten door digtslijking niet altijd zoo spoedig, 
of zij worden nog wel eens door de Suite ingehaald , en 
dan is het noodig , — hetzij in zoodanig rieten voor den 
afvoer van het water zwetten zijn geleid of niet, — dat 
zij hoe eerder hoe beter digtslijken en begroeijen, zoo 
dat alle sporen er van zijn weggenomen. Maar de natuur 
gaat haren eigen gang en volgt niet altijd van zelf of 
gewillig 's menschen verlangen en wenscheii. Ook hier 
moeten hare krachten door zijn vernuft en arbeid, als 
met geweld , worden geleid , zullen zij zijn wil volbrengen. 



Digitized by Google 



222 



Men graaft dan opvolgend de goten aa,bb, cc, Figuur 3, en 
werpt de slijk dezer goten , ter vorming van eenen lagen wal, 
westaan. Heeft zoodanige wal slechts een drietal dagen 
weerstand aan de werking van het water kunnen bieden , 
dat bijna zeker het geval is, zoo hij in het midden van 
den zomer wordt opgeworpen, dan is hij genoegzaam vast 
geworden, om tegen de strooming van het water bestand 
te zijn , en daar als nu bij afebbing het water in A , B en C 
slib afzet, vullen zich de lagere vakken spoedig tot aan 
de hoogten der wallen, die langs de goten aa , bb, cc 
liggen, aan. Dan worden deze goten weder op nieuws ge- 
graven; de wallen weder west langs de goten gelegd en 
men dwingt het water nogmaals, om bij iedere eb , in A 9 
B , C zijne overtollig slib te laten vallen. Zoodoende wordt 
zelfs spoedig een zeer wijd riet vernaauwd ; de vakken A, 
B , C hoogen aldra tot in één vlak met den aanliggenden 
kweldergrond op, en, als zij begroeid zijn, is later de 
plaats, waar langs het wijde riet kronkelde , zelfs door het 
scherpe oog van den oeverbewoner niet terug te vinden. 

Eerst dan kan men de zwetten, meetgoten en dwars- 
gruppels de vereischte regte rigting geven. 

In het algemeen buigen zich de zwetten door den loop 
van het water oostaan en verbreeden zich tevens , zoo als 
vroeger reeds is aangewezen. In den slijkgrond zijn dit 
geene zeer belangrijke verschijnsels; maar zoodra de aan- 
was bij zijn voortschrijden eene dusdanige tot een riet ver- 
breede zwet ontmoet , is het zeer noodig , dat dit riet niet 
alleen geheel verdwijnt, maar tevens, dat aan de zwet 
zelve die rigting worde gegeven, die zij moet hebben, en 
het hulpmiddel , hiervoor aangewezen om een riet in be- 
groeiden grond te doen overgaan , kan hier niet worden 
toegepast. Men kan dan op de volgende wijze te werk gaan. 
Gesteld dat Aa , Figuur 4 , het te oostelijk liggend gedeelte 
van een riet is, waarin de zwet Bb uitloopt, dat cd de 
lijn is, die de grens van den plantengroei aanduidt, dan 
legt men bij ee , c op 100 of 200 el afstand van elkan- 
der dammen door het riet, die men aanlegt van Suite , 
door de stokken daarvan, welke daar des zomers altijd 
aanwezig zijn, als rijsbossen te zamen te binden, en door 
de ruimten tusschen die bossen , als ze in het riet zijn ge- 
vlijd , met klei aantevullen. Die dammen worden eerst 



Digitized by Google 



223 



laag gemaakt, en als de slib, die het water afzet, het 
werk meer heeft verbonden , en zij zich voor en achter de 
dammen ophoogt, hoogt men ze langzamerhand tot boven 
gewoon volzee op. De panden tusschen die dammen blij- 
ven dan bij gewone vloeden droog en de zwet ontvangt 
geen water meer. Daarna graaft men van a af in de rigting 
aB de zwet tot naar b naar buiten in den slijkgrond uit, 
om haar in een ander riet afteleiden. Dan komt het wa- 
ter weder geregeld in de zwet op en gaat er in af; maar 
de panden in het riet tusschen de dammen gelegen, blij- 
ven bij gewone vloeden droog, ontvangen geen water 
meer en kunnen derhalve niet digtslibben. Om dit te doen 
plaats hebben, graaft men de goten /, /, ƒ, die de zwet 
met het riet verbinden , en heeft men zorg gedragen , dat 
aan de zwet , zoowel als die goten , meer diepte dan het 
riet is gegeven , dan loopen telkens de panden van het 
riet, als zij bij vloed gevuld zijn geworden, weder bij eb 
volkomen droog, en in eenen betrekkelijk korten tijd is 
het geheele riet tusschen de dammen door opslibbing 
volkomen verdwenen. 

Het komt ook wel eens voor, dat een riet AB dwars 
de zwetten ab, ab , ab doorsnijdt, zoo als in Figuur 5 te 
zien is. Om zoodanig riet door neerslag van slib in begroei- 
den kweldergrond te herscheppen , plaatst men in het riet, 
in de rigting van den een of anderen wal der zwet, de dam- 
men e, e, e 9 waardoor het riet in panden wordt verdeeld, 
die bij vloed door het water worden gevuld, en die bij eb 
weder volkomen droog loopen en waardoor veroorzaakt 
wordt , dat het riet door opslibbing spoedig is verdwenen. 

De zwetten worden jaarlijks nagezien en, waar het 
noodig is , verbeterd , deels om de twee jaar hergraven , en 
alsdan wordt telkens bepaald , waar knijpen noodig zijn , ten 
einde de verbreeding , die de gestadige op- en afloop van het 
water veroorzaakt, te beteugelen, door den stroom te mati- 
gen, alzoo den tijd van strooming te verlengen. De meetgo- 
ten worden om het derde jaar hergraven, maar slijkgoten 
is men wel genoodzaakt telken jare zulks te doen. Te- 
vens worden er jaarlijks, al naar dat de slijkgrond min 
of meer droog is , een of twee slijkgruppen en alzoo nog 
een of twee meetjes bij aangelegd. Het is in dezen , zoo 
wel als bij het hergraven der slijkgoten, van het hoogste 



224 



belang , dat het graafwerk tijdens bestendig weder en by 
lage vloeden , alzoo niet bij N. W. winden verrigt wordt ; 
want zijn de vloeden onstuimig, dan zijn de slijkgoten zeer 
spoedig door de afspoeling der onbegroeide wallen ge- 
dempt, en men kan de aangewende kosten grootendeels 
voor verloren beschouwen. Vandaar dat de graafwerken 
in een jaargetijde worden ondernomen , wanneer men nog 
op bestendig weder mag rekenen. Men begint in April 
dikwijls aan de buitenbermslooten , aan de zwetten , meet- , 
laan- en weggoten in de groente in Mei en Junij, aan de 
slijkgoten in Julij , als wanneer het weder al zeer zacht is 
en men geene onstuimige vloeden behoeft te vreezen. 
De lanen zelve legt men jaarlijks wel 200 el buiten den 
aanwas in den slijkgrond verder dan de slijkgoten aan, 
waardoor het mogelijk is , dat door bezakking de grond zoo 
veel vastigheid verkrijgt, dat de laan later niet door de 
stroom al dadelijk eene al te N. O. rigting verkrijgt 

Wat de jaarlijksche kosten van begraving betreft, zij 
zijn minder dan men wel zou denken. Om ook in dezen 
een overzigt te geven, volgt hier eene opgave van de 
prijs, waarvoor het hergraven per roede van 10 el in 1850 
is uitbesteed geworden. 

De zwetten 28 cent. 

De meetgoten ........ 19 „ 

De laangoten 14% „ 

De hoofdwegsgoten 14 „ 

De slijkgoten 14 „ 

Het dagelijksch werk van een arbeidsman , als hij een 
goed graver is, bedraagt: 

Van zwetten 2 x / 2 K. van 10 el. 

Van meetgoten. ...... 4% 

Van slijkgoten 6 „ „ „ „ 

De uren van arbeid loopen bij dergelijk werk op en buiten 
den aanwas alleen van 's morgens 4 tot 's middags 12 uur. 

Hoeveel de jaarlijksche begravingskosten voor den aan- 
was en kwelder op ieder bunder beloopen, zijn wij in 
staat gesteld voor de Stads uiterdijken zeer naauwkeurig 
over een tiental jaren, en wel van 1840 tot 1850, te 
kunnen opgeven. Die kosten hebben beloopen in deze 
jaren de aanzienlijke som van / 22884,39 voor het begraven 



Digitized by Google 



225 



van 3501 bunder buitendijksche gronden, waaruit men de 
jaarlijksclie begravingskosten van het bunder bevindt te 
zijn ƒ 6,54. 

In Oostfriesland zijn zij iets geringer. Dr. reinhold 
geeft in een zijner geschriften op, dat de begravingskos- 
ten van den aanwas achter den Heinitzpolder van 1823 
tot 1840 over 251.2 bunder jaarlijks hebben bedragen ge- 
middeld ƒ 1489,50 , waaruit men de jaarlijksclie kosten van 
graafwerk op slechts f 5,93 per bunder vindt (200). 

Elders in den Dollard, alwaar het bezit der kwelder- 
gronden tusschen zeer vele landbouwers verdeeld is, 
wordt het moeijelijk, om vaste afmetingen voor de zwet- 
ten , meet- en slijkgoten op te geven , die ieder naar zijn 
goedvinden uitkiest ; ook is de tijd van hergraving daar 
minder aan eenen vasten regel gebonden. Hierbij komt, 
dat velen tot nadeel van den aanwas nog al te veel op de 
oogenblikkelijke kosten zien, en het graafwerk niet zoo 
dikwijls herhalen, als wel noodig is, en vandaar dat men 
voor de jaarlijksclie kosten van begraving daar ook geenc 
vaste jaarlijksche som per bunder kan opgeven. 

Wij hebben alsnu , wel is waar , de begravingen van de 
Stads aanwassen beschouwd uit het technisch en geldelijk 
oogpunt van aanleg, maar wdar de uitgeworpene aarde 
soms ter vorming van dijkjes of wallen wordt geborgen 
en hoe vervolgens het water in dat netwerk van graaf- 
werk opkomt en afgaat, hiervan hebben wij nog geen 
enkel woord gesproken, en dit is zeer zeker hoogst ge- 
wigtig , ten einde zelfs in de kleinste bijzonderheden met 
den aanleg van den aanwas in den Dollard en al wat 
daartoe behoort bekend te worden. Hiertoe is het noodig, 
dat wij eene afzonderlijke teekening voor oogen brengen, 
waarop meer de bijzondere onderdeden zijn opgenomen, 
welke op de kaart zelve niet wel konden voorkomen. 

Wat dan de plaatsen betreft, alwaar de aarde bij het 
graven der zwetten en verschillende goten moet worden 
geworpen , deze worden op eene doelmatige wijze zeer 
verschillend genomen. Bij de zwetten werpt men ze dik- 



(200) Historisch hydrographische Nachrichten von den Ilafcn und ander» 
Schiffahrls-Anstahen in Ost friesland , S 105. 

15 



Digitized by Google 



22G 



wijls naar beide zijden heen, vooral om laagten , die het water 
veroorzaakt heeft , aantevullen , met behoud van eene berin 
van 5 palm. Uit de goten langs de lanen, hoofd- en 
dwarswegen wordt de aarde op die lanen en wegen zelve 
geworpen en geëffend met eene tonrondte van 1 palm. Zijn 
er echter door in- en afspoeling laagten in de lanen of 
wegen ontstaan, dan vult men die laagten met vasten 
grond uit de meetjes zelve aan , die beter de werking 
van het water wederstaat, dan de slijkgrond, die uit de 
goten wordt verkregen. Deze laagten worden tot eene 
hoogte van 3 palm boven het vlak der laan of van den 
weg aangevuld, opdat zij niet aldra door bezakking en 
door afspoeling weder beneden het vlak van de laan of 
den weg dalen. De grond , dien het graven der meet- 
en slijkgoten oplevert , wordt thans ter vorming van eenen 
wal zuidaan geworpen met een berm van 5 palm, maar 
vroeger , volgens het plan van den lieer j. hora siccama , 
noordwaarts aan. Van daar dat men kort langs den dijk 
nog meetjes aantreft, alwaar de wallen aan de noordzijde 
de goten begrenzen , en die wallen behouden thans nog 
bij hergraving der goten dezelfde ligging. Op de bijgaan- 
de teekening, Figuur 6, in welke de gestippelde lijnen de 
wallen aanduiden, vindt men ze onder g, g y g, naar de 
tegenwoordige wijze van begraving der Stads aanwassen , 
onder A, h> volgens het plan van den Heer J. hora 
siccama. 

Zoo als wij vroeger reeds gezegd hebben , is thans nog 
het gevoelen van deskundigen verdeeld , aan welke zijde 
der goten, aan de zuidelijke of noordelijke, om het meest 
den aanwas te bevorderen , de* wallen moeten worden aan- 
gelegd, en wij willen nu eens meer bepaald onderzoeken, 
waarom men in dezen twee verschillende inzigten kan 
aankleven. 

Het is bekend , dat de vloedstroom in den regel on- 
stuimiger opkomt , dan de ebstroom afgaat. Klimt het 
water nu tot die hoogte, dat het over de wallen , op den 
aanwas aangelegd , henenstrijkt , dan scheurt de vloed- 
stroom dikwijls grond van de wallen los, vooral zoo zij 
pas opgeworpen en nog niet begroeid zijn. Zijn nu deze 
wallen noordelijk van de meetgoten gelegen , dan zijn 
soms die goten, door afslag en afkabbeling van de wal- 



Digitized by Goc 



227 



len, spoedig gevuld. Liggen zij integendeel aan de zuid- 
zijde der goten , dan wordt de grond der wallen , dien de 
vloedstroom loswoelt , op het meetje zelve gevoerd , maar 
de goten blijven open. Uit dit oogpunt beschouwd , is 
het zeker veel verkieselijker de wallen aan de zuid- dan 
aan de noordzijde van de goten optewerpen. Maar de 
kweldergrond heeft nog al eenige helling, en ligt, opzig- 
telijk een waterpas vlak, des te lager, hoe verder men 
zich van den dijk verwijdert, zoo als wij hiervoor reeds 
hebben opgegeven. Daar volgt dus uit , dat ook de noord- 
zijde van ieder meetje bij k eene lagere ligging , dan de 
zuidzijde bij l heeft. Sluit men nu het meetje door eenen 
wal van de meetgoot af, en is kort langs de zwet de 
grond iets hooger , dan een weinig van de zwet af, dat 
meest altijd door het gedurig graven der zwet het geval 
is, dan zal het meetje bij eb niet volkomen droog kun- 
nen afloopen , maar iets dras te liggen komen , dat voor 
de ophooging niet voordeeiig kan zijn. Ligt integendeel 
de wal aan de noordzijde van de meetgoot, dan is er 
geene verhindering aanwezig , die veroorzaakt , dat het 
meetje zijn water bij eb in de noordelijke goot volkomen 
kan ontlasten , en uit dit oogpunt beschouwd , heeft het 
zeer zeker veel voor zich, om de zwetten aan de noord- 
en niet aan de zuidzijde der meetgoten te plaatsen. Om 
dit laatste bezwaar tegen het opwerpen der wallen aan 
de zuidzijde der meetgoten volledig wegtenemen, is men 
wel niet op de Stads aanwassen , maar op kweldergron- 
den , aan anderen toebehoorende , met goed gevolg be- 
gonnen , het geheele meetje door watergoten, m, m, m, met 
de zuidelijke meetgoot in verbinding te brengen. Deze 
zijn van 7 tot 10 el van elkander verwijderd ; aan den 
wal geeft men ze 2 palm breedte en 1.5 palm diepte, 
aan de meetgoot 3 palm breedte en even zoo veel diepte; 
en daardoor kan het meetje , alhoewel de wal zuidelijk 
van de meetgoot ligt en het meetje daar het laagst is , 
volkomen zijn water naar de zuidelijke meetgoot afvoe- 
ren. Bij het graven dezer goten , wordt de 10 el met 2 
cent betaald, en de grond, dien deze goten oplevert, 
wordt over het meetje geworpen. 

Men is genoodzaakt , niet alleen deze goten nu en dan 
weder optegraven, maar ook ze tevens te verleggen; de 



Digitized by Google 



228 



grond toch, dien men er uitgraaft, wordt natuurlijk kort 
aan de goot geworpen, en als dit verscheidene keeren 
geschiedt , ligt de goot in eene hoogte. Men brengt haar 
dan naar eene naastgelegene lagere plaats over, om zoo- 
doende het meetje eene vlakke ligging te doen behouden. 

Geheel ondoelmatig is het, deze watergoten noordelijk 
door den wal te graven, om ze in de goot, verder en 
noordelijk van den dijk gelegen, te doen uitloopen en 
niet in .de zuidelijke goot van het meetje, en toch wordt 
dit wel eens gedaan. Daardoor toch wordt die wal afge- 
broken ; de stroom scheurt daar groote en grootere gaten 
in , en de afloop van het water wordt , als dat het meetje 
bedekt , niet zoo tegengehouden , als bij geheel digte wal- 
len en bij eene graving van watergoten van de wallen 
af zuidwaarts op tot naar de meetgoot. 

Welk een netwerk van zwetten en goten als nu ook 
in den aanwas ligt , het water gaat er bij zijne opkomst in 
eenen zeer van rigting veranderden loop, die wij in de 
teekening door pijltjes hebben aangewezen , gemakkelijk 
in op , en het ebwater stroomt er even geregeld uit af. 
Klimt de vloed hooger, dan de aanwas, dan heeft de 
wateraanvoer alleen langs de zwetten plaats , zoolang als 
de wallen zich nog boven het water verheffen; maar zijn 
ook deze onder de watervlakte verdwenen, dan komt er 
een breede aanvoer van water over de geheele vlakte , 
daar alsnu niets den toevoer in den weg staat. Bij eb, 
als wanneer de slibneerslag aanvangt, wordt het water, 
zoodra het beneden de wallen is gedaald , door de wal- 
len tegengehouden, en daar het alleen langs de zwetten 
kan afloopen, wordt de tijd van afstrooming merkelijk 
verlengd en de gelegenheid tot en de duur van bezakking 
der slib vergroot, zoo als wij hiervoor meer uitvoerig 
hebben aangetoond. 

Als men het netwerk van zwetten en goten aandachtig 
inziet , dan valt het op , dat iedere laangoot tegen het 
meetje is afgebroken ; daar is een dam gezet , om met een 
wagen, voor het vervoeren van het kweldergras of hooi, 
van iedere laan in eenig meetje te kunnen komen. Zeer 
dikwijls , en wij gelooven op meest alle aanwassen van 
den Dollard , zijn er dammen tegen elkander aan de on- 
derzijde of het digst aan den dijk gelegene zijde van het 



Digitized by Go 



229 



meetje, zoo als op de schetsteekening in c en d is aange- 
wezen. De ondervinding heeft echter geleerd, dat die 
plaatsen voor het leggen der dammen niet zeer doelmatig 
zijn. De laan daar tusschen gelegen spoelt af en wordt 
aldra zoo laag, dat zij een gedurig onderhoud noodig 
heeft. Ten dien einde graaft men vasten grond uit het 
meetje , en men hoogt daarmede de laan tot 3 palm boven 
het overige vlak der laan op , daar bezakking en de stroo- 
ming van het water aldra die hoogere ligging wegnemen. 
Om die wegspoeling der lanen tegentegaan, is men op de 
Stads aanwassen begonnen de dammen in de lanen niet 
alleen niet aan de beneden zijde der meetjes aanteleggen, 
maar ook te zorgen, dat de dammen niet tegen elkan- 
der overstaan, zoo als men onder a en b, e en ƒ zien kan; 
en alhoewel de ondervinding in dezen nog niet van zeer 
langen duur is , schijnt het nu reeds bewezen te zijn , dat 
deze aanleg der dammen zeer goed aan het voorgestelde 
doel beantwoordt. 

Het is duidelijk dat men, bij dezen aanleg der meet- 
jes, lanen en wegen, in de dwars- en hoofdwegen dui- 
kers moet leggen, daar, waar zij door de zwetten wor- 
den doorsneden; deze houten duikers, die zeer eenvoudig 
zijn gemaakt , hebben , naar wij meenen , 1 vierk. el door- 
snede. Bij eene kleine verandering in dezen aanleg , die 
zich alleen daarbij bepaalde, om de dwarswegen wegtene- 
men en om binnen langs de buitenbermsloot van den dijk 
eenen weg aanteleggen, zou men de duikers geheel kun- 
nen ontberen. 

De aanleg van het onverdeelde Munnekeveen kan onge- 
veer uit de volgende beschrijving worden opgemaakt. De 
hoofdlaan, waaruit alle opgaande lanen, die noordwaarts loo- 
pen, ontspringen, ligt geheel langs de zuidelijke gronden 
van dat gedeelte van den kweldergrond. De meetjes heb- 
ben er dezelfde afmetingen, als op de Stads aanwassen, en, 
zoo als wij vroeger hebben opgegeven, zijn zij daarom 
natuurlijk even groot. Daar , waar in de Stads aanwassen 
zwetten zijn aangelegd , heeft men in het Munnekeveen 
tevens opgaande lanen , zoodat de lanen half zoo ver van 
elkander verwijderd zijn, als in de eerstgenoemde aanwas- 
sen. Oostelijk van en langs iedere opgaande laan, waarvan 
er vijf aanwezig zijn , ligt eene zwet, en de laan is alleen 



Digitized by Google 



230 



om te dienen voor invaart in de westelijk daarvan en aan- 
gelegene meetjes ; en daar men van den dijk van 1819 
alleen van de oostelijke zijde op de hoofdlaan kan komen, 
is deze aanleg bij uitstek doelmatig. Men behoeft toch, 
om het kwelderhooi met den wagen van de meetjes te ha- 
len , geenen nutteloozen omweg om de meetjes te maken , 
dien men in den aanleg der Stads aanwassen niet kan 
ontwijken. 

Daar, waar de kweldergrond tussehen vele eigenaars 
verdeeld is , zoo als dit achter Finserwolde het geval is, 
ligt hij meest in opgaande heerden of heerten , gelijk dit 
woord meer luidt , maar toch oorspronkelijk haard zal 
zijn en overdragtelijk genomen voor de geheele woon- of 
boerenplaats en daaronder behoorende landerijen. Deze 
heerten zijn van meerdere of mindere breedte; de aanleg 
is daardoor minder regelmatig, minder naar vaste plannen 
geregeld en de begravingen hebben er niet zoo bepaald 
op vastgestelde tijden , als elders , plaats. Daar spiegelt in 
dezen het zeer verschillend inzigt der bezitters zich overal 
duidelijk in den kweldergrond af. Met een enkel woord 
willen wij echter opgeven , wat den aanleg hier van dien van 
elders onderscheidt, en daartoe dient de hierbij gevoegde 
schets , Figuur 7 , in welke pe en fq twee opgaande zwei- 
ten voorstellen, waar tussehen eene streep aanwas ligt. 
Men is wel verpligt, langs dien hoelderheert eene laan te 
houden, die meest aan de westzijde der heert , soms aan 
de oostzijde ligt. Nadat in dezen de keuze bepaald is , 
wordt door dicarsgruppels , ab , no , de aanwas in gelijke 
deelen verdeeld, die meestal door de meetgoten, gh , ki, in 
meetjes worden gescheiden. Sommigen leggen dan water- 
goten in de meetjes, die nu eens op eene zeer ondoelma- 
tige wijze door de wallen heen worden gevoerd , zoo als 
zij in rs en tu voorkomen ; soms echter van de wallen af 
naar de naaste meetgoot worden geleid, zoo als in vw en 
xij te zien is. Wat de afmetingen der zwetten , lanen , 
laan- , meet- en watergoten betreft, zij komen niet overal 
overeen met die, welke men in de Stads aanwassen voor 
regel heeft aangenomen : dikwijls zijn zij iets kleiner; de 
meetgoten zijn dan 8.5 palm van boven wijd, 5.5 palm 
diep , en men geeft aan de dwarsgruppels dezelfde afme- 
tingen; aan de zwetten, ondoelmatig genoeg, soms slechts 



Digitized by Goc 



231 



eene wijdte van 1 el. In het algemeen bevinden zich de 
invaarten in de meetjes aan de onderzijde , zoo als zij bij 
m, c en h voorkomen. — Wat de ligging der wallen 
aangaat , ook hierin handelt men zeer verschillend. Som- 
migen werpen de aarde nit de meetgoten oost- anderen 
westaan. In onze schets hebben wij ze aan de westzijde 
geteekend. Uit de dwarsgruppels wordt in den regel de 
grond noordaan geworpen , zoo als wij dit in onze teeke- 
ning hebben voorgesteld. Enkele aanleggen komen er ech- 
ter voor, alwaar de wallen zuidelijk aan de dwarsgrup- 
pels grenzen. 

Bij binnendijkingen geven dergelijke smalle stroken 
aanwas poldergronden , die voor den landbouwer moei- 
jelijk te gebruiken zijn. De laan, die hij toch ook bij 
den bouwgrond moet behouden, neemt een groot gedeelte 
van den akker weg , waarvan hij geene opbrengst heeft , en 
de groote afstand, dien het werkvolk en de paarden, tel- 
kens bij bebouwing en bij het schoonhouden van den grond 
en bij den oogst, moeten afleggen , doet veel tijd niet 
alleen nutteloos verlooren gaan, maar vordert tevens nog 
eene uitgave van arbeidsloon en van onderhoud van paar- 
den, die den landbouwer niet wordt vergoed. En toch 
is er bij deze smalle heerten geen middel, om bij eene 
toekomstige bedijking aan de plaatsen der landbouwers eene 
voor de landhuishouding voordeeliger ligging te geven, 
daar zelfs eene ruiling van gronden hoogst moeijelijk , zoo 
niet onmogelijk is, omdat meest alle langs den Dollard binnen- 
gedijkte gronden beklemd zijn , welke beklemming geene rui- 
ling tusschen de meijerlieden toelaat , dan met toestemming 
van de eigenaars , en dan nog veel bezwaar oplevert. 

De stad Groningen, die bij al hare ontwerpen wijsselijk 
niet voor het kortstondige oogenblik zorgt, maar overal de 
toekomst voor oogen houdt , heeft ook in het plan van 
1795 , dat de begravingen op de Stads aanwassen regelt , 
reeds bij die begravingen op eene toekomstige bedijking 
gerekend en er op verdacht geweest , om de wegen , la- 
nen en meetjes zoodanig aanteleggen , dat later de grond 
voor het landbouwbedrijf voordeelig kan worden te zamen- 
gevoegd. In dat plan is reeds bepaald , dat 64 meetjes of 
48 bunder voor éene boerenplaats zullen worden vereenigd. 
De tegenwoordige zwetten zullen dan de scheidingen tus- 



Digitized by Google 



232 



schen de landerijen der verschillende gebruikers uitmaken; 
de landbouwerswoning zal daar worden geplaatst, alwaar 
de laan den hoofdweg snijdt, en daardoor zullen bij het- 
zelfde bedrijf 32 meetjes ten noorden en evenzooveel meet- 
jes ten zuiden van de woning van den landbouwer zijn 
gelegen. Noord- en zuidop zal de verste grond 16 meet- 
jes breedte of 30.8x16 = 492.8 el van de woning des 
landbouwers verwijderd zijn, en oost- en westwaarts de 
lengte van een meetje of 246.4 el. De landbouwer zal 
aldus , omgeven van zijn grond , zijn bedrijf zeer voordee- 
lig kunnen uitoefenen. 

Ook het Munnekeveen zal, door zijnen zeer regelmati- 
gen aanleg, bij eene indijking zeer goed in boerderijen 
kunnen worden verdeeld; maar er zijn wel groote uitge- 
strekte aanwassen, die, door de wijze van aanleg, meet- 
jes vormen, die geene regthoeken, maar onregelmatige 
vierhoeken geven , en het is zeker , dat men later , na 
eene bedijking daarvan, bij het bewerken van den grond, 
al de ongemakken dezer ongunstige ligging zal moeten 
inoogsten. 



Digitized by Go 



ZESDE HOOFDSTUK. 
Voortbrengselen uit het Plantenrijk. 



Plaatsen wij ons bij eb in den Dollard , aan de grens 
van de Eems, werwaarts niet anders dan een schuitje ons 
kan heenvoeren, dan brengt de verbeelding ons al ras 
de plaats uit het Verloren Paradijs van milton te bin- 
nen, alwaar satan het gebied van chaos betreedt, waar 
hij den woesten modderpoel half te voet, half vliegend 
doorwaart, en waar wieken en riemen beide hem te stade 
komen. Stel u voor: eene uitgestrekte, bruingele, min 
of meer zandige, slibachtige vlakte, hier meer daar 
minder boven het water verheven , dat nog bij eb in 
de rieten en goten aanwezig blijft; effen over het ge- 
heel , maar toch rimpelig door de rustelooze werking 
der golven; een grond, die den invloed der jaargetijden 
niet anders ondervindt dan door de vorst en den opdooi, 
die zij veroorzaken; — kortom eene levenlooze vlakte, die 
unocn liefelijk, noch bevallig, noch wild, noch grootsch, 
noch verheven toeschijnt, maar waarvan de aanblik u ver- 
veelt — en gij bezit eene getrouwe afbeelding van de bui- 
tenste gronden van den Dollard. 

Verder naar binnen, alwaar de min of meer zandige 
vlakte in slijkgrond overgaat , wordt de oppervlakte meer 
spiegelend door het water, dat zich altijd uit de slib af- 
scheidt; daar schijnt zij meer vriendelijk , maar even een- 
toonig, en zoekt men ook te vergeefs planten, tot welker 
voortbrenging de grond nog niet geschikt is. Wel heeft 
hij daartoe eene neiging ; want als, vooral na eenen win- 



Digitized by Google 



234 



ter, in welken het fel heeft gevroren, de lente komt en 
de geheele natuur zich met bladeren en bloemen siert , 
dan overdekken zich ook de slijkgronden met eene dunne 
bruine korst , dan bloeit ook het slijk ; doch als zij onder- 
vinden , dat zij nog geene bladen en bloemen kunnen ge- 
ven , dan zien zij gewillig aan, dat het water hun die 
korst bij stukken ontneemt, waarmede zelfs tot laat in 
den zomer vloed en eb spelen. 

Drijft de verveling ons aan, om de slijkgronden te 
verlaten , dan zijn de planten , die wij ontmoeten , eerst de 
Hanevoet , hier zoo genoemd , elders aan onze kust ook 
Krabbestruik of Krabbekruid en Krabbekwaad, dat is 
het geleedde Zeekraal (Salieomia herbacea) , dan de Suite, 
elders aan onze kust ook het Starrekruid geheeten, of de 
zoutwater Aster (Aster Tripolium); deze eene schoone 
krachtige , gene eene kleine sappige plant. 

De Hanevoetplanten zijn niet in alle jaren even tal- 
rijk : nu treft men haar weinig , dan eens in groote hoeveel- 
heid aan , met andere woorden , soms bezetten zij de strook , 
die zij innemen , dun , dan zeer digt. Het schijnt door de 
ondervinding gestaafd te worden, dat zeer strenge winters 
zeer voordeelig op de vermenigvuldiging der Hanevoet 
werkt, terwijl weinig of geene vorst in den winter voor 
de voortbrenging dier planten niet gnnstig is. 

De Suite gunt haar echter geene vaste plaats , omdat 
zij er zelve ook geene heeft ; onophoudelijk treedt zij 
vooruit en altijd heeft zij de Hanevoet voor zich. De 
kustbewoners van den Dollard noemen twee soorten van 
Suite, en wel de Bloem- en de BladmUe. De Bladsulte 
blijft klein en heeft noch stengel noch bloemen; zij groeit 
in den regel het digst aan de Hanevoet. De Bloemsnlte 
is eene forsche , krachtige plant van 1.5 tot 2 el hoogte, 
en prijkt in Augustus met heerlijke bloemen; beide 
Sulteplanten hebben dezelfde bladen. De Hoogleeraar VAN 
hall (201) zegt echter stellig te weten, dat beiderlei Suite 
ééne plant , doch een tweejarig gewas is. Het eerste jaar 
van haren leeftijd prijkt zij alleen met groote bladeren , in 



(201) H. c. van hall, Aantekeningen betrekkelijk den Dollard, in het 
Tijdschrift van het Ned. Instituut, 1849. 



Digitized by Goc 



235 



het tweede jaar, als wanneer zij met kleinere bladeren is 
versierd , geeft zij bloemen en zaden , om daarna te sterven. 
Regenachtige winters en voorjaars doen de Sulteplanten 
sterk vermenigvuldigen ; bij droogte en vorst komen zij 
minder talrijk te voorschijn. 

Deze beide planten , de Hanevoet en Suite , die als het 
ware een breeden zoom tusschen den kwelder en den slijk- 
grond uitmaken , worden niet overal langs de kusten van 
ons Rijk, waar aanwas plaats heeft, aangetroffen. Zijn de 
voorgronden zandig of bestaan zij uit vette slib , dit is voor 
de Hanevoet meer onverschillig, die altijd groeit, als zij 
slechts dagelijks even hare voeten in het rustige vloedwa- 
ter kan afspoelen ; maar de Suite is keuriger ; zij wil al- 
leen in den vetsten slijkgrond tieren; in zandige buiten- 
gronden komt zij niet of meer schaars te voorschijn. 

Achter de breede strook van hooge en digt op elkander 
staande Sulteplanten , schuilt het Kweldergras (Poa marüimd) , 
dat tusschen die strook en soms tot aan den dijk de min 
of meer groote vlakte bedekt, welke zich in den Dollard 
onophoudelijk uitbreidt Daarop is het Kweldergras de 
hoofdzakelijke plant en wordt zelf wel, even als de grond , 
Kwelder geheeten. 

Het Kweldergras groeit ook niet altijd even welig. 
Het schijnt, dat een streng winter en een zacht voorjaar 
veel Kweldergras geven. Een winter zonder vorst en eene 
gure, schrale lente onderdrukken den groei dier grasplan- 
ten. Het is wel in te zien , waarom het Kweldergras het 
best en weligst na strenge winters tiert. Het ijs toch, 
dat zich op de slijkgronclen vormt, drijft alleen bij vloed 
op het water; bij eb zakt het op den slijkgrond neer en 
er vriest onder slib aan vast. Houdt de vorst lang aan en 
vriest het fel , dan wordt het ijs , zoowel als de laag slib , 
hoe langer hoe dikker. Valt de dooi in, dan heeft men 
dikwijls hooge vloeden en het ijs wordt over den kwelder- 
grond gevoerd. Daar vindt het dikwijls in de wallen een 
beletsel om weder weg te drijven. Het blijft er dan lig- 
gen , om te smelten, en de kweldergrond ontvangt de 
laag slib, die het ijs aan de slijkgronden heeft medege- 
nomen. Het is deze slib , die eene soort van bemesting 
voor den kweldergrond uitmaakt en die het Kweldergras 
zoo welig doet tieren. 



Digitized by Google 



236 



Wij hebben even gezegd, dat de strook van Kweldergras 
zich hier en daar bijna onvermengd tot aan den dijk uit- 
strekt ; maar in den regel heeft daar het Kweldergras meer 
en andere planten tusschen zich opgenomen en wel de 
Reije of de zee Weegbree (Plantago maritima), het witte 
Struisgras (Agrostis albd) , het roode Zwenkgras (Festuca ru- 
bra), de zee Ganzevoet (Chenopodium mariUmum) , het zee 
Zoutgras ( Triglochin maritimum) , het zout Zandkruid (Arena- 
ria salina), terwijl verder naar den dijk het Kweekgras 
(Agropyrum repens) en de akker MeUedistel (Sonchus arven- 
êü) zeer talrijk voorkomen. 

Het Kweldergras, voor zoo verre het bijna onvermengd 
met andere planten is , heeft dus ook buiten den dijk eene 
strook , waarin het groeit , even als de Suite en de Hane- 
voet, en die strook treedt ook jaarlijks verder van den 
dijk of naar buiten, en tot eene zekere grens verbreedt 
zij zich jaarlijks , bijaldien er aanwas plaats heeft. 

De Hanevoet gaat dus jaarlijks verder naar buiten ; hare 
plaats wordt dadelijk door de Suite ingenomen. De Suite 
schrijdt 's jaars voorwaarts , en gedeeltelijk , waar zij heden 
stond , vindt men het volgend jaar Kweldergras. En zoo 
regelmatig schrijden die planten vooruit, dat berekenin- 
gen ons hebben doen zien , zoo als wij in een voorgaand 
Hoofdstuk hebben aangetoond (bl. 152 tot 160) , dat zij door 
een drietal eeuwen heen, zoo wel op ons grondgebied als 
in Oostfriesland, 's jaars gemiddeld ruim 20.65 el zijn voor- 
uitgegaan. Daar zijn alzoo hoofdzakelijk drie strooken van 
planten in den Dollard: eerst de Hanevoet, dan de Suite 
en eindelijk het Kweldergras, en deze strooken heb- 
ben geene geheel willekeurige breedte, maar de grenzen 
van de grootte dier strooken kunnen wij niet opgeven. 
Wij gelooven wel , dat de Hanevoet niet meer kan 
groeijen, waar de dagelijksche gewone vloeden die plant 
geheel zouden bedekken. Zoo men het ondernam , om 
den geheelen Dollard de breedte van deze strooken te me- 
ten en tevens de helling van den slijkgrond te bepalen , 
zou men, dunkt ons, wel tot eenen algemeenen regel 
komen , hoe de breedte van die strooken van de helling 
afhangt; maar dit is een langwijlige arbeid , dien wij uit 
gebrek aan tijd niet hebben durven aanvangen. Om in 
dezen toch niet geheel in het onzekere te blijven , hebben 



Digitized by Google 



237 



wij op 13 verschillende plaatsen in den Dollard de breedte 
der Hanevoet- en Sultestrooken gemeten , en voor middel- 
getallen verkregen voor de breedte van de Hanevoet- 
strook 82 el en van de Sultestrook 142 el. — Wat de 
breedte van de Kweldergrasstrook betreft; zij heeft ook 
hare grenzen. Men weet toch , dat de buitendijksche gron- 
den naar buiten afhellen: hoe verder van den dijk, hoe 
lager worden die gronden. De gewone dagelijksche 
vloeden reiken niet aan de strook van Kweldergras , en 
dat water loopt er niet in. Hoe verder nu naar den dijk , 
hoe hooger de grond wordt, en is die tot ongeveer 6 
palm boven gewoon volzee geklommen, dan komen an- 
dere grassoorten en planten tusschen het Kweldergras te 
voorschijn , dat nu , hoe hooger de grond wordt , des te 
meer afneemt De strook voor het Kweldergras ligt dus , 
van den dijk afgerekend, daar langs, waar de grond eene 
hoogte van ongeveer 0.5 palm tot 6 palm boven gewoon 
volzee heeft. — In het algemeen volgt er uit , dat de drie 
strooken de meeste breedte hebben , waar de helling het 
geringst is, en, daar die helling op het kleinst is , waar 
de kwelder jaarlijks het aanzienlijkst vooruitschrijdt, laat 
zich er tevens uit afleiden, dat de drie strooken de 
meeste breedte hebben daar , waar de kwelder 's jaars op 
het meest vooruitgaat. 

De plant, die tusschen het Kweldergras het meest 
gevreesd wordt, is de Reije (Plantago marüima). Zij groeit 
meest altijd op korten afstand van den dijk , alwaar de grond 
reeds eenigzins hoog en droog is. Vandaar dat kwelder- 
gronden , die veel begraven worden , meer Reije voortbren- 
gen , dan die waarvan het graafwerk veronachtzaamd wordt. 
De eerste kweldergronden toch hoogen meer op en liggen 
drooger , dan de laatsten ; men vindt daarom op de eer- 
sten den Kwelder meer met Reije vermengd , terwijl op 
de laatsten het gras meer alleen uit Kwelder bestaat Niet 
in alle jaren is die plant even menigvuldig: bij winters 
zonder vorst, bij voorjaars, die onvruchtbaar en guur 
zijn, ziet men die planten het talrijkst en het weligst 
groeijen, juist als het Kweldergras schraal en kwijnend 
is. De redenen daarvoor liggen, dunkt ons voor de 
hand : de groeitijd valt voor het Kweldergras vroeger in , 
dan voor de Reije. Zijn nu de omstandigheden zoo gun- 



Digitized by Google 



238 



stig, dat het Kweldergras spoedig uitspruit en welig 
groeit, dan heeft de Reije later gebrek aan lucht en licht 
en zij kan door dat digte gra3 niet heendringen. Houdt 
het gure jaargetijde het Kweldergras lang terug, dan komt 
de Reije op en spreidt hare bladen boven het gras uit 
Het gras wil in de schaduw niet groeijen , en de Reije, 
van haren talrijken en weligen groei verzekerd , verstikt nu 
het Kweldergras. 

Hier en daar ziet men op de buitendijksche gronden 
eene andere plant opschieten , zich kringvormig uitbreiden 
en andere planten verdringen , even als iedere magt in 
het maatschappelijk leven, die, zoo zij niet binnen hare 
grenzen wordt gehouden , steeds haren kring zoekt te ver- 
grooten , ten koste van alles , wat zich in hare nabij- 
heid waagt. Die plant is het gewone Riet (Phragmües com- 
munis). Het groeit op de uit de Dollard losgespoekle 
stukken darg, die zich later met slib hebben bedekt. 

Wat de wallen der meetjes aanbelangt, men vindt er 
niet dezelfde planten op , als op de gronden , die zij inslui- 
ten. Op de buitenste wallen, het verst in den slijkgrond 
op , vindt men Hanevoet , verder naar binnen , hoofdzake- 
lijk Kruipmelde en Melle of Melde, zoo als men hier noemt 
de strand en openstaande Melde (Atriplex littorale en patu- 
lum) , en , nog digter naar den dijk , het Kweekgras (Agropy- 
rum repen*), 't welk hier, indien het niet gemaaid wordt, 
zoo welig groeit, dat het eene hoogte van 8 tot 10 palm 
kan bereiken. Als men van de wallen , op welke niets 
dan Hanevoet voorkomt, verder naar binnen gaat, dan 
komt men aan die , waarop Melle groeit , zoo als wij hier- 
voor gezegd hebben. Zijn nu de wallen pas opgeworpen, 
dan komt eerst alleen Kruipmelle te voorschijn, die, zoo 
de wallen ouder worden, sterft, en men ziet er Melle voor 
in plaats komen. Nog verder naar den dijk komt op de 
pas opgeworpene wallen Melle op, die later sterft, om 
voor het Kweekgras plaats te maken. Ook groeit de Kruip- 
melle en Melle veelvuldig op de kanten der lanen (202). 

(202) In een enkel van de Dollardpolders en wel in het jSieuwhnd 
achter Midwolde , hebben wij ook slechts op eene enkele plaats aan *lc 
Oude Geut de gewone Mattebies (Scirpus laeustris) in het eind ccner zwet- 
sloot, die in de Oude Geut uitmondde, aangetroffen. Voorwaar eene 
zeldzaamheid in de Dollardpolders l 

» 

t 

\ 

Digitized by Google 



239 



Van de planten in den Dollard wordt, behalve voor 
hooi en weide , bijna geen gebruik gemaakt. De Hane- 
voet is, behalve voor de aanslijking, op den Dollard eene 
plant , die ontkiemt , groeit en sterft , zonder dat zij er- 
gens nuttig voor is geweest; want het vee bereikt haar 
niet, evenmin als de zeis van den maaijer. Er strekt zich 
geene andere dan eene nieuwsgierige hand naar uit , om 
haar te plukken, te beschouwen en weder weg te wer- 
pen. En toch wordt die plant in andere doelen van ons 
Kijk , in Zweden , in Engeland , Spanje , Frankrijk en 
in Italië tot verscheidene doeleinden gebezigd. Aan de 
Zeeuwsche stranden is zij zeer overvloedig (203). Daar , 
zoo wel als in Engeland, wordt die sappige plant ge- 
stoofd, zoo als andere groenten, of, als salade, met olie, 
azijn en peper, gegeten (204). Soms legt men haar met 
azijn in , of zoo als men porcelein , zuring , snijboonen of 
kool inlegt, en zij wordt 's winters genuttigd. Overigens 
wordt zij geacht een goed middel tegen de scorbuit te zijn. 
Linnaeus wist reeds , dat het vee haar graag eet , en Dr. 
WE8TERHOFF (205) zegt, dat zij de schapen voor de gal- 
ziekte behoedt, omdat zij veel gewoon zout inhoudt. Op 
den Dollard kunnen evenwel de schapen die planten niet 
opzoeken , omdat zij in den weeken slijkgrond groeijen , 
die in het geheel niet door het vee, zelfs niet door scha- 
pen betreden kan worden. LinnaeüS zag in Zweden uit 
die plant goede Soda bereiden , die wel niet voor zeep , 
maar toch in de glasblazerijen en bij goud- en zilversme- 
den kan worden gebruikt. Loüdon geeft op, dat men 
ook bij Marseille dat kruid voor het fabriceren van Soda 
gebruikt; zelfs zou het in Italië en in Spanje voor dat doel 
aangekweekt worden. Proeven schijnen aangetoond te 
hebben, dat men de Hanevoet in ons land in Augustus 
moet snijden , zoo zij soda zal geven (206). Ook kan men 



(203) Van der trappen , Herbarium Vivum , 1 D. p. 418. 

(204) Zie o. o. ook het belangrijk Jaarboekje van Kunsten en Weten- 
schappen van den Hooglef raar Dr. bleekrode, 1852. 

(205) R. WE8TERHOFP, Comm. BoL in Ann. Gron. 1820—1821 , p. 9. 

(206) Men vindt bij raster in zyne Natuurk. Uitspanningen, D. 2, 
St. 3 , p. 109 , de manier , hoe uit deze plant Soda bereid wordt , opge- 
geven. Zie ook Academische Verhandeling van ü. w. schmidt. Oeconomische 



Digitized by Google 



240 



met haar het leder eene roode kleur geven, en men houdt 
haar voor eene goede versche meststof; maar daar de 
landbouw op de Dollardpolders aan mest geen gebrek 
heeft, wordt zij daarvoor ook niet ingezameld. 

De Suite is op den Dollard eene meer nuttige plant 
Hare bloemen geven in het najaar aan de bijen eenen zeer 
witten honig, die beter is dan de voorjaarshonig van de bloe- 
men der kruipende Wilg (Scdix repens) en van het Hoef- 
blad ( Tussüano Farfara) , alhoewel die ook van beide plan- 
ten bij uitstek blank is. Vooral wordt de Sultebloemho- 
nig in de Apotheken zeer gezocht — De bladeren der Suite 
zijn in den zomer een zeer goed voeder voor de schapen, 
en dan wordt Bladsulte nog beter dan Bloemsulte geacht ; 
zelfs de hazen bezoeken om deze bladen dikwijls zeer tal- 
rijk den aanwas. Wordt de Suite gekookt, dan heeft men 
een gezond voeder voor de varkens. In het hooi wordt 
de Suite niet opgenomen, evenmin als de Hanevoet; de 
planten zijn te forsch en te sappig om te droogen , voor- 
al omdat zij zoo siltig zijn. Daar , waar de strook Kwel- 
dergras aan de Sultestrook grenst , is het Kweldergras sterk 
met Suite vermengd, en men is wel verpligt, om de Sul- 
te, nadat het Kweldergras gemaaid is, er uit te zoeken. 
Vroeger werd wel eens des najaars de Suite gesneden en 
in de zon gedroogd , om daarna verbrand te worden , en 
uit de asch werd eene niet zeer beste Potasch bereid. 
Maar nadat ons vooral van Amerika zeer uitmuntende uit 
hout getrokkene Potasch wordt toegezonden , en goed- 
koope Soda van Engeland, hebben de inlandsche potasch- 
fabrieken, door het verlies van aftrek, opgehouden te be- 
staan , daar toch die asch in verwerijen in het geheel niet en 
alsnu in zeepziederijen niet dan met nadeel gebruikt kan 
worden. Buitendat werkt dat afsnijden van de Suite zeer 
nadeelig op de ophooging van den aanwas en uit dien 
hoofde is het wel gelukkig te noemen, dat er geene fa- 
brieken meer zijn, die Suite noodig hebben. Laat in het 



Abhandlungsn, Th. XIX, S. 534 , 1761. Uitgezogie Nat. Verft. Amst. 
iiouTTüiJN , D. VIII , 405. Nadat men begonnen is , om uit het steen- 
zout , dat vooral in het Kuiper der Triasgroep voorkomt , zeer goed- 
koope Soda te fabriceren, kan die kustplant natuurlijk voor Soda niet 
meer met voordcel gebruikt worden. 



Digitized by Go< 



241 



najaar sterft de Suite; de bladen verdorren, en als de sten- 
gels hunne sappen hebben verloren , breekt het woelige vloed- 
water ze af, en de hooge vloeden van het najaar en de 
ebstroom spelen er mede. Jagen nu felle winden , die op 
de kust zijn gerigt, het vloedwater hoog op, dan worden 
de stokken der Suite naar den dijk gezweept, en hier leg- 
gen zij zich langs de grens , die het water beschrijft , dijk- 
vormig neer en dan worden zij onder den naam van tijk 
onderscheiden. Later woelt het vloedwater, zoo het hoog 
opstijgt, de Sultestokken nog wel eens door elkander, 
maar dat water neemt telkens afscheid , zonder het ver- 
mogen te hebben , om de stokken weder tot een spel 
van stroom en wind heen en weder te voeren. In April 
of een weinig later worden die Sultestokken in brand ge- 
stoken. Dan schijnt het, alsof het vuur een verschrikke- 
lijken kamp tegen het water wil voeren ; maar de vlam , 
die zich als eene slang om den Dollard kronkelt , heeft 
aldra uitgewoed, en het water bekommert er zich niet 
om, maar komt even rustig op en vloeit even rustig af, 
als te voren. 

De Melle , de Kruip- en gewone Melle , werd in vroe- 
gere jaren ook afgesneden , gedroogd en verbrand , om 
van de asch potasch te bereiden, die van eene betere 
hoedanigheid was , dan die de Suite opleverde , maar , zoo 
als vroeger reeds gezegd is , de inlandsche potaschfabrie- 
ken bestaan hier niet meer, en daarom wordt ook de 
Melle niet meer verbrand. Op de Stads aanwassen werd 
vroeger jaarlijks het zaad , dat de Melleplanten zoo rijke- 
lijk opleveren , door kinderen ingezameld ; het werd ge- 
kookt en was een uitmuntend voeder om varkens te mes- 
ten. Het Kruipmellezaad , dat dikker dan het Melle- 
zaad is, wordt nog voor beter dan het laatste gerekend. 
Ook de planten zelve zamelt men voor varkensvoeder in, 
en dan ook geeft men aan de Kruipmelle , die eer gaar 
kookt dan de Melle, boven de laatste de voorkeur. 

Wat het gebruik betreft, dat van het Kweldergras ge- 
maakt wordt, bij uitzondering wordt hier en daar de aan- 
was beweid , in den regel wordt het gras gemaaid , om 
het als hooi te gebruiken, en dat hooi is des te minder 
krachtig, met hoe veel meer andere grassoorten en Reije 
het Kweldergras vermengd is. 

16 



Digitized by Google 



242 



Het kwelderhooi is voor paarden en schapen een zeer 
gezond en krachtig voeder en tevens beterkoop dan het 
hooi Tan de binnenlanden ; voor het melkvee is het min- 
der voordeelig, omdat men opgemerkt wil hebben, dat 
het wel vleesch geeft, maar de hoeveelheid melk vermin- 
dert. Het kweldergras wordt op den wortel verkocht, en 
in den regel onder de voorwaarde, dat het van de uiter- 
dijken tegen den 1 September moet zijn weggehaald. Dan 
wordt het vee op het etgras van de kweldergronden ge- 
zonden, en de beweiding dunrt veelal tot aan het begin 
van November. Men geeft dikwijls voor het jonge vee 40 
cent, voor het melkvee 50 cent per stuk in de week. De 
boter, die de melk oplevert, terwijl de koeijen op den 
kwelder grazen, is bij uitstek deugdzaam; zij wordt niet 
week bij warmte , bij vorst niet hard , en kan langer dan 
ander boter duren. In den regel wordt zij ƒ 1.50 het '/ 4 
vat hooger betaald, dan de boter, die gewonnen wordt, 
als de koeijen de binnendijksche landen beweiden. Ook 
geven de koeijen meer melk buiten- dan binnendijks. Wat 
de opbrengst van hooi van den kweldergrond betreft, zij 
is zeer verschillend. Gemiddeld kan men op 8 voer hooi 
van het bunder rekenen; de minste opbrengst moet men 
niet lager dan 6, maar de meeste kan men wel op 16 
voer hooi schatten. Algemeen houdt men eene meerdere 
opbrengst dan van 10 voer van het bunder voor schade- 
lijk , omdat dan het onderste gedeelte van het gras altijd 
verrot, eer het gemaaid is, terwijl het hooi slecht en on- 
gezond is. Voor het maaijen wordt van / 4.50 tot 7.50 
voor het bunder betaald , en in 3 of 4 dagen maait een ar- 
beider een bunder af. Veel hangt het er bij het maaijen van 
af, of het droog of vochtig weer is. Bij droog weer wil 
de kwelder niet snijden ; regent het fel dan ligt de kwel- 
der aan den grond , en het is wederom moeijelijk te maai- 
jen ; maar een zachte stofregen is voor den maaijer voor- 
deelig. De geldelijke opbrengst van den kweldergrond valt 
zeer ongelijk uit. Om in dezen een overzigt te geven, 
laten wij hier eenen Staat volgen , behelzende : 



< 



Digitized by Goc 



243 



De opbrengst van den kweldergrond , toebe- 
hoorende aan de stad Groningen over een 
tijdvak van 10 jaren. 



Jaar van 
verkoop. 



1841 
1842 
1843 
1844 
1845 
1846 
1847 
1848 
1849 
1850 

Totaal 



Hoe veel 
bunders 
kwelder 
er zijn 
verkocht. 



321 
326 
334 
339 
348 
352 
357 
365 
375 
384 

3501 



Hoe veel 
die verkoop 
heeft opge- 
bragt. 



ƒ8600.50 
14100.00 
10050.00 
6420.70 
6600.00 
5300.00 
15220.00 
8620.00 
10220.00 
9160.00 

/ 94291.20 

/ 26.94 



Opbrengst 

der 
naweiden. 



/ 300.00 
300.00 
300.00 
300.00 
300.00 
300.00 
400.00 
400.00 
400.00 
400.00 

/ 3400.00 

ƒ0.97 



Begravings- 
kosten 
van den 
aanwas. 



ƒ2094.77 
2606.25 
2031.27» 
2620.33 
2259.84 
1938.50 
2192.91» 
1779.40 
2411.11 
2950.00 



ƒ 22884.39 
ƒ6.54 



Derh. van 1 bunder 



Het blijkt dus hieruit, dat het bunder kweldergrond ge- 
middeld 's jaars heeft opgebragt: 

Aan kweldergras ƒ 26.94 

Voor naweide ƒ 0.97 

Onzuivere opbrengst ƒ 27.91 

De begravingskosten hebben bedragen . . ƒ 6.54 

Zuivere jaarlijksche opbrengst ƒ 21.37. 

Deze opbrengst moet nog met de grondbelasting wor- 
den verminderd; en deze treft niet alle kweldergronden 
gelijk. Zij hangt , zoo als wel bekend is , van de schatting 
van het zuiver belastbaar inkomen bij het Kadaster af, 
en dat heeft men zeer ongelijk aangenomen. De meer- 



Digitized by Google 



244 



dere of mindere gemakkelijkheid, om het kweldergras en 
hooi naar de achterliggende plaatsen te vervoeren, en de 
ongelijke deugd van het gras moesten hierop wel degelijk 
van invloed zijn. Eerst heeft het Kadaster het tarief in 
het hier volgende Tafeltje vastgesteld , zoo als dat in de 
tweede en derde kolom voorkomt ; maar later is ten ge- 
volge van ingekomene reclames het belastbaar inkomen 
van alle klassen eenigzins verlaagd en aangenomen, zoo 
als dit in de vierde en vijfde kolom van dat Tafeltje is 
aangeteekend ; echter zijn er toen twee eerste klassen in 
Finserwolde ontstaan, zoo als het Tafeltje aanwijst. De 
vermoedelijke reden hiervan is, dat het Kadaster alleen 
de perceelen der reclamanten heeft verlaagd en volgens 
dit nieuwe tarief heeft ingeschreven ; de perceelen van 
hen, die in het eerste tarief genoegen namen, zijn vol- 
gens den primitieven aanslag geboekt gebleven. In beide 
tarieven is de kweldergrond achter den Stadspolder als 
de voordeeligste erkend; daarna achter Finserwolde en 
Nieuwolda en dan achter Termunten ; en daar het gras 
en hooi van eerstgenoemden uiterdijk met minder kosten 
en bezwaar, dan van de andere aanwassen, naar de om- 
liggende streken kan worden vervoerd, kan men wel 
aannemen , dat het Kadaster zeer teregt de waarde van 
het kweldergras onder de Beerta hooger dan elders heeft 
aangenomen. Zoo echter de kosten van vervoer van het 
kwelderhooi in alle vier gemeenten gelijk stond , zou , 
naar veler oordeel, de kweldergrond van het onverdeel- 
de Munnekeveen het hoogst moeten zijn aangeslagen , 
daarna achter Finserwolde, dan onder de Beerta. 



Opgaaf van het zuiver belastbaar inkomen 
van den kweldergrond in den Doüard, 
volgens de Kadastrale tarieven. 





Voor 1834. 


Na 1834. 


Gemeente. 


l^c klasse 
per bunder. 


2de klasse 
per bunder. 


lste klasse 
per bunder. 


2de klasse 
per bunder. 


Beerta . . . 
Finserwolde 

Nieuwolde . 
Termunten . 


ƒ 20.00 
17.00 

17.00 
15.00 


>> 
» 

ƒ7.00 


f 18.00 
( 17.00 
( 15.00 
15.00 
12.00 


ƒ 9.00 
6.00 



0 



Digitized by Go 



245 



Het slijk en water, die tijdens de primitieve meting voor 
het Kadaster te zamen 8270 B. 8 R. 20 E. groot waren, 
zijn in alle gemeenten, waaronder de Dollard behoort, op 
een zuiver belastbaar inkomen van 25 ct. het bunder 
geschat. 

Van deze grondbelasting der Dollardslijkgronden , die we- 
zenlijk ook geene belasting op de zuivere opbrengst maar 
eene belasting op het kapitaal is , omdat deze gronden 
niets afwerpen, heeft echter de schatkist zeer weinig ge- 
trokken (207). De stad Groningen , ten wier name de per- 
ceelen water , primitief groot 5223 B. 7 R. 80 E. , onder 
de gemeente Beerta waren gebragt, heeft, tijdens het jaar 
1833, tegen dien kadastralen aanslag hare bezwaren bij 
de bevoegde magt ingebragt. De motieven , die zij heeft 
aangevoerd, zijn ons onbekend; maar het is uit de ka- 
dastrale stukken te zien , dat ten gevolge dier reclame ge- 
noemde perceelen ten name van de stad Groningen zijn 
geroyeerd geworden , zonder dat zij op naam van een an- 
der eigenaar zijn overgebragt. 

Ook de Domeinslijkgronden onder de gemeente Termun- 
ten, ter grootte van 2135 B. 33 K. 30 E., waren, voordat 
dezelve waren verkocht, van de grondbelasting vrijgesteld. 
Alleen de slijkgronden in het Munnekeveen en onder Fin- 
serwolde, en de weinige slijkgronden onder Termunten 
achter den dijk van 1819, die aan particulieren toebehoor- 
den , werden in de grondbelasting aangeslagen. 



(207) Benzekberg geeft in zijn uitmuntend werk: Ueber das Cadas- 
ter , B. 2 , S. 8 , van den aard der grondbelasting de volgende bepaling : 
„Der Character der Grundsteucr wird dadurch bestimmt, dasz sie von 
„jedem unbeweglichen Eigenthurae entrichtet wird , welches auf der Ober- 
„flache der Erde sichtbar- und eino bestimmte Rente tragt." By het 
Fransche Kadaster werden de slijkgronden ook niet opgenomen : Recueil 
Methodique de Lois , Deer ets , Regiemens sur le Cadastre de la France , 
T. 1, art. 156, Lettre du 28 Mei 1807. 



Digitized by Google 



ZEVENDE HOOFDSTUK. 
Dieren. 



Begeven wij ons alsnu met een ander doel naar den 
Dollard , om op te sporen , welke dieren er gevonden 
worden , dan vinden wij er op den aanwas onder de Zoog- 
dieren dezelfden , die men ook binnendijks aantreft. Ech- 
ter Lebben zij op den aanwas geene vaste woonplaats ; al- 
leen de zomer en de herfst, als de vloeden nog laag zijn, 
zijn de jaargetijden , in welke men er Hazen , Vossen , 
Veldmuizen en soms Mollen vindt. 

De Hazen kiezen de Sultestrook voor hunne verblijf- 
plaats : daar kunnen zij zich verschuilen , en de bladen , 
vooral der Bladsulte, geven hun overvloedig voedsel. 
Als het vloedwater over den aanwas opkomt, vlugten zij 
over den dijk , en bij eb zoeken zij de Sultestrook te- 
rug. Dit weerlooze dier, dat altijd door den Vos ver- 
volgd wordt, is hier zijn vijand niet ontvlugt. De Vos 
zoekt ook die Sultestrook op , bespringt de vogels, die 
in zijne nabijheid komen, en verschalkt de Hazen, 
die , hoe schuw ook , toch niet altijd waakzaam genoeg 
zijn, om dien geduchten vijand te ontkomen. Ook 
maakt de Vos zekerlijk jagt op de Veldmuizen, die bij 
drooge zomers op de kweldergronden , vooral in de na- 
bijheid van den dijk , in veel grootere hoeveelheid voorko- 
men, dan in het binnenland. De eerste de beste hooge 
vloed, die de kweldergronden bedekt, doodt echter de 
Muizen, zoo zij niet zwemmende den dijk bereiken; doch 



Digitized by Go( 



247 



later komen zij alweder uit het binnenland en kiezen 
den kweldergrond tot het eenzaam oord van hun kort- 
stondig verblijf uit Vroeger, toen nog de Suite kort 
langs den dijk groeide, maakten zij de nesten voor hunne 
jongen in de toppen der hooge Sulteplanten en waren ook 
onbereikbaar door de vloeden. Bij het opkomen van het 
water klauterden de oude Muizen naar de nesten der 
jongen omhoog en lieten zich door wind en stroom heen 
en weder wiegen ; maar nu de Sultestrook zoo ver van den 
dijk is, vinden de Muizen het verkiezelijker , om holen in 
den kweldergrond te maken. 

Mollen treft men kort aan den dijk , slechts uiterst zel- 
den op den kweldergrond aan. Het komt ons voor, dat 
dit dier bij vergissing op dien grond komt , daar het dien 
altijd spoedig weder verlaat De grond is er mogelijk nog 
verstoken van die wormen en insecten, die de Mol tot 
zijn voedsel noodig heeft. 

Vogels vindt men op den aanwas en de slijkgronden 
niet zoo talrijk als op de eilanden en hooge banken voor 
onze kusten. De voornaamsten zijn: 

Zeekagen (Larus marinus). 

Meeuwen (L. argentatus). 

Tureluurs (Totanus calidris). 

I Kollen (Anser albifrons). 

Schierlings (Anas anser ferm). 

Weenkies (Anser segetum). 

Bergeenden (Anas tadorna). 

Eenden (A. Boschas /era). 

TaUnqs [ Z 0 ™***^ (-4. querquedula). 
( Wintertaling (A. crecca). 

Smientjes (A. penelope). 

Wilpen (Numenius Arquata). 

Slijkaaksters (Flaematopus ostralegus ?). 

Reigers (Ardea cinerea). 

Kleppers, Zandjers, welke wij niet nader kunnen be- 
stemmen, en andere meer. 

Behalve de Ganzen en Smientjes, die op de kwelder- 
gronden grazen, leven deze vogelen meest van aal, gar- 
naal, krabben, botwormen, botweide enz. Daarom komen 
velen met den vloed op en gaan met den eb af, en 
tcekenen door hunne talrijkheid eene witte glinsterende 



Digitized by Google 



248 



streep op de slijkgronden af, die langzaam niet het op- 
komende water voortschrijdt, of die het afgaande water 
volgt, terwijl het schelle gillende geluid, dat strandvogels 
in het algemeen eigen is , hij het eentoonige gezigt dier 
graauwe vlakke slijkgronden, eenen onaangenamen indruk 
achterlaat. 

De Ganzen komen 's najaars langzaam aan. In het be- 
gin van September ziet men reeds de SchierUngs verschij- 
nen , die zoo tam zijn , dat zij wel geschoten , maar niet 
door Roepganzen met netten gevangen kunnen worden, 
daarna komen de Kollen, die wilder zijn, dan de WeenJcies, 
en dagelijks vermeerdert gaande weg hun aantal; maar 
niet voor het laatste van October zwieren die groote 
regelmatige rijen , die vooraan onder eenen scherpen hoek 
aan elkander sluiten , hoog in de lucht over de vlakten 
van H Oldambt , om zich naar den Dollard te begeven , 
en als de mist , die zich soms vervroegt , om aan Oc- 
tober zijne stormen te ontnemen, de zigzagvormige lijn , 
die de vlugt der ganzen kenmerkt, voor het oog ver- 
bergt, geeft hun eigenaardig geluid, dat op verren af- 
stand hoorbaar is , nog de rigting van deze hunne snelle 
vlugt te kennen. 

Hunne levenswijze op den Dollard is zeer eenvormig ; 
des nachts zijn zij , als het duister is , stellig op den aan- 
was ; zij slapen er dan , nadat zij verzadigd zijn gewor- 
den. Schijnt echter de maan helder, dan houden zij zich 
een gedeelte van den nacht naar buiten in het water op. 
Eer zij den aanwas weder bezoeken, komen er voor het 
krieken van den dag of in het vallen van den avond 
eerst twee Ganzen over, die, over den aanwas laag langs 
den grond vliegende , eenen grooten kring beschrijven. 
Deze twee Ganzen, voortrekkers genoemd, nemen het ter- 
rein naauwkeurig op , en als hunne vlugt volbragt is , 
trekken zij weder noordwaarts en zijn spoedig in de duis- 
ternis verdwenen. 

De jager, die reeds vroeger dan zij, op den aanwas 
is aangekomen , ligt inmiddels in eene gebukte houding , 
half beens in het slijk gezakt, in eene zwet verscholen. 
Ziet hij die voortrekkers , dan houdt hij zich stil , als een 
doode, en vooral wacht hij zich, hoe groot zijn lust ook 
is , om die vogels te schieten ; want hij weet maar al te 



Digitized by Go 



249 



wel, dat de Ganzen, die later opkomen, dan den gehee- 
len morgen al te vreesachtig en wild zouden zijn , om ze 
met zijn jagtroer te kunnen bereiken. Aldra komen er 
kleine vrolijke troepen Ganzen over, die binnen den om- 
gevlogen kring der voortrekkers neerstrijken. Al grazende 
op den kweldergrond verstoort hun zacht gekreun en ge- 
kakel de eenvormige stilte, en als hun getal al spoedig 
vermeerdert, kruipt de jager gebogen uit zijn schuilhoek 
te voorschijn , om het gelukkige oogenblik , dat de Ganzen 
onder zijn bereik brengt , niet onbenut te laten voorbijgaan. 
Een schot knalt los ; verschrikt heffen zich honderden van 
Ganzen op , maar een, twee- of drietal is welligt door 
het doodende lood getroffen. De jager trekt in zijn schuil- 
hoek in de zwet terug, en als de Ganzen spoedig de stilte 
terug vinden, die zij, vreesachtig als zij zijn, zoo zeer 
beminnen, strijken zij ook weder op den kweldergrond 
neer , om het gras van de vlakte te plukken. Aldra ver- 
schrikt weder een schot de Ganzen , en de vangst van 
den jager is soms weder vermeerderd. Deze voor hen 
zoo verschrikkelijke afwisseling duurt des morgens tot het 
aanbreken van den dag of tot laat in den avond , als 
wanneer de met slijk bemorste jager zich , beladen met zijn 
buit en dikwijls zeer tevreden met de vangst , huiswaarts 
spoedt. 

Kort na het aanbreken van den dag is hunne vlugt weer 
noord of zuid naar het water gerigt, om hunnen dorst 
te lesschen ; dan komen zij soms op den kweldergrond 
terug, om te grazen; vervolgens zoeken zij nogmaals het 
vfater op, en zoo wisselt hun verblijf op den Dollard af. 

Het jagen op Ganzen moet zeker voor den hartstogte- 
lijken beminnaar eene hoogst genoegelijke uitspanning zijn , 
om verklaarbaar te maken, hoe hij het guurste herfst- en 
winterweer trotseert, om zoo geduldig, in het weeke slijk 
half weg beens weggezakt, de Ganzen af te wachten. 
Doch, het is bekend, er ligt in het algemeen in de jagt 
iets opwekkends, dat eenen krachtigen moed geeft, om 
gevaren - en vermoeijenissen te verachten. 

De Ganzejagt is echter niet alleen eene uitspanning, 
maar zij is tevens, zoo de jager zijn roer wel weet te 
besturen, nog al winstgevend, en het zal daaraan ook 



Digitized by Google 



250 



moeten worden toegeschreven, dat 7 jagers zich thans 
(1846) met de Ganzejagt onledig houden. 

Begint het streng te vriezen , dan is het kweldergras 
voor de Ganzen minder smakelijk, en zij zoeken de Wes- 
terwoldsche rogge-essen op. Vooral heeft de Onstwedder 
es 's winters veel van hen te lijden. Wel vertrouwt dan 
de Westerwoldsche landbouwer de bescherming zijner es- 
sen tegen die verwoesters toe aan spookachtige gedaan- 
ten, schouwen, die hij van stroo oprigt, maar de Ganzen 
zijn niet bijgeloovig en schrikken er niet voor. Is de 
vorst geëindigd, dan vindt men de Ganzen weer op den 
kweldergrond terug; maar als de maand Mei begint, 
vertrekken zij haastig, en men ziet ze voor den herfst 
niet weder. 

De vangst der Ganzen rekent men gemiddeld 's jaars 
voor ieder jager op 100 stuks , die geplukt tegen 40 a 50 
cent het stuk worden verkocht De veeren komen het 
Ned. pond op ƒ2.00, en die hoeveelheid leveren 8 
Ganzen op. 

Eenden zijn er het geheele jaar door op den Dollard ; 
zij komen met den voorvloed in de rieten en zwetten op 
en worden dan geschoten; met de eb zakken zij weer af. 
Zij leggen dikwijls hunne eijeren in de Suite , en hunne 
jongen worden daar uitgebroed. 

De j a g* °P Eendvogels is echter minder winstgevend , 
dan op Ganzen ; maai' toch worden er vele Eenden ge- 
schoten. De verkoopprijs is in den regel 30 cent , en als 
zij geplukt zijn, vinden zij voor 25 cent koopers. Die 
jagt moet echter wel zoo vermakelijk zijn, als op de 
Ganzen ; de jager kan toch , met zijn jagtroer op schou- 
der of omlaag, in eenzaamheid langs de rieten en zwet- 
ten zwerven en gezonder en frisscher huiswaarts keeren , 
dan bij de Ganzejagt, als wanneer soms zijne leden van 
de koude verstijfd zijn. 

Ook de Smientje* grazen op den kweldergrond; zij 
komen ongeveer op denzelfden tijd als de Ganzen. Sma- 
kelijker en vetter dan de Ganzen zijnde , vinden zij grage 
koopers. 

Zoo als wij vroeger reeds gezegd hebben, is het wa- 
ter, dat op den Dollard bij vloed opkomt en waarin 



Digitized by Google 



251 



de vogels en visschen hun voedsel zoeken, troebel en 
sterk met slib bezwangerd en door het neerslaan van 
deze slib , vooral bij Z. W. winden , hoogen de slijkgron- 
den door biets meest voorbijgaand op. Deze biets voeren 
de N. W. winden verder naar en in den aanwas, die 
er, hoe drooger hij ligt, des te meer blijvend door wordt 
opgehoogd; immers dan kan de biets, tijdens iedere 
eb , zoo veel opdroogen , dat zij zich laagswijze met den 
bodem verbindt Ook deze biets is min of meer een be- 
werktuigd voortbrengsel. De ijverige onderzoekingen van 
den Hoogleeraar hakting , die , op het voetspoor van eenon 
d'okbigny, kützing, pisscher en ehbenberg, ook dit 
onafzienbaar veld heeft bearbeid, hebben doen zien, dat 
de Dollardslib voor een gedeelte bestaat uit Foraminife- 
ren en Diatomeèn, tweederlei microscopische organismen, 
die werkelijk veel van elkander onderscheiden zijn. 

Zonder hier in vele bijzonderheden te treden , dat met 
ons onderwerp in strijd zou zijn , voeren wij alleen aan, 
dat de Foramini/eren wezentlijk schaaldiertjes zijn , waar- 
van men slechts de grootsten met het bloote oog kan 
waarnemen. Hunne grondvorm is in den regel bij het 
begin van hun aanwezen rond , omgeven van eene schaal 
van denzelfden vorm, die uit koolstofzuren kalk bestaat. 
Later is die schaal bij meest allen uit segmenten zamen- 
gesteld, die op zeer verschillende wijzen met elkander 
vereenigd zijn , en deze zijn opgevuld met een vliezig 
eenvoudig darmkanaal, dat evenveel holten bevat , als er 
segmenten in de schaal aanwezig zijn; en hoe eenvoudig 
hunne zamenstelling ook is, de wetenschap heeft er voor 
ons tijdperk reeds een lOOOtal soorten aangewezen. Hun- 
ne woonplaats is hoofdzakelijk de zee, alwaar men ze 
ten minste nog tot op eene diepte van 150 el aantreft. 
Zij zijn levendbarend en niet minder dan een honderdtal 
jongen hebben in eens het leven aan ééne moeder te 
danken. 

Opzigtelijk de Diatomeën, uitsluitend tot de microsco- 
pische bewerktuigde wezens behoorende , is der weten- 
schap nog geen licht genoeg opgegaan, om stellig te be- 
slissen , of zij tot de dieren of planten behooren. Zeker 
schijnt het, dat zij zich aan beider grens bevinden, en 
wie weet zelfs, of de zucht en behoefte der menschen, 



Digitized by Google 



252 



om scherpe grenslijnen te trekken, niet het gevolg is van 
een nog al te eenzijdig inzigt , strijdig met dien zachten 
en onmerkbaren overgang van de meer tot de minder volko- 
men bewerktuigde wezens, zoo als wij die naar onze zeer 
beperkte kennis gewoon zijn te noemen. De vorm dezer 
organismen , hoe eenvoudig ook , is toch zeer verschillend. 
Sommigen hebben de gedaante van eene schijf, anderen 
zijn volkomen prismatisch ; meest allen zijn sierlijk en 
zeer smaakvol geteekend door streepjes , stippels of cirkel- 
tjes; sommigen zijn effen en glad, anderen hebben kleine 
aanhangsels , eenigen zijn vrij , anderen als eene keten ver- 
bonden, sommigen zijn ingeplant aan de uiteinden van 
eenen gemeenschappelijken steel , die takvormig verdeeld is. 
De ligchamen van al deze organismen zijn, in tegenstel- 
ling met alle andere diersoorten, stijf en onbuigzaam en 
bestaan voor 90 pet. uit kiezelzuur. Het getal der soor- 
ten, die tot nog toe én levend én in fossilen toestand ge- 
vonden zijn, beloopt reeds 800, en dat getal zal een 
ijverig onderzoek ontwijfelbaar nog belangrijk vermeerde- 
ren. In tegenstelling met de Foraminiferen leven de Dia- 
tomeën zoowel in zoet- als in zoutwater; men vindt de- 
zelfde soorten op iedere breedte en mogelijk wel op ie- 
dere diepte, en verwonderlijk is dit bij organismen, die 
bijna geheel lijdelijk zijn ten opzigte van hunne plaatsver- 
andering, dat men hen zoo wel aan de oppervlakte van 
het water , als op de verbazende diepte van 1500 el aan- 
treft. Zij vermenigvuldigen door zelfdeeling, en dat wel 
zoo onbegrijpelijk snel, dat men volgens waarnemingen 
mag aannemen, dat eene enkele Diatomee in een etmaal 
zich tot een half millioen en in vier dagen tot 140 billioen 
kan vermenigvuldigen. 

Over den invloed, welken deze voor het bloote oog 
schier onzigtbare organismen op de vorming van de 
aardoppervlakte hebben, willen wij niet spreken. Bij 
al het aanlokkelijke hiervan gedoogt ons onderwerp 
niet, om die zijdwaartsche schrede te doen. Wij moeten 
ons vergenoegen met eene bloote opgave van de namen 
der organismen , die wij hiervoor eenigzins , alhoewel zeer 
onvolledig , hebben beschreven. 

In het geheel zijn er in de slib, genomen ter plaatse, 
waar de Maatschappij tot Inpoldering van den Dollard den 



Digitized by Google 



253 



polder Reiderwolde door dijken heeft willen insluiten, door 
den Hoogleeraar harting 19 soorten van microscopische 
organismen gevonden, waarvan de namen , onder welke 
men ze met de afbeeldingen in de werken van ehren- 
berg, d'orbigny en kützing nader beschreven kan vin- 
den, hier volgen. 

Foraminiferen . 

1. Nonionina germanica 

2. Rotalina pnnctulata 

3. „ laevis 

4. Rotalia globulosa 

5. Planulina turgida 

6. Textularia aciculata 

7. „ globulosa 

Diatomeën. 



8. Melosira sulcata kütz. 

9. Doryphora Amphiceros „ 

10. Coscinodiscii8 minor eür. 

11. „ Patina „ 

12. „ radiatus „ 

13. Actinocyclus senarius „ 

14. Tripodiscu8 Argus kütz. 

15. Triceratium Favus ehr. 

Kiezeloverblijfselen van Acalephen , Spongien enz. 

16. Spongolithis Fustis ehr. 



17. „ cenocephala 

18. „ uneinata 

19. „ Triceras 



Voornoemde door den Hoogleeraar harting onder- 
zochte Dollardslib bestond voor het / 10 gedeelte uit deze 
organismen, het overige gedeelte bevatte voor meer dan 
de helft kwartskorrels van l / 2 o tot % m. m. midddellijn , 



EHR. 
DORB. 

EHR. 



Digitized by Google 



254 



terwijl er ook rhomboëders van koolstofzure kalk in voor- 
kwamen (208). 

Klimt men van het kleinere tot het grootere op, dat 
men in dezen wel eenen natuurlijken gang kan noemen, 
omdat in den regel het kleinere in den grooten kring- 
loop der organische stof levend door het grootere wordt 
verslonden , dan moeten wij alsnu van eenige kleine die- 
ren spreken, die hoofdzakelijk in en op de slijkgronden 
worden aangetroffen. Het eerste diertje, van ongeveer 
5 — 7 Ned. duim lengte, is de zoogenaamde Bolworm 
(Nereis pelagica), behoorende onder de Ringdieren (An- 
nxdata). 

Dit diertje is bij laag water in het slijk verscholen. Het 
kruipt bij koude diep naar beneden; bij warm weder 
komt het even met den kop te voorschijn. Is het vloed 
geworden, dan verlaat het zijne schuilhoek, om zijn 
voedsel te zoeken, maar wordt dan ook, omgeven van 
talrijke vijanden , al ligt of door strandvogels of door 
aal of bot verslonden. Zelfs gelooft men dat de Spreeuw 
dat diertje altijd opzoekt. Bij laag water ziet men op 
den slijkgrond dikwijls op duizende plaatsen talloos vele 
kleine luchtbellen , die elkander schijnen te vervolgen , te 
voorschijn komen en dadelijk aan de oppervlakte bersten. 
Die luchtbellen verraden den Botworm , die daar bene- 
den in den slijkgrond zich schuil houdt. Als het winter 
wordt, kan ook de vloed dat diertje niet meer verleiden, 
om in de biets te komen, maar, teruggetrokken in den 
slijkgrond , wacht het daar geduldig de voorjaarswarmte af. 

Behalve de Garnaal, waarover wij straks meer uitvoe- 
rig zullen spreken , vindt men de aldaar zoogenoemde 
Konings, Stommels en andere soorten van Schaaldieren 
(Crustacea) in of aan den Dollard. 

Do Koning of Garnaalkoning , die veel overeenkomst met 
de Garnaal heeft, is de Steurkrabbe , door baster be- 
schreven en afgebeeld in zijne Natuurk. Uüspann. D. H, 
bl. 48, en anders genoemd Palaemon Sguilla lam. Dit 



(208) Dc Hooglecraar habtinq is zoo vriendelijk geweest ons deze 
laatste bijzonderheden op te geven , terwijl wij de overige omtrent dit 
onderwerp hebben genomen uit zyn belangrijk werkje : De magt van het 
kleine , Utr. 1849, bl. 205 en r. 



Digitized by Google 



255 



diertje leeft in de zwetten van den aanwas , en nog wel 
hoofdzakelijk in de buiten bermsloot. In de nieuwste 
Dollardpolders komt het vooral in de binnen bermsloot 
en in de wateringen voor. Buiten op den Dollard van- 
gen de visschers er nu en dan eene enkele in de gar- 
naalkuilen. 

De Stommel, die men te Termunterzijl Snets noemt, 
heeft wel eenige overeenkomst met, maar verschilt toch 
iets van het diertje , dat door basteb ter zelfder plaatse 
beschreven en afgebeeld is onder den naam van het 
Springertje of de Zeevloo , en hetwelk genoemd wordt 
Orchestia littorea lbach , bij J. van deb hokven , Handt, 
der Dierkunde , 2de uitg. Amst. 1849, I, bl. 760. Men 
vindt het insgelijks in de buiten bermsloot in de zwetten, 
maar ook op den slijkgrond. Als 't koud is, kruipt het 
in de biets. Binnnendijks wordt het mede in de nieuwste 
polders aangetroffen. Dat vraatzuchtige diertje maakt 
vooral in de maanden September en October de aalvisch- 
scherij te en bij Termunterzijl en in den zoogenaamden 
grooten polder onmogelijk, daar het de fuiken soms in een 
nacht in stukken knabbelt. 

Een ander klein diertje, dat in eene ontzettende hoe- 
veelheid in de biets voorkomt, maar dat op de zandpla- 
ten niet gevonden wordt, is de Botweide of Gnut en 
waarschijnlijk de Talitrus saltator edw. , of Cancer locuèta 
linn. , bij van deb hoeven, t. a. pl. Ook dit diertje 
wordt met veel graagte door de bot gezocht en zeker 
ook door andere visschen en door de strandvogels ver- 
slonden. 

Voorts vindt men op de slijkgronden , en in de rie- 
ten de beide soorten van Krabben, de Zwem- en Slijk- 
krabbe (Cancer pagurus en C. moenas linn. , de laatste nu 
Portunu8 moenas fabb). 

Op de Reiderplaat ontmoet men nog enkele schel- 
pen van eenige Weekdieren (Moüusca), en wel van Kok- 
hanen (Cardium edule), Mossels (Mytüus edulis), Slijk- of 
Gapermosscls (Mya arenaria) en Strandschelpen (Maetra 
solida), zoo als zij bij basteb en anderen genoemd wor- 
den. Tn de strandschelpen komen de diertjes nog levende 
voor, en deze zijn dikwijls nog verder naar binnen op 
den slijkgrond te vinden. 



Digitized by Google 



25G 



De Garnaal (Crangon vulgaris fabr.) wordt in eene 
groote hoeveelheid in het water, tijdens vloed, op den 
Dollard gevonden. Zij komt met tij op en de eb neemt 
haar weder mede. De zwaarste Garnaal wordt gevonden 
in het water, dat er kort voor het eindigen van den vloed 
wordt opgevoerd. Zij vertrekt met het begin der eb , en 
in het eerste vloedwater en in het laatste ebwater worden 
niet anders dan kleine Garnalen gevangen. Zij leeft zeker 
van die microscopische schepsels, die wij hiervoor onder 
den naam van Foramini/eren en Diatomeën hebben beschre- 
ven; althans leeuwenhoek zegt en baster bevestigt 
het (209), dat de maag van een Garnaal, in September 
ontledigd, verscheidene soorten van horentjes en schelpjes 
ter grootte van zaadkorreltjes inhield. In vorige jaren , die 
nog in het geheugen van velen liggen, behoorde de Gar- 
naal meer dan thans in den Dollard te huis. Zij schaarde 
toen in de rieten en gaten, maar sedert heeft zij, mogelijk 
door het langzaam verhoogen der slijkgronden en van de 
beddingen der waterloopen , voor de vermenigvuldiging van 
haar geslacht andere streken opgezocht, althans er wordt 
weinig Garnaal meer met eijeren aan hare pooten ge- 
vangen. Deze vooronderstelling heeft veel voor zich , 
wat haar aannemelijk maakt. Ook nu nog vangt men de 
dikste Garnaal het verst naar buiten, waar het water het 
diepst is. De Garnaal wordt zoowel bij eb als bij vloed 
gevangen; over het algemeen houdt men de Vloedgarnaal 
voor beter dan de Ebgarnaal, omdat zij steviger is en 
rooder kleur aanneemt, als zij gekookt wordt; maar de 
Ebgarnaal is dikker en men vangt er meer dan bij vloed. 
Baster zegt integendeel (t. a. pl.) , dat de Garnaalvan- 
gers in Holland verzekeren, dat de Garnaal met eb ge- 
schept veel rooder bij het kooken wordt, dan die bij 
vloed wordt opgehaald. Als onze onderzoekingen ons in 
dezen tot eene juiste uitkomst hebben gebragt, kun- 
nen beide onderstellingen wel volkomen waar zijn, hoe 
scherp zij ook tegen elkander overstaan. Ons dunkt, dat 
Garnaal , op den Dollard bij vloed gevangen , daarom be- 



(209) Zie leeuwenhoek, in het Zevende Vervolg van brieven, bl. 
195, fig. 6, 7, en bastbr , Naluurk. Uitspann. D. II, bl. 32. 



Digitized by Google 



257 



ter en rooder van kleur dan bij eb is , omdat de visscher , 
bij opkomend water visschende , na de vangst door den 
navloed geholpen, veel schielijker den dijk bereikt, en de 
Garnaal dus spoediger en meer levend gekookt wordt, 
dan wanneer de visscher, bij afebbend water zijne netten 
uitwerpende in de rieten en gaten, nog altijd tegenstroom 
moet opwerken, om den dijk te bereiken, of eerst nog 
zijne hargen en dubbelzeüen bezoekt , om de gevangene 
bot tevens mede te nemen. Zij wordt dan , bij vloed ge- 
vangen, meer springlevend gekookt, dan bij eb, en het 
is bekend , dat hoe beter levend de Garnaal in het kokend 
water komt, hoe rooder kleur zij aanneemt. Het kan nu 
wel waar zijn , dat de visschers , waarvan b aster gewag 
maakt , eerder bij eb , dan bij vloed visschende , de 
Garnaal kookten en dat zij daarom de Ebgarnaal voor 
beter hielden. Maar de Garnaal is , even als alle andere 
visch , bij vloed meer boven in het water dan bij eb ; zij 
komt dus over de geheele vlakte der slijkgronden op. Bij 
eb is zij liefst onder in het water , dus in de diepte , en 
van daar , dat zij dan meer de rieten en gaten afgaat , en 
men moet het hieraan toeschrijven, dat men bij eb dik- 
ker en meer Garnaal vangt dan bij vloed. 

Des zomers als het heet is , sterft de Garnaal spoedig , 
en dood gekookt is zij minder stevig, niet vol en moge- 
lijk ongezond. Als zij sterft , ontvloeit haar een helder 
kleurloos vocht en het is hierdoor, dat zij niet gevuld 
blijft en bij kooking week en onzamenhangend wordt. 
Van daar dat men algemeen in den zomer eenen noor- 
delijken wind voor de Garnaalvangst verkieselijk houdt, 
omdat deze wind de hitte matigt. In het voor- en najaar is 
een zuidelijke wind beter, omdat deze warmte aanbrengt 
en de Garnaal bij koude schaarscher met het vloedwater op 
de Dollardslijkgronden komt, dan bij eene middelmatige 
warmte. In het algemeen is de Garnaal des najaars beter 
dan in eenig ander jaargetijde. Men vangt bij den dag 
zoo wel als bij nacht op den Dollard Garnaal. De laatste 
is vooral 's zomers beter dan de eerste, omdat zij zoo 
spoedig niet sterft , dat bij Daggarnaal door de hitte veel 
schielijker het geval is. Van daar dat de Nachtgarnaal 
rooder kleur heeft en steviger is. Ook wordt de Gar- 
naal rooder, als men het zout bij het koken niet spaart, 

17 



Digitized by Google 



258 



en het vuur zoo gestookt wordt, dat het water fel 
kookt 

Tot de vangst van Garnaal , die ongeveer in Mei be- 
gint en in de helft van October ophoudt , daar in het koude 
jaargetijde de Garnaal evenmin den slijkgrond als de rie- 
ten bezoekt, bedient men zich op ons grondgebied van 
vleugelnetten , met eene zeer groote kuil, terwijl er voor 
het terugloopen der Garnaal en andere visch , die reeds in 
de kuil aanwezig mogt zijn , eene keel in voorhanden is (210). 
Uitsluitend wordt thans de Garnaal in den Overloop, in 
het Dicars- en Uikergat gevangen. In die gaten worden 
des voorjaars overdwars eenige sterke en lange palen in- 
geslagen en 's najaars worden zij weder weggenomen. 
Deze palen geeft men dien afstand van elkander , die 
voor de bespanning van het net noodig is, en aan elk 
tweetal dezer palen , die het digtst bij elkander zijn , wordt 
of bij vloed of bij eb een vleugel van het net bevestigd, 
en als het visschen voor den tijd van dien vloed of die 
eb ophoudt, worden de netten weder weggenomen. Op 
deze wijze kunnen in het dwars over eenig gat verschei- 
dene netten worden geplaatst. De opening tusschen de 
middelste palen, alwaar de meeste diepte is en waar langs 
de stroomdraad loopt , is voor de Garnaalvangst de beste , 
en van daar dat altijd des voorjaars tusschen de visschers bij 
loting beslist wordt , waar ieder zijne Garnaalkuilen mag 
plaatsen; aan deze loting onderwerpen de visschers zich 
getrouw , en wij gelooven niet , dat er voorbeelden be- 
kend zijn, dat hieruit onderling onaangenaamheden zijn 
voortgevloeid. 

Tijdens het visschen naar Garnaal, is de visscher in 
zijne boot bij de netten tegenwoordig. Als hij het noo- 
dig oordeelt , opent hij de kuil van achteren en stort de 
Garnaal er uit in een korf in zijn schipje (211). Heeft 



(210) Voor ccn garnaalnct bezigt men 12 Ncd. ponden garen tan 
f 1.40 hot pond , en de visscher heeft wel een maand tijd noodig , 
om dat net te strikken , dat gewoonlijk in den winter verrigt wordt 

(211) Het Koninklijk beslnit van den 7 Jannarij 1842, Staatsblad , 
No. 2 , bepaalt , dat de Garnaalvisschery 8 dagen moet ophouden , zoo- 
dra in de netten het ! / 8 gedeelte der vangst nit kleine visschen bestaat. 



Digitized by Google 



259 



hij genoeg, dan neemt hij zijne netten te zarnen en hij 
verlaat den Dollard. Later zift hij de Garnaal uit; de 
kleinsten dienen voor de vermeerdering van den mest- 
hoop , die daardoor van goede hoedanigheid wordt ; 
de overigen worden gekookt en ten dien einde in ko- 
kend water , waarin zout is opgelost , geworpen , en 
hoe zouter het water is , des te rooder kleur neemt 
de Garnaal aan. Niet ieder keer dat hij Garnaal kookt, 
neemt hij daarvoor op nieuw schoon water ; niet zelden 
kookt hij tien- of meermalen in datzelfde drabbige vuile 
water op nieuws Garnaal, en alsof dit nog niet genoeg 
ware , laat hij nog dikwijls dat vuile water bezinken , 
om er later het heldere aftenemen en dit met ander 
water en zout vermengd nog eens te gebruiken. Dit be- 
spaart hem zout , en hij heeft alzoo minder uitgaven. 
Echter is het geene schraapzucht, die hem tot die han- 
delwijze aandrijft; de behoefte noodzaakt, althans verleidt 
hem daartoe , want de visschery op den Dollard wordt 
ieder jaar minder winstgevend, zoodat thans de visscher 
bij al zijn zwoegen en sloven slechts een sober bestaan 
heeft. 

In de Garnaalkuilen vangt men nog Ansjovis (Engran- 
lis encrasicholus) , Spierling (Osmerus eperlanus) , Giepen of 
Geepen {Esox Beloné), Knorhaan (Trigla Hirundo), Sprot 
(Engraulis sprotta) enz. Behalve deze nader te vermelden 
vischsoorten , komt er nog al dikwijls in voor de Naald, het 
Naaldvischje bij slabber , of de Syngnathus acus LAM. CUV. 
bij van der hoeven (212). In den regel zijn deze vischjes 
niet langer dan 2 a 3 Ned. duim, doch enkele worden 
er toch van 3 palm lengte gevangen. Ook treft men 
wel eens Barnsteen in die kuilen , die vroeger veel bij 
eb op de kanten der rieten en gaten gevonden werd. 
In het algemeen zijn deze stukken niet groot; soms 
hebben zij evenwel eenen tamelijken omvang en eens 



(212) Slabber, Natuurk. Verlust 1ste Stukje, pL 6. Van der hor- 
ten , die anders gewoon is de door babter en slabber beschreven dieren 
aan te halen , wijst hier niet daarnaar , maar het zal toch wel hetzelfde 
diertje zijn. 



Digitized by Google 



200 



zelfs heeft men , naar ons is verzekerd , een stuk gevon- 
den van ongeveer 5.24 once gewigt. 

De Ansjovis komt van half Mei tot aan de helft van 
Julij op den Dollard, als de wind Z. W. en het weder 
zacht is; in Junij is zij best. Haring (Clupea haringus), 
treft men in April aan, als de wind fel uit het Z. W. 
waait. Spierling in het voorjaar , in den herfst en , als het 
weer zacht is, zelfs in den winter; zij is de laatste 
visch die er gevangen wordt 

Giepen vindt men op den Dollard , als de Ansjovisvangst 
op het best is. Knorhaan vangt men nog enkel , alhoe- 
wel niet veel, in Novembermaand. 

De Ansjovis en Haring, die vroeger zoo talrijk op den 
Dollard gevonden werden, vooral in het Dwarsgat , daar 
zij in de kleinere en minder diepe rieten en gaten niet 
opkwam , worden thans slechts zelden en dan nog schaars 
gevangen. Het schijnt dat de slijkgronden voor die vis- 
schen te veel ophoogen. Thans komen zij in groote 
hoeveelheid in de Eems om den hoek van Reide voor, 
alwaar ze door Oostfriesche visschers, vooral van Ditzum, 
zeer talrijk worden gevangen. Jammer is het , dat ook onze 
visschers zich met hunne kleine zwakke scheepjes niet op 
de diepte kunnen wagen; daar zou een bron van be- 
staan door hen gevonden kunnen worden, die voor hen 
op den Dollard niet meer aanwezig is; maar alhoewel 
zij hiervan zeer goed bewust zijn, zijn zij te onbemid- 
deld , om zich een behoorlijk schuitje , dat met zijn toe- 
behooren mogelijk 500 gulden zou moeten kosten , aan- 
teschaffen. 

Het komt ons niet nutteloos voor, dat wij beschrijven, 
wanneer en hoe de Ansjovis hier werd gevangen en ge- 
zouten , opdat het blijke , dat onze Dollardvisschers de eer- 
sten in ons land zijn geweest, die de Ansjovis visscherij heb- 
ben uitgeoefend, en dat hunne manier, om die vischsoort 
in te zouten, nog niet door de Hollandsche visschers 
wordt overtroffen. 

Wanneer men op den Dollard met het visschen naar 
Ansjovis is begonnen, is niet bekend, maar zeker is het, 
dat de Dollard vroeger veel Ansjovis opleverde. Door 
de ophooging der slijkgronden en van de beddingen der 
rieten en gaten, is de vangst echter in de laatste 25 of 



Digitized by Google 



261 



30 jaren onbeduidend geweest en tegenwoordig heeft zij , 
ongelukkig genoeg, geheel opgehouden. Het mag zonder- 
ling genoemd worden, dat eerst voor 25 of 30 jaar juist 
toen de Ansjovisvisscherij op den Dollard afnam, de- 
zelve op de Zuiderzee door jan hopman en jan HARTOG 
van Spakenburg is begonnen (213J, en het is zeer mo- 
gelijk , dat men toen daar van onze Dollard visschery kennis 
heeft gedragen. Men ving vroeger op den Dollard in de 
groote rieten en gaten , en vooral later in het Dwarsgat , op 
de hiervoor genoemden tijd de Ansjovis bij eb zoo wel als 
bij vloed in de garnaalkuilen , die ten dien einde tusschen de 
garnaalpalen werden uitgezet ; maar bij eb kon men altijd op 
de ruimste vangst rekenen. Dadelijk na de vangst, hetzij 
te huis of reeds op den Dollard, werd de Ansjovis ge- 
kopt, zoo als dat genoemd werd, met andere woorden, 
de kop werd er af-, en de ingewanden er uitgenomen. 
Zonder gewasschen te worden, werd zij nu in het zout 
gezet, en daar bleef zij een etmaal in zitten. Dan werd 
zij uit het zout genomen en , zonder er water op te doen , 
werd zij in horven of bennen overgedaan , om de pekel te 
doen uitlekken. Daarna werd zij weder ingezouten , en 
nu liet men haar van 3 tot 5 dagen onaangeroerd. Na 
dien tijd werd zij er weder uitgenomen , en men bragt 
haar nogmaals in korven over , om , zonder er water bij te 
doen of zonder ze aftespoelen of aftewasschen , ze te laten 
uitlekken. Eindelijk werd zij weder in vierde botervaten 
van 45 of 46 kop inhoud ingezouten, en soms strooide 
men wat peper tusschen de lagen. Deze visch bleef, zoo 
ingezouten , 4 of 5 jaar frisch en smakelijk. Een zoodanig 
vat nam van 4000 tot 4500 stuk Ansjovis op ; voor de 
eerste maal zouten was men 6 Ned. pond zout van noo- 
den en voor de» tweede en derde keer zamen even zoo 
veel. Deze vaten werden naar Groningen , Leeuwarden , 
Amsterdam , Oostfriesland , Bremen en Hamburg gezon- 
den , en de visch vond overal gereeden aftrek. Het heugt 
nog oude Dollardvisschers , dat ieder visscher in den tijd 
van de vangst op 1 »/ 2 of 2 vierde vat Ansjovis daags kon 



(213) Zie in 't Nederlandsch Magazijn , 1851, p. 290, het stukje go- 
titeld : de Ansjovisvisscherij op de Zuiderzee. 



Digitized by Google 



262 



rekenen, en gemiddeld mogt men toen wel aannemen, dat 
ieder visscher in den visehtijd 30 vierde vaten Ansjovis 
verkocht. Voor het gebruik in de omstreken van den 
Dollard zoutte men ook de Ansjovis wel bij het hon- 
derdtal in steenen potjes in; de manier van koppen en 
zouten bleef daarbij hetzelfde. 

De Spierling bemint insgelijks de diepte. In den herfst 
plaatst daarom de visscher dikwijls palen in het Schan- 
scher diep , waarin anders niet gevischt wordt , om er de 
Garnaalkuil aan te bevestigen en om daarmede op Spier- 
ling te visschen. Telken keere als hij daar zijne netten 
uitzet, moet hij de palen zetten en, als hij vertrekt, is 
hij verpligt ze weder medetenemen, daar de scheepvaart 
niet gedoogt , dat door palen het vaarwater onveilig wordt 
gemaakt. 

Is de gewone Haring thans vreemd aan de Dollard- 
slijkgronden gewórden ; met den KuiÜiaring is het bijna 
eveneens gelegen, men ziet hem slechts zelden. Tot het 
vangen van dezen visch, dien ook de Garnaalkuilen op- 
nemen , wordt dikwijls een bijzonder soort van net gebe- 
zigd , dat zeer zorgvuldig gestrikt moet worden. De masken 
of mazen zijn enkel en juist zoo groot , dat zij den Kuit- 
haring achter de borstvinnen kunnen omspannen. Zoo de 
Haring in die tusschen de garnaalpalen uitgespande netten 
schiet, verhindert de kuit hem het verder voorwaarts 
dringen, terwijl de borstvinnen hem het teruggaan belet- 
ten. Haring zonder kuit kan daarom in deze netton niet 
worden gevangen. 

De Garnaalvangst is het hoofdbestaan van den visscher, 
maar alleen zou hij er nog niet van kunnen leven. Daarom 
legt hij zich tevens op de vangst van Bot (Platessa Jl&us) 
toe , welke visch er nog veel , maar toch veel minder dan 
vroeger op den Dollard gevangen wordt. De zwaarste 
Bot vindt men bij lang droog weder op het oostelijkst 
gedeelte van den Dollard; daar komt zij wel eens van 
1.5 Ned. pond gewigt voor; westaan is zij kleiner, maar 
meer talrijk; doch zoo de zijlen, ten gevolge van veel 
regen, veel binnenwater afvoeren, verlaat de dikste Bot 
de oostzijde en begeeft zich westwaarts, alwaar zij dan 
gevangen wordt. Ook de winden hebben invloed op de 
plaats , alwaar de Bot zich ophoudt ; want is de wind oos- 



Digitized by Google 



263 



telijk , dan is die visch meer aan de west- dan aan de 
oostzijde van de onde Beertster moe; bij noordelijken wind 
houdt hij zich meest tusschen die moe en het Schanscher 
diep op, terwijl bij een N. W. en W. wind dat gedeelte 
des Dollards, dat onder Oostfriesland is gelegen, rijk aan 
Bot is. Daar blijkt derhalve uit, dat de Bot bij voorkeur 
die rigting verkiest, welke de wind neemt, en alwaar dus 
het water hooger dan elders wordt opgevoerd. Over het 
algemeen is er bij W. en Z. W. winden betrekkelijk 
veel visch in het water , bij N. W. wind , als het niet 
koud is , minder , maar bij O. en Z. O. wind voert de 
vloed het minste visch van allen aan. 

Voor de Botvangst zijn zeer heete zonnige dagen niet 
voordeelig; de Bot houdt dan liever de diepte, alwaar het 
koeler is , dan op de Dollardgronden , die te lang door de 
zon worden beschenen. Vandaar dat de hondsdagen voor 
de botvangst van weinig beteekenis zijn ; zware Bot wordt 
dan zelden aangetroffen. Het is hieruit wel op temaken, 
dat N. winden in den zomer voor den botvisscher zeer 
wenschelijk zijn, omdat deze de hitte matigen. Een 
gevolg daarvan is, dat er bij het zomerweer door den 
morgenvloed meer Bot op den Dollard wordt gebragt, 
dan bij den vloed die 's avonds opkomt , omdat 's mor- 
gens de slijkgronden veel koeler zijn dan 's avonds. Men 
moet het ook hieraan toeschrijven , dat bij matige hitte 
de Bot meer op de zandplaten dan op de slijkgronden 
is. De eersten zijn lager dan de laatsten ; er komt meer 
water bij vloed op en het is daardoor koeler dan op de 
slijkgronden. 

Veel koude in het voor- en najaar is evenmin wensche- 
lijk. Bij gunstige en warme voorjaars heeft men vóór de 
maand April zelf reeds Bot, maar is het koud en guur 
weer, dan komt zij later. Des najaars wordt er in het 
laatst van November zelfs nog Bot gevangen, als het we- 
der zacht en niet koud is ; maar gewoonlijk is in het 
laatst van October de vangst afgeloopen. Zoodra het be- 
^nt te vriezen , wacht de Bot zich wel om met het water 
op te komen. Men moet het hieraan toeschrijven , dat bij 
deze visschen in het voor- en najaar een Z. W. wind 
altijd welkom is; want die wind matigt de koude en zij 
lokt de Bot op den slijkgrond. In die beide jaargetijden 



Digitized by Google 



264 



is in den regel , vooral zoo het eenigzins zonnig is , de 
avondvloed milder in de aanbrengst van Bot , dan de 
vloed die 's morgens opkomt; bet water toeb is 's avonds 
minder koud , dan 's morgens , en de Bot , die zeer gevoe- 
lig is, doet nu liever den togt slijkopwaarts des avonds, 
dan zoo vroeg in den kouden morgen. 

Het is ook bierdoor verklaarbaar, waarom voorjaars en 
's herfst de Bot meer op de hooge slijkgronden komt , dan 
midden in den zomer, als de zon zoo heet schijnt Het 
is dan op de slijkgronden , die hooger zijn en waarop de 
vloed minder water brengt dan op de lagere platen , war- 
mer dan op de laatsten. 

Zelfs dunt een strenge winter zoodanig den viscb op de 
graten , dat de Bot in Mei nog schraal is ; maar is de 
winter zonder vorst voorbij gegaan , dan ziet men wel , dat 
de koude haar heeft doen lijden , maar zij ziet er dragelijk 
uit en heeft zich spoedig hersteld. Ook houdt men het 
er voor, dat de Bot den storm vreest en, zoodra deze 
woedt, de kusten meer nadert; men wil opgemerkt heb- 
ben, dat na stormachtige voorjaars de Botvangst uiter- 
mate gelukkig is geweest; wij weten echter niet, of men 
aan die veronderstelling wel veel waarde mag hechten. 
Het is aan de kleur der Bot te onderkennen, of zij 
reeds dikwijls op de Dollardslijkgronden de dagelijksche 
zeer eentoonige reis heen en terug heeft afgelegd of niet. 
Heeft zij eene vuile gele kleur, die overal dezelfde sterkte 
bezit, dan is zij eene vreemdeling , die zoo pas met de 
slijkgronden kennis maakt. Vertoeft zij eenigen tijd, dan 
wordt haar kleur donkerder, zij wordt beschilderd met 
groote bruine vlekken, die langzamerhand zwart worden 
en die aan de randen zijn uitgewasschen. En in die 
zelfde mate , dat de vlekken eenen zwarteren tint aanne- 
men, wordt zij vetter en heeft zij dikker visch. De 
kenner geeft altijd aan die Bot de voorkeur boven an- 
deren. 

Als het zoo laat in de herfst is , dat de Bot zich van 
hare dagelijksche reizen naar den Dollard terug houdt, 
komen er andere visschen voor dezen in plaats , die 'de 
koude minder vreezen , maar die de warmte niet kunnen 
verdragen. Dan laten de Schar en de kleine Schol (FUu- 
ronectes Limanda en P. Hatessa) zich vangen, en vergoe- 



Digitized by Google 



265 



den voor den visscher eenigzins het gemis van Bot. Maar 
zoodra de koude zoo veel toeneemt, dat er ijs op het 
water komt, ziet men ook die visschen op den Dollard 
niet meer. 

Door dat de Bot vooral van den Botworm en de Bot- 
weide leeft , die op en in de slijkgronden in zulk eene 
ontelbare hoeveelheid voorkomen, zoo is het wel te be- 
grijpen, dat zij zich niet alleen in de rieten en gaten, 
maar het liefst op de slijkgronden zelve ophoudt, al- 
waar zij dan ook wordt gevangen. 

Komt echter de Bot, de Schar en kleine Schol met 
het vloedwater op, dan is zij, even als de andere visch, 
meer boven in het water, dan bij ebbe, als wanneer zij 
zich, kort aan den slijkgrond houdende, door den eb- 
stroom naar de Eems laat medevoeren. 

Het is daarom dat de Bot bij afebbend water gevangen 
wordt, door middel van zoogenaamde hargen en dubbelzet- 
ten. Het is wel niet noodig, dat wij deze vischtuigen be- 
schrijven; maar aangenaam is het toch zeker te weten , op 
welke wijze de visscher do Bot vermeestert, en daarom 
willen wij in korte trekken die vischtuigen doen kennen. 

Een harge heeft de gedaante eener V en is uit dunne 
rijsjes gemaakt, die regt op staan en ongeveer 6 palm 
lengte hebben , terwijl de enkele rijsjes bijna 2 Ned. duim 
van elkander zijn verwijderd. Deze enkele rijsjes worden 
dikwijls door dunne weenen (waterwilgen) boven en onder 
verbonden en in het midden door een strooband veree- 
nigd. Zulk vlegtwerk wordt 8 schreden lang gemaakt en 
heet schutting, en van 10 tot 15 zulke schuttingen zijn er 
noodig , om eene harge zamen te stellen (214). Deze 
schuttingen worden regt opgezet en aan in den grond ge- 
stokene palen , die ongeveer 2 schreden van elkander staan , 
vastgebonden, en dit rijswerk, gezet in den boven opge- 
geven vorm V, heet een harge. 

Vooral heeft de visscher te zorgen, dat de hargen zoo 
worden geplaatst, dat de opening van voren naar den eb- 
stroom is gerigt, opdat de Bot, die met dien stroom af- 
zakt en tusschen de vleugels der harge komt, zich in het 



(214) Het rijs voor dc 100 schuttingen wordt met 5 gulden betaald. 



Digitized by Google 



266 



punt van zamenkomst der schuttingen vereenigt, alwaar 
twee fuiken, die men poortjefuiken noemt, aanwezig zijn, 
waarin de Bot een uitweg uit de harge zoekt , maar al- 
waar hij den dood te gemoet ijlt. Is de eene vleugel van 
een zoodanig vischtuig aan de afhelling van een riet of 
gat, dan zakt de Bot dikwijls om dien vleugel naar dat 
riet of gat af, maar ook de visscher verschalkt hem door 
eene fuik aan dat vleugeleinde der harge geplaatst , die 
men terugfuik noemt. 

Een dubbelzet heeft de gedaante eener W; zijne vleu- 
gels zijn verder uitgespreid , dan die eener harge, en het 
rijswerk , waarvan hij gemaakt wordt , heeft dikwijls eene 
lengte van 40 schuttingen, de schutting van 8 schreden. 
Ook hier zijn de vleugels naar den ebstroom gerigt , ech- 
ter heeft hij altijd 4 poortjefuiken en dikwijls eene terugfuik. 

Moeijelijk is het te bepalen, met hoe vele botfuiken er 
op ons grondgebied in den Dollard gevischt wordt, omdat 
hierin soms veranderingen voorvallen; echter zal het niet 
ver van de waarheid afwijken , als men derzelver aantal , 
gemiddeld op 120 begroot (215). 

Niet alleen vangt men in deze fuiken visch, ook tegen 
de schuttingen blijven soms zwaardere visschen liggen , 
zoo als de Steur (Accipenser sturio) , Zalm (Salmo salar) en 
Elft (Clupea alosa). 

Steur komt het meest met oostelijken wind op. De 
zeer kleinen worden nog al nu en dan gevangen, vooral 
in de garnaalkuilen , maar de zware Steuren, die soms 
van 100 van 250 Ned. ponden gewigt hebben , blijven 
dikwijls bij het afebben te lang achter en worden dan te- 
gen de schutting of op den slijkgrond gevonden. 

Zalm en Elft vangt men nu en dan voor de schuttin- 
gen; de eerste heeft dikwijls een gewigt van 5 tot 8 Ned. 
pond , de laatste van 1 tot 3 Ned. pond. Deze beide vis- 
schen gaan traag met het ebwater af. 

Ook in de noordelijke streken onzer provincie vangt men 
den visch met dergelijke zetten, die toch nog van andere 
zelfstandigheden worden zamengesteld , en tevens eenen 



(215) Op dc hierbij bchoorendc kaart, waarop het getal hargen, in 
1846 op iedere plaat aanwezig, is opgegeven, is een dubbelzet gelijkge- 
steld met twee hargen. 



Digitized by Google 



267 



anderen vorm hebben. Men gebruikt daartoe halmen 
van het gewone riet (Phragmites communis) van 0.85 tot 
1.14 el lengte , die zoodanig op het strand en 2.5 duim 
van elkander worden gezet, dat de visch , en wel voor- 
namelijk de Bot, die met de vloed op is gekomen, bij eb 
in netten , die tusschen deze halmen zijn uitgezet, wor- 
den gevangen. 

Dr. westerhoff heeft de hierbij gaande teekening 
van een zoodanig zet gegeven (216). 

bede 

/. V 

... V 

De zijde af is naar het strand gekeerd , be naar het 
wad, voor de opening cd worden de netten geplaatst, en 
hierin worden de visschen gevangen, die tusschen het 
digt bij elkaar geplaatste riet niet kunnen ontsnappen. 

De Bot heeft tot nadeel der visschers vele vijanden, die 
haar zelfs , als zij in fuiken is opgesloten , opzoeken en 
gretig verslinden. In de eerste plaats zijn die vijanden de 
voornoemde Krabben, die, schoon niet of slechts zelden tot 
voedsel wordende gebruikt, in de botfuiken worden ge- 
vangen. Als zij alzoo met de Bot zijn opgesloten, vallen 
zij dien weerloozen visch aan , en ontnemen hem , zoo de 
tijd van hunnen gemeenschappelijken dood niet te vroeg 
opdaagt, al knagende al zijne vinnen. Vandaar dat de 
Krab bij den visscher geene genade vindt; als hij gevan- 
gen wordt, wordt hij gedood en weggeworpen. 
• Ook de Bruinvisch (Phocaena communis) rigt soms ver- 
nieling in het vischtuig aan. Soms werpt hij de schuttings 
omver en poogt hij de Bot uit de fuiken weg te kapen , 
dat hem echter zelden gelukt. Enkel blijft de Bruinvisch 
bij eb op het slijk achter; als de visscher hem ziet, ver- 
stikt hij hem door de opening boven in zijn kop , waar- 
door hij adem haalt , met den duim of op eenige andere 



(216) Westerhoff, Commenlatio Botanica in Ann. Acad. Gron.lSiO — 
1821. II. B. van dek trappen , Herbarium Vivum , D. I, p. 221. 



Digitized by Google 



268 



wijze te sluiten. Van dien visch maakt hij traan, die hel- 
der is , maar die eenen walgelijken reuk heeft. 

De vijand echter, dien de visscher voor zijn vischtuig het 
meest vreest, is de Zeehond (Phoca groenlandica). Als hij 
zijne jongen groot heeft in Augustusmaand of later, komt hij, 
liefst bij betrokken lucht en onstuimig weder, den Dol- 
lard bezoeken, echter veel minder talrijk dan in voorgaan- 
de jaren , en weet de hargen en dubbelzetten zeer goed 
te vinden. Ziet hij Bot in de fuiken, dan steekt hij zijn 
kop van voren in dat net , om de keel te vergrooten , en 
niet zelden rukt hij den stok , die in het slijk is gestoken 
om het achtereinde der fuik vast te houden, uit den 
grond en hij verscheurt dat achtereinde, om de Bot 
meester te worden, dat hem zelden mislukt Wel bedekt 
dan dikwijls de visscher zijne fuiken van boven met ge- 
vlochten rijswerk , doch algemeen gelooft men toch , dat 
dit eene nuttelooze voorzorg is , die den Zeebond niet af- 
schrikt , noch hem in zijne pogingen stuit. Bij zijne 
stoutheid is hij waakzaam en voorzigtig, en bij al den 
haat, dien de visscher hem toedraagt, gelukt het dien zel- 
den om hem te vangen. 

Ook de Aal (Muraena anguüla) vangt men in hargen, 
die naar het ebwater zijn gezet, maar zij zijn veel kleiner 
dan de bothargen , en bestaan uit twee schuttingen , ieder 
van 6 schreden lengte. De enkele rijsjes zijn echter veel 
digter bij elkander gevoegd, dan bij de botharge, dat wel 
noodig is, omdat de Aal door eene kleine opening zoo 
gemakkelijk kan ontsnappen. Men plaatst ze dikwijls aan 
den afhellenden kant der rieten en gaten , liefst even be- 
neden de plaats, waar deze eene bogt vormen, en dan 
aan den oever, waarop de ebstroom invalt. Op het punt, 
alwaar de schuttingen te zamen komen, is een aalkorf of 
Kub met eene keel aanwezig, die den Aal in zich op- 
neemt (217). De Aal, die in den Dollard gevangen wordt, 
is over het algemeen klein , zilverwit van kleur en schraal. 
Hij heeft eene dunnere huid dan de binnenaal, maar een 
dikker lijf. Men vangt den buitenaal het meest, als men 



(217) Zulk een aalkorf kost 1 gulden. 



Digitized by Google 



269 



vruchteloos voor binnenaal de fuiken uitzet. De buitenaal 
komt het meest in de kubben van April tot Augustus, 
en wel voornamelijk bij warm weder, of als de zijlen, 
ten gevolge van veelvuldige regens, den Dollard met zoet 
water vullen. De binnenaal loopt integendeel het meest 
in September en October, en vooral bij nacht , als de maan 
niet schijnt, maar het duister is. Zoodra het vriest, ver- 
schuilen de dikste binnenalen zich in den modder, en 
men kan geene andere meer dan kleinen vangen. Over 
het algemeen is de binnenaal dikker dan de buitenaal, 
enkel worden er echter zware alen in den Dollard ge- 
vangen. Voor eenige jaren heeft de zijlwaarder van den 
Finserwolder polder een aal op den slijkgrond gevon- 
den, die 21 Ned. ponden woog. 

Andere visschen , dan die welke wij hiervoor hebben 
beschreven , worden op den Dollard zelden aangetroffen , 
en in het algemeen vermindert hunne talrijkheid, en 
van daar dat de visscher bij een moeitevol en arbeidzaam 
leven slechts een zeer schraal middel van bestaan heeft. 
En toch vinden thans nog op den Dollard, hoe on- 
vriendelijk en onherbergzaam zijn aanzien ook is , vele 
menschen hun brood. Alleen op ons grondgebied telt 
men 15 visschers, als 10 te Finserwolde, 2 bij de Beert- 
ster zijl en 3 te ïermunten , die uitsluitend met hunne huis- 
gezinnen van de vischvangst leven. 

Ieder dezer visschers heeft twee omloopers , die den visch 
in de provincie verkoopen. Onder Finserwolde worden 
vaste voerlieden gebruikt, om den visch van de Beertster zijl 
naar Finserwolde en de Scheemda te voeren, en men re- 
kent, dat er op ons grondgebied ongeveer 150 menschen 
van de vischvangst op den Dollard een sober , maar eerlijk 
middel van bestaan hebben. 

In Oostfriesland zijn de Dollardvisschers , alhoewel hun- 
ne visscherij tot eene veel kleinere uitgestrektheid slijkgron- 
den is beperkt, nog talrijker: 14 visschers treft men bij 
het verlaat bij den Heinitzpolder en 3 te Dijksterhuizen 
aan , doch het visschen is daar nog minder winstgevend 
dan hier , en vandaar dat die visschers door anderen ar- 
beid gedeeltelijk in hunne behoeften moeten voorzien. De 
vischvangst heeft plaats nog al vrij ver naar buiten, daar, 
waar de vloed nog tamelijk hoog de slijkgronden bedekt. 



Digitized by Google 



270 



Zonderling is de wijze, op welke de Oostfriesche visscher 
zijne botvisscherij opzoekt Dit geschiedt natuurlijk bij eb, 
als de platen droog liggen. Ten dien einde bedient hij 
zich van eene plank van 2 tot 2.6 el lengte en onge- 
veer 0.3 el breedte. Deze plank is met eene lijst voor- 
zien en loopt van voren ongeveer 0.7 palm omhoog. 
Niet ver van achteren, is er, even als aan eene gewo- 
ne ijsslede, een hekje op bevestigd, met eene dwarslat 
van boven, en nog een weinig verder naar achteren is 
een rond blokje van ruim 1.4 palm hoogte, dat van bo- 
ven een weinig is uitgehold. Het is met dit vaartuig, 
dat kraite genoemd wordt , dat de visscher zich een half 
uur en verder over de slijkgronden van den dijk verwij- 
dert. Ten dien einde rust de visscher met de knie op het 
uitgeholde blok , met zijne handen aan het hekje vindt 
hij steun, om het evenwigt te bewaren, en dikwijls met 
den ontblooten voet van het andere been zet hij zich voor- 
uit. Voor op de plank bevinden zich de manden, waarin 
hij den visch bergt, dien hij in de ruiken mogt van- 
gen. Verbazend snel kan hij met zijn kraite over den 
slijkgrond vliegen : met niet veel inspanning vordert hij 
in uur 1 uur afstand , en een zonderling en vreemd ge- 
zigt is het voor hem , die voor het eerst deze slijkgronden 
bezoekt, als daar een regt opstaand man met de snel- 
heid van den wind hem nadert of voorbij vliegt. Op ons 
grondgebied zijn deze kratten voor den visscher niet vol- 
doende: de slijkgronden zijn hier te veel met rieten en 
gaten doorsneden, en ook bij de garnaalvangst in de ga- 
ten zelve, waartoe men echter in Oostfriesland een van 
de fuiken der botvisscherij gebruikt, zou men zich met 
geene kraite kunnen behelpen. 

Op ons grondgebied hebben de visschers dan kleine scheep- 
jes van vuren hout , op den bodem 3.4 el lang , bij eene 
breedte van 8.5 palm. Deze booten staan, wat den bo- 
dem betreft , van voren 3.6 Ned. duim , van achteren 4.8 
Ned. duim , aan de zijden 1.2 Ned. duim naar boven , zoo- 
dat zij aldus slechts in het midden den slijkgrond ra- 
ken; achter zijn ze 5.7 palm, in het midden 4.75 palm, 
van voren 5.2 palm hoog. Deze booten komen op on- 
geveer 20 gulden te staan en kunnen ongeveer 6 jaren 
worden gebruikt. Zij zijn van een zeil voorzien , dat dik- 



Digitized by Google 



271 



wijls te stade komt. Over de slijkgronden worden deze 
booten met een stok voortgestuwd, welks onderste ge- 
deelte veel overeenkomst met den menschelijken voet heeft , 
en de stok wordt zoodanig gehouden, dat het gedeelte, 
wat de teenen zal verbeelden , even als bij het voortbe- 
wegen der kraite, naar onderen is gerigt. De snelheid, die 
aan deze boot kan worden gegeven , bereikt echter in lang 
niet die der Jcraite. Wij gelooven, dat een visscher, die 
met eene zoodanige boot in een half uur den afstand van 
1 uur aflegt, al zeer geoefend en sterk gespierd moet 
zijn. 

De vischvangst vermindert, zoo als wij hiervoor reeds 
gezegd hebben ; sommigen willen de oorzaak daarvoor 
vinden in de steeds toenemende visscherij bij Reide langs 
de boorden der Eems , en zijn van oordeel dat juist die 
visch daar wordt gevangen, dien anders de vloed op den 
Dollard zond. Ons komt het niet geloofelijk voor, dat 
de Oostfriesche visschers bij Reide zoo nadeelig op onze 
vischvangst inwerken, maar meer waarschijnlijk, dat de 
slijkgronden van den Dollard al te veel ophoogen , zoodat 
het vloedwater aldaar te weinig diepte heeft , om zoo veel 
visschen als vroeger te verleiden den verren togt met den 
stroom over de slijkgronden te doen. Ook zijn wij wel 
geneigd om aantenemen, dat in 't algemeen de visch 
langs onze geheele kust afneemt. 

Onbelangrijk is de vischvangst echter op dit oogenblik 
zelfs nog niet, maar wat te gering is de opbrengst voor 
de visschers, die er van moeten leven. De volgende Staat, 
die met veel zorg is opgemaakt, geeft een getrouw over- 
zigt van de Dollardvisscherij op ons grondgebied en van 
de tegenwoordige gemiddelde jaarlijksche vangst en op- 
brengst. 



Digitized by Google 



272 



> w 



3 

— i • 
O 

— • 

co 



P 

•— • 

O 



> ^ 

<— ' 

co 

B' 



P 
•1 

O 
P 

5 



p 



p 



09 
O 
O 



03 
O 

w 



to 

O 



^3 

to 



to 



g 



2 *•» 



5 « s-w § s 

CO P CO 9C l? CO 

P g 3 cf p S. 



• 

8 



O 



O 
O» 
O 




00 



<) a w 

g s 5 B O 

E o e 2. 5 

O n oo n 



to 



UI 



B g 5 3 S 



Co 
tO 
O 

O 
O 



kso 

O* 

O 
O 



to 
ö 

O 



O* 

O 
O 



to 
to 

C5 



1F 

O 



I I 



• 

O 



Ö 
O 



£5- w 
lif 



CT5 



to 



to* 



als 

C CT5 ® 
O «-»• T 

r« » p 



c=:co 

- S' 
o o 
o cr 

< 3 

<o co 

*! 

§ O 



P 



o » 

os D* 
|| 

ra . 
o >1 

O CL 

w 



Cl 

o 

00 



0<5 



P p 

D M 
tO oq B 

O co 

p-- B 00 

- B 2 

P rt, 

g ® £ 

'K' —. 

» w « 
2 N *° 

2 pftn 
r <o « 



° S ft* 

co 

°* 

O *1 



co ?r* 
B o ® 

P B *< 



Hal g* £* i 
a's Q 



B O £ 

» B 2 

* g*3 
o "l ■ 
C» B 

(O 

" > 

^2: 



0 



O B 



Cx CO 
2 



CU 

co 

CL 



ö 

s 

I 

3 



Digitized by Google 



273 



Het blijkt derhalve uit voorgaanden Staat , dat de 15 
visschers te zamen genomen een jaarlijksch inkomen van 
3694 gulden hebben, waaruit men kan opmaken, dat ieder 
visscher 's jaars op 246 gulden verdienst kan rekenen , 
waarvan hij met zijn huishouding moet leven , en zijn 
schipje , zijn zeil , netten , kubben , korven en schutten 
moet aankoopen en onderhouden. 

De omloopers verdienen te zamen niet meer dan 2916 
gulden, en daar zij ten minste 30 in getal zijn, kan men 
vaststellen, dat die vischventerij ieder 97 gulden 's jaars 
opbrengt. Daar deze venthandel bijna uitsluitend door 
vrouwen gedreven wordt , wier mannen óf visschers zijn , 
óf zich aan anderen arbeid wijden, is de winst voor de 
omloopers niet onaanzienlijk te noemen,; want gewoonte 
heeft ons met het denkbeeld zoo niet verzoend , dan toch 
gemeenzaam gemaakt: dat van allen arbeid, die eener 
vrouw het slechtst van allen moet worden beloond. 

Termunten had vroeger eigene visschers; die er thans 
wonen, zijn van Fimerwolder oorsprong. Die oude Termun- 
ter visschers kenden de harge en dubbelzetten niet , maar 
zij gebruikten voor de botvangst de botreep. 

Deze bestond uit eenen dunnen draad, zoogenaamd 
zeilgaren van 3 tot 400 el lengte , op korte afstanden met 
kleine, ongeveer 0.5 el lange zijddraadjes voorzien; aan 
ieder zijddraadje was een krom gebogen stukje scherp ko- 
perdraad bevestigd. Aan deze eindjes draad werden tot 
aas levende garnalen gestoken. Dan werd de geheele 
botreep op een raampje gewonden , dat ongeveer de ge- 
daante van de leuning eener gewone stoel had. De eind- 
jes draad met de garnalen er aan , hingen dan naast el- 
kander naar beneden. Deze werden nu in een emmer 
neergelaten, men goot er kokend water op, en de gar- 
naal , die nu gaar werd , werd daardoor tevens zeer 
vast om het gebogen koperdraad bevestigd. Deze botreep 
werd alsdan zigzagswijze op den slijkgrond uitgezet, en 
overal , waar zij een hoek vormde , werd een stokje in 
den slijkgrond gestoken. Bij eb werd de reep gezet, bij 
eb werd zij weder opgehaald , en hetzij de vangst gelukkig 
was of niet , zeker kon men zijn , geene andere dan zware 
Bot te vangen. De Bot werd van de reep afgetrokken, 

18 



Digitized by Google 



274 

en het koperdraad dan regt, werd daarna weder krom 
gebogen. 

Het spreekwoord was echter, dat men geen Bot op die 
wijze kon vangen , voor dat de spreeuwen waren aange- 
komen; het rijmpje dat hier en daar nog in het geheugen 
van een oude van dagen leeft: de bot aan de band, als 
de spreeuwen zijn in land, heeft daarop betrekking. Om 
het verband tusschen de botvangst en de aankomst der 
spreeuwen aan te wijzen , was men van oordeel , dat deze 
vraatzuchtige vogels de meer zandige slijkgronden , kort 
langs de kust, bezochten , om zich dan van botwormen te 
verzadigen , en dat alsdan dat dier daardoor min talrijk 
werd. Daar deze zandige slijkgronden de botweide misten, 
was de bot nu genoodzaakt , bij gemis van beter voedsel , 
de garnaal aan de botreep op te zoeken; maar daar 
voor de komst of na het vertrek der spreeuwen , de bot- 
wormen niet meer van die vogels hadden te lijden , ver- 
meerderde hun aantal , hetzij dan door voortteling of 
plaatsverandering , aldra zoo ontzettend , dat de Bot het 
voor hem minder smakelijke voedsel , de gekookte garnaal , 
niet meer behoefde te nuttigen, maar in overdaad van de 
botwormen kon leven. 

Wij voor ons ontkennen echter deze oorzaak voor de 
meerdere botvangst en gelooven , dat het toeval wil, dat 
de zware Bot juist ongeveer op denzelfden tijd weder de 
reis heen en weder op de slijkgronden onderneemt, als de 
spreeuw aankomt ; de temperatuur van de lucht , die de 
spreeuw noodig heeft, eer hij deze streken opzoekt, brengt 
eene temperatuur van het water mede, die de Bot ver- 
kiest, eer hij de diepere waters , die hem 's winters her- 
bergen , met de ondiepe binnenboezems verwisselt ; en daar- 
aan moet men het, dunkt ons, wijten, dat de Bot de reep 
niet eer bezocht , voor de spreeuwen waren aangekomen. 

De garnaal ving men toen , hoofdzakelijk voor de bot- 
vangst, in de veenaeut, met de zoogenoemde lade , waarvan 
men zich , naar wij meen en , thans nog in Bierum en Uit- 
huizen bedient. Twee lange stokken werden op de einden 
vereenigd; niet ver van het andere einde was een dwars- 
lat aangebragt , die voornoemde stokken op eenen be- 
hoorlijken afstand van elkander hield; de einden waren 



Digitized by Google 



275 



met een touw verbonden, waaraan een net was gehecht, 
dat ook aan de lat was bevestigd; dit net had eene soort 
van kuil. De einden der stokken waren beneden de 
dwarslat met koehoorns voorzien. De visscher schoof nu 
deze lade, die hij aan de vereenigde einden der stokken 
vasthield, in de eb- of vloedstroom op; en de garnaal ver- 
zamelde zich in de kuil. De einden der stokken liepen 
niet in het slijk vast, omdat de hoorns zoo geplaatst wer- 
den , dat zij boogsgewijze omhoog stonden. Toen echter 
de rieten en gaten, even als de slijkgronden, langzamerhand 
meer ophoogden, kwam de dikke garnaal te laat in de 
gaten op , en ging te vroeg af, en toen de Finserwolder 
visschers zich daarna in Termunten nederzetteden , hield 
de vischvangst met botreep en lade op, en begon men met 
de harge, dubbelzetten en kuils de bot- en garnaalvangst 
uitteoefenen. 



Digitized by Google 



ACHTSTE HOOFDSTUK. 
De Dollardpolders ten slotte nog iets nader beschouwd. 



De beschrijving van de Dollardpolders , zoo als die door 
ons reeds vrij uitvoerig gegeven is, was echter meest van 
geschiedkundigen aard en als zoodanig heeft zij in de eerste 
A/deeling van dit werk eene plaats ingenomen. Die beschrij- 
ving heeft den lezer een blik in het verledene geschonken; 
maar hij zal ook nog met ons wel wat nader het oog wil- 
len vestigen op hunne tegenwoordige gesteldheid , om vooral 
de waarde van deze gronden voor den landbouw en de 
wijze, waarop die aldaar uitgeoefend wordt, eenigermate 
te leeren kennen. Zoodanig overzigt van eene in dit op- 
zigt zoo belangrijke landstreek , als die gronden opleveren , 
zullen velen niet voor het minst aangename en nuttige 
in dit ons werk houden en waardig , om het tafereel aan te 
vullen, hetwelk wij van de wording dier Dollardgronden 
hebben geschetst. 

Wat ons het eerst bij eene beschouwing van de Dol- 
lardpolders in het oog moet vallen, zoo onze blik niet al 
te vlugtig is geweest, is hunne ligging. Ieder polder is 
aan den oudsten dijk, die hem begrenst, het hoogst, aan 
den jongsten dijk het laagst; de grond helt dus naar bui- 
ten af, even als dit met den kweldergrond het geval is. 
In dat opzigt is er een opmerkelijk verschil tusschen de 
ligging der Doüard- en Wadpolders, daar bij deze laatsten 
juist het tegendeel wordt waargenomen (218). 



(218) Dr. westerhoff en Dr. stratikqh, Nat. Hist. van de provin- 
cie Groninyen, I D., I St. , bl. 161. Verg. ook dit werk , bl. 124onv.v., 
bij hetgeen later over do samenstelling van don bodem znl gezegd worden. 



Digitized by Google 



277 



Hoeveel verschil er in dit opzigt ook tusschen de ligging 
der polders, die de noorderkust onzer provincie omzoomen 
en die aan den Dollard zijn ontwoekerd, bestaat, in een 
ander opzigt vindt men vólkomene overeenstemming. Bij 
de Dollard- en Wadpolders toch is ieder later ingedijkte 
polder hooger, dan die vroeger door dijken aan het spel 
van hooge vloeden is onttrokken, en daar nu de oudste 
polders verder van de kust verwijderd zijn dan de jon- 
geren, is het er een natuurlijk gevolg van, dat eene 
lijn, die door de verschillende polders, zoo als zij opvol- 
gend zijn bedijkt, zoo wordt getrokken, dat zij den grond 
op het punt, waar zij de gemiddelde hoogte van den pol- 
der aanwijst, raakt, zich hoe langer hoe meer boven eene 
waterpasse lijn zal verheften. De kuststreek , voor zoo verre 
zij uit alluviale klei bestaat , is dus aan zijn buitensten rand 
het hoogst en neemt langzamerhand hoe verder naar bin- 
nen des te meer af; en zoo algemeen is dit verschijnsel, 
dat ons geene uitzonderingen daarop in deze provincie, 
noch in Oostfriesland, bekend zijn. 

Dit verschijnsel kan op zeer verschillende wijzen worden 
verklaard, en de wetenschap heeft nog niet bepaaldelijk 
uitgemaakt , welke oorzaak dit verschijnsel te weeg brengt. 
Sommigen nemen voor oorzaak aan het steeds digter aan 
elkander sluiten der deelen, waaruit de grond bestaat, 
waardoor de oudste gronden lager zijn geworden dan de 
jongsten ; anderen meenen , dat het gemiddeld waterpasvlak 
der zee immer rijst; eenigen vinden zich bevredigd door 
de veronderstelling, dat de vloeden hooger klimmen, de 
ebben lager dalen dan vroeger, waardoor in beide gevallen 
veroorzaakt wordt eene hoogere opslibbing der jongste , dan 
der oudere polders; terwijl er eindelijk ook gevonden wor- 
den , die aan eene werkelijke daling van onze geheele kust- 
streek gelooven. Wat ons betreft, wij denken ook omtrent 
de verklaring, die van dit verschijnsel moet worden gegeven , 
niet eenstemmig , doch vinden het niet noodig, dat ieder onzer 
hier zijn gevoelen opgeeft , en verwijzen verder naar het hier- 
over opzettelijk door een van ons geschreven werkje (219), 

(219) Men kan hierover verder nazien het werkje van o. a. venema , 
Over het dalen of zinken van de noordelijke kuststreken van ons land 
in het algemeen en van de Dollardpolders in het bijzonder. Groningen , 

J. OOMKENS, J. ZOO». 1854. 



Digitized by Google 



278 



terwijl wij willen hopen, dat het der wetenschap bij het 
ijverig onderzoek , dat omtrent dit zoo belangrijk verschijn- 
sel door de Commissie voor het zamenstellen der geolo- 
gische kaart van ons land is ingesteld, alsmede dat van 
wege de Koninklijke Akademie van wetenschappen is voor- 
gedragen, gelukken moge, daargelaten alle bloot op on- 
derstellingen rustende redeneringen , de ware oorzaak daar- 
van aan te wijzen. 

De Dollardpolders bestaan aan hunne oppervlakte uit- 
sluitend uit klei, en de laag, welke daardoor gevormd 
wordt, heeft eene zeer verschillende dikte, die belangrijk 
afwisselt, omdat de grond, waarop zij rust, eene ongelijke 
hoogte heeft en hier en daar golfvormig ligt. Het is ons 
daarom niet mogelijk eene juiste opgaaf van de dikte der 
kleilaag te geven , en niet alleen daarom , maar ook en wel 
vooral om dat wij geene onderzoekingen genoeg hebben in 
het werk gesteld, waaruit middengetallen voor de dikte 
der kleilaag voor iederen polder kunnen worden afgeleid, 
die vertrouwen verdienen. In het algemeen vermeerdert 
de dikte der kleilaag van de oudere tot de jongere polders; 
langs den rand , tot welken de Dollard zich in zijne grootste 
uitgestrektheid heeft uitgebreid, is de kleilaag ongeveer 
1 of 2 palmen dik en naar buiten neemt die dikte lang- 
zamerhand toe, b. v.: 

In het Oud-Nieuwland heeft men van 1 tot 1.5 el klei. 
„ „ Nieuwland „ „ 1.5 „ 2.0 „ „ 

„ den Oostwolder polder „ „ „ 2.0 „ 2.5 „ „ 
„ „ Finserwolder polder „ „ „ 2.5 „ 3.0 „ „ 

De klei rust meestal op darg, of op zand, enkel op 
eene andere veenlaag, welk laatste het geval is aan het 
Mensediep, tusschen Eexta en Westerlee, te Veenhuizen 
en mogelijk op meer plaatsen. Over het geheel geno- 
men gelooven wij wel te mogen vaststellen, dat de Dol- 
lardklei voor eene oppervlakte van 39,000 bunders, die 
binnen- en buitendijks gelegen is, gemiddeld 1 el dikte 
heeft. Is deze onderstelling aannemelijk, dan is er van 
1277 tot 1854, dus in 577 jaren, 390 millioen cubieke ellen 
klei of in 1 jaar 676000 cubieke ellen aangespoeld, wat op 
1852 cubieke ellen daags of 77 cubieke ellen in het uur 



Digitized by Google 



279 



uitkomt Daar de Dollardslib , volgens den Hoogleeraar 
haeting (bl. 253), voor het 1 / 10 gedeelte uit pantser- of 
schaaloverblijfsels van mikroskopische organismen bestaat, 
zoo nemen deze overblijfselen daarvan eene ruimte van 7.7 
cub. el in. Wanneer men nu aanneemt, dat er 2000 billi- 
oenen schaaltjes van deze organismen op de cub. el gaan , 
dan zijn er sedert het ontstaan van den Dollard, telken 
ure, gemiddeld 15400 billioenen, in iedere seconde 4)/£ 
billioen van die organismen gestorven, om met hunne 
overblijfselen of bestanddeelen eenen vruchtbaren grond te 
helpen zamenstellen , die thans zoo mild duizende men- 
schen voedt Zoo wandelt de stof in haren eeuwig- 
durenden kringloop op onze planeet van dier tot plant, 
van plant tot dier of mensch rond, om zich dan weder 
voor een korteren of langeren tijd met den bodem te ver- 
eenigen. 

In de Dollardpolders vindt men hoofdzakelijk drie soor- 
ten van kleigrond: 

1. De gewone Dollardklei; 

2. De roodoortiy die men elders in de provincie ook 
wel met naam van hnipklei onderscheidt; 

3. De biik, die echter nimmer den bovengrond bereikt, 
maar die altijd door eene laag roodoorn van 2 tot 4 palmen 
dikte bedekt is. Deze kniklaag heeft meestal eene dikte van 
2 tot 7 palmen en rust in den regel op andere klei, die 
meer blaauw of bruinachtig van kleur is. 

De gewone Dollardklei is overal buiten de dijken, die 
sedert het jaar 1545 gelegd zijn, aanwezig en algemeen 
bekend wat hare waarde voor den landbouw betreft; doch, 
even als ons land in 't algemeen en er geen roem op kan 
dragen, dat er aan een chemisch en microscopisch onder- 
zoek der gronden ooit veel opmerkzaamheid is geschon- 
ken zoo is dit ook in 't bijzonder met de Dollardklei 
het geval , daar ons slechts eene enkele kwantitatieve ont- 
leding en wel alleen van klei uit den Heinitzpolder, door 
een buiten landschen Scheikundige reeds voor een aantal 
jaren bewerkstelligd, bekend is. Deze is echter de be- 
roemde duitsche geleerde c. SPKENGEL, aan en in zoo 
verre kan men de verkregene uitkomsten het volste ver- 
trouwen schenken, als do toenmalige kennis en hulpmid- 
delen zulks toelaten. 



Digitized by Google 



280 



Hij vond in 100,000 gewigtsdeelen van gemelden grond (220): 

1 Grof kwartszand 4.500 gew. deel. 

2 Zeer fijn kwartszand 60.300 

3 Kalkaarde, deels met kiezelaarde (kie- 
zelzuur) , phosphor- en humuszuur , 
grootendeels , als verbroken schelpen , 
met koolzuur verbonden 5.880 „ „ 

4 Talkaarde 0.844 „ „ 

5 Aluin- of kleiaarde 5.700 „ „ 

6 IJzerverzuursel 6.100 „ „ 

7 Manganesiumverzuursel 0.090 „ M 

8 Zoutzuur 0.400 

9 Phosphorzuur 0.530 

10 Z wavelzuur 0.210 

11 Koolzuur 3.920 

12 Humuszuur 2.540 

13 Potasch 0.210 

14 Soda 0.593 

15 Dierlijke zelfstandigheden 1.582 „ „ 

16 Humus en eenige plantaardige over- 
blijfselen 6.000 

Verlies 0.601 



>» »> 

ii ii 

ti ii 

ii ii 

ii ii 

ii ii 

ii ii 



» ii 
ii ii 



100.000 gew. deel. 

Buiten deze Dollardklei, bij uitnemendheid zoo te noe- 
men , vindt men in de streek , die vroeger door den Dollard 
bespoeld is geweest, zoo als wij hiervoor reeds gezegd 
hebben, eene andere en veel mindere kleisoort, die men 
roodoorn noemt en die elders in de provincie den naam 
van knipklei draagt. Door deze klei, die de dijken, vóór 
het jaar 1545 gelegd , niet overschrijdt , loopen dikwijls 
donkerrood bruine aders of doorns, waaraan de grond 
zijn naam heeft te danken; soms zijn deze aders niet aan- 
wezig, maar men treft er meer of min dunne lagen van 
voormelde kleur in aan. Een grond, die daarmede , wat 
de kleur betreft, wel eenige overeenkomst heeft, vindt 
men langs de grenzen , die de grootte van den ouden 
Dollard bij zijne grootste uitgestrektheid bepalen , vooral 



(220) Hannov. Magax. 1827, St. 9. 



Digitized by Google 



281 



langs de oude stroomen. De klei , die daar met darggrond 
is vermengd, is geheel rood geverwd, maar de volkstaal 
heeft in dit opzigt geen woord, om deze afwijking aan te 
duiden, en men bestempelt ook deze grondsoort met den 
naam van roodoorn. 

Van deze kleisoort bestaat, voor zoo verre wij weten, 
geene kwantitatieve ontleding. De heer J. H. kuper, lid 
van de provinciale Staten en landbouwer te Blijham, heeft 
echter aan de Landhuishoudkundige school te Groningen 
kwalitatief dien grond doen onderzoeken en wij hebben 
het aan hem te danken , dat wij de bij dat onderzoek ver- 
kregene uitkomsten hier kunnen opgeven. De grondsoort, 
die alzoo is onderzocht, is genomen zuidwaarts van den 
weg, die van Winschoter Hoogebrug naar Blijham loopt 
en wel digt bij den zoogenoemden turfweg. 

Deze grond bestaat uit: 

A. In water oplosbare deeleru 

1. Kiezelzuur, een weinig. 

2. Zwavelzuur. 

3. Phoshporzuur , sporen. 

4. Chloor, veel. 

5. Ammonia. 

6. Aluin- of kleiaarde. 

7. Kalk. 

8. Magnesia. 

9. Potasch en soda, sporen. 

10. In water oplosbare organische stof, veel. 

B. In zoutzuur oplosbare deelen. 

1. Kiezelzuur. 

2. Zwavelzuur, weinig. 

3. Phosphorzuur , veel. 

4. Kalk, veel. 

5. Magnesia, veel. 

6. Aluinaarde. 

7. IJzeroxydule , zeer veel. 

8. IJzeroxyde , zeer veel 

9. Potasch, veel. 
10. Soda, minder. 



Digitized by Google 



282 



Eene derde kleisoort, die hier en daar onder de roodoor n 
voorkomt, is de hükklei of knik, die men in Oostfriesland 
dwer of dwo, in Holstein roode vos, stort of' biet noemt. 
Zij is nog rooder dan de roodoorn en steenachtig hard ; 
zij houdt nog veel meer ijzeroxyde en vooral zeer veel 
meer ijzeroxydule in. Deze kniklaag heeft altijd, zooals 
reeds gezegd is, eene laag van 2 tot ongeveer 4 palm 
roodoorn boven zich, en is van 2 tot 7 palm dik. Meestal 
is beneden de knik eene laag gewone klei, van meerdere 
of mindere dikte, en wij gelooven wel te mogen aanne- 
men, dat waar de geheele laag aangeslibde grond geene 
meerdere dikte dan 1 el heeft, de kniklaag ontbreekt, 
zoodra daar beneden darg gevonden wordt 

Hoe gaarne wij ook eene ontleding van den knikgrond 
zouden hebben willen geven of zijne zamenstelling nader 
doen kennen, wij zijn daartoe niet in staat Wel hebben 
wij moeite gedaan, om, zelve het daartoe noodige onder- 
zoek niet in het werk kunnende stellen, eene opgave 
daaromtrent te verkrijgen, maar die moeite is met geen 
ganstigen uitslag bekroond geworden. 

Op vele plaatsen, vooral in de oudste polders, is de 
kleigrond op 1 of 1.5 el beneden de oppervlakte blaauw 
van kleur, en als wij over de waarde der Dollardklei- 
gronden en wel der knik voor den landbouw moeten spre- 
ken , zulleu wij opgeven , welk nuttig gebruik daarvan ter 
verbetering der gronden gemaakt wordt 

De hiervoor beschrevene gronden hebben voor den land- 
bouw eene zeer verschillende waarde, op allen groeijen 
toch de gewassen niet even welig en in de opbrengst is 
het verschil nog veel aanzienlijker. 

De kleigrond, die hiervoor bij uitnemendheid onder den 
naam van gewone Dollardklei is onderscheiden en die vast 
overal buiten , maar hier en daar ook binnen den dijk van 
1545 wordt aangetroffen, is verre weg vruchtbaarder dan 
de roodoorn en knikklei; maar ook deze Dollardklei ver- 
krijgt met haren ouderdom eene steeds minder wordende 
waarde voor den landbouw, zoodat de nieuwste polders 
de meeste opbrengst verzekeren, die vermindert, hoeveel 
meer tijd sedert de bedijking is verstreken. Dit verschijn- 
sel , waarin de kleigronden juist tegen de zand- en veen- 
gronden overstaan , die bij eene doelmatige wijze van be- 



Digitized by Google 



283 

bouwing steeds in vruchtbaarheid winnen, is, naar ons 
voorkomt, van meer zamenwerkende oorzaken het gevolg, 
en zoo wij ook, bij gebrek aan voldoende vergelijkende 
physische en scheikundige onderzoekingen, die oorzaken 
eenigzins onderstellender wijs moeten aanwijzen, wij ge- 
looven daarom niet, dat wij ons aan tegenspraak zullen 
bloot stellen. 

In de eerste plaats is het zeker, dat de gedurige be- 
bouwing aan den grond bestanddeelen ontneemt, die hij 
niet terugontvangt, omdat deze gronden niet worden be- 
mest, vóór dat zij een paar eeuwen zijn binnengedijkt ge- 
weest, terwijl dan nog de bemesting spaarzaam plaats 
heeft en bij eene doelmatige wijze van bebouwing geheel 
achterwege blijft. Hoofdzakelijk heeft dit verlies plaats in 
de bovenste grondlaag , ter diepte van een paar palmen , 
alhoewel zeker door capillaire werkingen, en door de 
wortels van sommige gewassen, die diep in den grond 
dringen , vruchtbare bestanddeelen naar boven worden ge- 
voerd. 

Ten anderen wordt de grond, voor zijn bovenste ge- 
deelte, ter diepte van 4 palm, bij toenemenden ouderdom 
steeds een weinig digter; daarvan is het gevolg, dat de 
grond het water , dat er op valt , minder gemakkelijk 
doorlaat, terwijl bij veel droogte de vochtdeelen al te 
naauwe en fijne openingen tusschen de deelen vinden , 
om door de capillariteit naar boven te kunnen komen. 
Aangezien alsdan de gewassen bij overvloed van regen 
last en bij droogte gebrek aan vocht hebben, werken deze 
beide oorzaken te zamen om den weligen groei te beletten, 
daar vooral bij veel droogte vocht ontbreekt, dat altijd het 
voermiddel van de voedseldeelen der planten is. 

Dat inderdaad de vruchtbaarheid der Dollardpolder- 
gronden aanmerkelijk met hunnen ouderdom afneemt, kan uit 
den volgenden Staat blijken , die uit de opgaven van ver- 
schillende landbouwers is opgemaakt en die, alhoewel de 
cijfers gedeelten van eenheden bevatten , die wij , als ge- 
legen binnen de grens der fout, geene waarde toeschrij- 
ven, wel vertrouwen verdient. 



Digitized by Google 



284 



Gemiddelde opbrengst van dezelfde hoeveelheid 
(/rond op een drietal in ouderdom verschil- 





lende polders, 


opgemaakt in 


1850. 


IV o mort növ* 

iuiiiitu uur 
gewassen. 


Finserwol- 
der polder in 
1819 bedijkt. 


Het Nieuw- 
land in 1701 

'bedijkt 


De kleigrond 

onder de 
Meed en , in 
1545 bedijkt. 


Winter koolzaad . 


mudden. 
100 


mudden. 
92.3 


mudden. 
92.3 


Winter gerst . . . 


100 


846 


67.7 




100 


85.5 


71.4 


Gemiddeld . . . 


100 


87.5 


77.1 



Deze gemiddelde waarden bevestigen de voorgaande 
stelling. 

In het Nieuwland immers, dat 118 jaar vóór de bedijking 
van den Finserwolder polder aan het gebied van het water 
is onttrokken , is de vruchtbaarheid, als men daarvoor tot 
maatstaf neemt de gemiddelde jaarlijksche opbrengst in dat 

, 12.5 „ 0.125 X 100 

tijdvak, voor— — ot voor eene eeuw, voor — =0.11 

ÏUU 118 

afgenomen, terwijl de vermindering van vruchtbaarheid in 

eene eeuw , berekend uit eene vergelijking van de opbrengst 

van den grond, die onder de Meeden in 1545 is bedijkt, 

met het gemiddeld beschot van den Finserwolder polder 

22.9 100 

ÏOO" X 274 = bedraagt. 

In 100 jaar bedraagt die vermindering: 

volgens het eerste getal =0.11 
tweede „ = 0.08 



derhalve gemiddeld = 0.09 
Zoo de opgaven volkomen te vertrouwen zijn , volgt er 
nog uit, dat de vruchtbaarheid van den grond in de eerste 
eeuw na de bedijking meer dan later afneemt, dat zeer 



Digitized by Google 



285 



goed met de ondervinding strookt, daar het wel niet te 
betwijfelen valt, of de grond zal altijd zonder bemesting 
wel eenige vruchtbaarheid behouden. 

Letten wij echter op de enkele uitkomsten, dan kan 
men er het gevolg uit trekken, dat de vruchtbaarheid 
van de Dollardpolders sterker voor witkorengewassen , 
zoo als gerst en haver, met den ouderdom der gronden 
afneemt , dan met het zaad en mogelijk wel met alle peul- 
gewassen het geval is. Ook schijnt men er uit te mogen 
opmaken , dat door wintergerst de grond met het toene- 
men van den ouderdom der polders meer aan vrucht- 
baarheid verliest dan door havergewassen. 

Wij hebben hiervoor gezien , dat de grond der polders , 
vooral van boven , langzamerhand digter wordt en dit wordt 
veroorzaakt door dat de deelen , waaruit de grond bestaat , des 
temeer in elkander dringen, en het is zeker, dat daarvan 
altijd het standgrijpen van eene kleine verlaging, die lang- 
zaam tot aan eene zekere grens vermeerdert, het gevolg is. 
Soms daalt echter in de nieuwere polders de grond binnen 
een zeer kleinen omtrek zeer schielijk , ongeveer 1 palm 
naar beneden; hij wordt hard bij droog, blijft taai bij 
vochtig weder, en ter diepte van ongeveer 4 palm, van 
boven af gerekend, laat hij geen water door. Dit zoo 
zeer gevreesde verschijnsel kenmerkt eenen ziekelijken toe- 
stand van den grond, die, naar wij gelooven, alleen eigen 
aan de Dollardpolders is, en dien men zucht noemt. Be- 
neden die ongeveer 4 palm dikke laag is de klei los en 
laat zij gemakkelijk water door, zoo als dit over het alge- 
meen met de Dollardklei het geval is. Men zou opper- 
vlakkig en onbekend met dit verschijnsel wel eens* van 
gevoelen kunnen zijn, dat het herhaald en diep ploegen 
een krachtig middel was , om de zucht uit het land te doen 
verdwijnen , maar de ondervinding heeft doen zien , dat 
wel de zucht in den eersten opslag bleek verdwenen te 
zijn, maar dat zij later en wel gewoonlijk in het volgende 
jaar in een veel ergeren graad te voorschijn trad. Zelfs 
heeft men de overtuiging verkregen , dat braken , vooral 
als men den grond veel en diep bij eenen zeer vochtigen 
toestand ploegt, voor eene oorzaak der zucht kan ge- 
houden worden, en ook daarom heeft de landbouw hier 
reeds in de stelsels, die voor den vruchtomloop geko- 



Digitized by Google 



286 



zen worden , over het algemeen de braak laten va- 
ren. 

Men heeft vroeger wel eens proeven genomen, om door 
het tweevoor ploegen , door diep omspitten , door de ge- 
heele zuchtige laag heen, den grond zijne vorige losheid 
of doordringbaarheid voor het water terug te geven , en 
alhoewel men zorg droeg dien arbeid, terwijl de grond 
droog was , te verrigten , en schijnbaar wel eerst de zucht 
was geweken , trad na een paar jaren het kwaad in eene 
ergere mate te voorschijn. Zelfs is niet diep ploegen eene 
voorzorg om van de zucht bevrijd te blijven, en daarin 
mag wel de reden liggen, waarom thans op de Dollardpol- 
ders het ploegijzer veel minder diep door de klei snijdt, 
dan voor eene halve eeuw. 

Voor het verminderen van den invloed, dien de zucht op 
de gewassen uitoefent, kan niets voordeeliger werken dan 
strenge winters , zonder sneeuw , en heete drooge zomers , 
en de reden, waardoor zoo ver van elkander liggende 
warmtegraden dezelfde gevolgen hebben , is , naar ons 
gevoelen , niet moeijelijk aan te wijzen. Tijdens felle vorst 
is de lucht droog en het vocht, dat zich in den vorm van 
ijs in den grond bevindt, dampt uit en tevens krimpen en 
het ijs en de grond in , hoe lager de temperatuur bene- 
den het vriespunt daalt; dien ten gevolge splijt de grond, 
en wel des te dieper, hoe meer de koude toeneemt. Die 
scheuren ontstaan wel het meest, waar de grond het 
vochtigst is, en dus in kleigrond, die met zucht be- 
hebt is, eer, grooter en dieper dan in gezonde klei. 
Ook bij heete zomers scheurt de grond van een en 
dieper dan in den winter. Hier zijn de scheuren echter 
haar ontstaan in zoo verre aan den verhoogden warmte- 
graad verschuldigd , als de lucht daardoor een grooter ver- 
mogen verkrijgt, om in denzelfden tijd meer water in 
damp vor mi gen toestand in zich op te nemen en tevens 
eene veel grootere hoeveelheid, voor dat zij hare verza- 
digingsgrens bereikt. Dat men in geen dezer beide ge- 
vallen diep mag ploegen, spreekt wel van zelve; men zou 
daardoor de scheuren en spleten, die het gevallene regen- 
water konden opnemen en naar beneden voeren , wegne- 
men, en den nuttigen invloed en van strenge vorst en 
van heete drooge zomers op de zucht zou men zoo 



Digitized by Google 



* 

287 



niet geheel wegnemen, dan toch belangrijk verminderen. 
Daar de diepte, het aantal en de breedte der scheuren 
en spleten in deze gevallen door groote zomerhitte, als die 
met droogte gepaard gaat, aanzienlijker dan door strenge 
koude zijn , is het wel aannemelijk , dat zomerhitte een 
gunstiger invloed op zuchtige landen uitoefent dan strenge 
vorst , tijdens den winter , en de ondervinding bewijst , 
dat dit wel degelijk het geval is. Zoo men uit deze stel- 
lingen verder gevolgen mag trekken, dan heeft men re- 
den om aan te nemen , dat natte winters , zonder drooge 
vorst, en zomers die zich door regen kenmerken, voor de 
zucht nadeelig zijn, en de ondervinding heeft eveneens 
doen zien, dat die gevolgtrekkingen zeer juist zijn. 

Deze raadselachtige ziekte bepaalt zich niet tot de plaats 
waar zij is ontstaan , maar zij schrijdt langzaam voorwaarts, 
in den regel dwars door de heerten heen , zonder dat het 
diep graven der slooten vermogend is, die ziekte in haren 
kruipenden, maar zekeren gang te stuiten. Onder Mtd- 
wolde rigt de zucht zich van 't westen naar 't oosten in het 
westelijk gedeelte van het Oud-Nieuwland , maar in 't oos- 
telijk deel zoo wel als in het Nieuwland kiest zij voor ha- 
ren langzamen loop eene tegenovergestelde streek; in de 
Beertsterhamrikker Uiterdijken heeft zij eene rigting van 
het N. W. naar het Z. O. uitgekozen. Soms ontstaat die 
ziekte in de eerstvolgende jaren na de bedijking, nu eens 
ziet men eene vierde eeuw en meer verloopen, eer zij zich 
vertoont, en altijd heeft zij hetzelfde karakter, denzelfden 
nadeeligen invloed op de gewassen. Blijkbaar heeft zij 
eene lage ligging of een onvoldoenden waterafvoer van 
den grond zelve niet tot oorzaak, want zij ontstaat in 
den regel langs de oudste dijken op de hoogste en droog- 
ste deelen van eenen polder en breidt zich van daar in 
de eene of andere rigting, als eene soms meer, soms 
minder breede streep uit, die nimmer cirkelvormig is. 
Het water neemt soms zelfs de ziekte weg; men heeft 
ondervonden, dat die ziekte in het land, dat daardoor 
aangetast was, ophield, zoodra het 's winters hoog met 
water bedekt werd, maar dat zij na vijf of zes jaren in 
datzelfde land met al de verschijnsels , die haar kenmer- 
ken, terug keerde. 

Vraagt men naar de oorzaak van het verschijnsel, wij 



Digitized by Google 



288 

moeten hierop antwoorden , dat wij , scherp omschreven , 
die oorzaak niet kunnen aanwijzen. Wij voeren alleen aan, 
dat bouwwijzen , die het land uitmergelen , diep of veel 
ploegen en vooral in regenachtige tijden , de zucht te 
voorschijn doen treden, en dat smalle rondliggende akkers, 
die door meet- en watergoten omgeven zijn, de ziekte, 
zoo zij eens is ontstaan , zeer doen verergeren. Het ge- 
ven van eene vlakke ligging aan de bouwgronden, zoodat 
ieder droppel water, die van boven valt, naar beneden 
zakt, daar waar zij gevallen is, is als voorbehoedmiddel 
tegen de ziekte wel aan te raden. 

Niet overal ontstaat echter die voor den landbouwer 
zoo -zeer gevreesde ziekte; er is een naauw verband tus- 
schen de dikte der kleilaag en tusschen hare vatbaarheid 
voor de zucht Wij gelooven niet, dat er voorbeelden be- 
kend zijn, dat die ziekte in den kleigrond losbreekt, waar 
de kleilaag minder dan zes palmen dikte heeft, maar des 
te grootere voorbeschiktheid heeft de kleigrond voor de 
zucht, hoe dikker kleilaag er gevonden wordt, en daar in 
iederen polder langs den oudsten dijk de kleilaag dikker 
dan langs den jongsten dijk is , mag hierin wel de reden 
liggen , waarom de zucht in den regel zich het eerst het 
digst aan den oudsten dijk van eenigen polder vertoont 

De schadelijke invloed, dien de zucht op de gewassen 
uitoefent, vermindert echter langzaam. Tast de ziekte 
eerst het land aan, dan heeft zij eenen zoodanigen in- 
vloed op den groei der gewassen, dat de grond, hoe vrucht- 
baar hij ook in zijne bestanddeelen mag zijn, bijna niets 
wil voortbrengen. Later wordt de grond langzaam weder 
iets beter, maar van het kwaad wordt hij nimmer gene- 
zen. Eene eeuw of langer na het ontstaan der zucht, 
heeft de ziekte haar kwaadaardig karakter verloren. Dan 
zijn de kleilanden wei zuchtig gebleven, zij laten moeijelijk 
water door, wel moet men met meet- en waterpoten ofnoc 
beter, zoo als later in gebruik is gekomen , door woelgo- 
ten, den afvoer van het water bevorderen en altijd den 
regten tijd voor het bouwen kiezen , daar de gronden bij 
aanhoudende droogte te hard, bij regen te week en slib- 
big zijn, om te kunnen worden bearbeid, maar de zoo in 
het oog vallende nadeelige invloed op de gewassen wordt 
niet meer opgemerkt. Het zijn gronden , die zeer geschikt 



Digitized by Google 



289 



voor den tarwebouw zijn geworden, voor welk gewas de 
nieuwe gezonde Dollardpolders niet geëigend zijn. 

In het vorenstaande vindt men de hoofdzakelijke ver- 
schijnsels, die de zucht kenmerken en de oorzaken, die 
haar zoo niet voortbrengen, dan toch verergeren. 

Eene duidelijke en bepaalde aanwijzing echter van de 
juiste oorzaak of oorzaken der ziekte en van de veran- 
deringen , die daardoor in den grond worden te weeg ge- 
bragt, kunnen wij, zoo als wij hiervoor reeds hebben ge- 
zegd , niet geven. Wij hebben wel eens gedacht of de 
bijzondere fijnheid der klei- en andere deeltjes, welke aan 
de Dollardklei boven andere kleigronden eigen is, niet 
aanleiding geeft tot het digtslempen van den bodem, 
wanneer daartoe andere omstandigheden gelegenheid ge- 
ven. Maar dit is misschien niet meer dan eene gissing 
en welligt onvoldoende, om daaruit deze eigenaardige 
ziekte te verklaren. Meer afdoendo natuur- en scheikun- 
dige vergelijkende onderzoekingen van den grond, die 
uit haren aard zeer omslagtig zijn, zullen er misschien noo- 
dig wezen , om naauwkeuriger met de oorzaak , die haar 
teweeg brengt , bekend te worden , en wie weet of het 
daardoor der wetenschap dan nog zal gelukken, dat raad- 
selachtige verschijnsel geheel te ontsluijeren. 

Middelen zijn er wei voorgeslagen, niet om de zucht- 
ziekte weg te nemen , waartoe men al te veel het gevoel 
van onvermogen heeft , maar om haar kwaadaardig karak- 
ter, dat zich door een hoogst nadeeligen invloed op den 
groei der gewassen kenmerkt, te verminderen. De oudste 
en algemeenste handelwijze, om de zucht te verminderen, 
bestaat wel daarin, dat men zuchtgoten graaft, die onge- 
veer 6 palmen breed, 7 palmen diep en ongeveer 20 ellen 
van elkander verwijderd zijn. Deze goten loopen in den 
regel evenwijdig met de rigting der akkers, bij uitzonde- 
ring snijden zij de akkers regthoekig door, waarmede men 
in den laatsten tijd meer is begonnen. De onderste klei 
wordt over het land geworpen en met de bovenste klei 
vult men die goten weder gedeeltelijk aan. Somtijds maakt 
men de goten van onderen naauwer , om ze met stroo of struik- 
werk, dat met klei bedekt wordt , te vullen. Men verlegt ze 
nu en dan en telkens wordt de klei uit de goten over het 
land geworpen. Het graafwerk kost het bunder ƒ 10-00. 

19 



Digitized by Google 



290 



In het westelijk deel van de ingedijkte Dollardpolders is 
men in de laatste jaren begonnen met zoogenaamde woel- 
goten te maken , die veel breeder en dieper dan de zucht- 
goten zijn, en ook deze goten worden nu en dan op an- 
dere plaatsen gegraven. Waar deze breede woelgoten zijn 
aangelegd en gedigt, blijft eene zacht afloopende en opklim- 
mende breede laagte, waar de grond zeer los of hol is. 
Het water, dat op de hoogere deelen valt, loopt naar die 
laagten heen en zakt daar naar beneden. Men komt daar- 
door voor, den groei van het bijna niet uit te roeijen kweek- 
gras, dat zoo welig langs de water- enmeetgoten ontspruit, 
wanneer men op die wijze in den waterafvoer van gron- 
den, die zuchtig of sterk met zucht behebt zijn, voorziet 
Bij de beschrijving , hoe men niet zeer vruchtbare roodoorn- 
gronden, waaronder diepe blaauwachtige klei aanwezig is, 
in hoogst vruchtbaar bouwland kan veranderen, hebben 
wij hoofdzakelijk het aanleggen van woelgoten genoemd en 
deze zijn het ook , die men graaft om de zucht te be- 
strijden. 

In Midwolde heeft de Heer 8. kuiper de turfdrainering 
in gronden, die met de zuchtziekte waren behebt, inge- 
voerd, en alhoewel het aan navolging daarvan ontbreekt, 
beantwoordt dat middel uitmuntend aan het doel. De turf, 
die daarvoor gebruikt wordt, is de zoogenaamde boven 
graven of graauwe turf, die hoofdzakelijk uit mos bestaat 
Deze turf laat het water gemakkelijk door, dat ook door 
de spleten dringt, die de aan elkander liggende turven 
tusschen zich laten. Men legt deze turfriolen 8 ellen van 
elkander en zoo aan, dat zij een weinig afhellend komen 
te liggen; zij loopen door de mennings of lanen heen, om 
het water in de slooten te voeren. De breedte bedraagt de 
lengte der turven, die hier 4 palmen is. De turven wor- 
den ter weerszijden van het riool in de lengte gelegd en 
van boven met een turf dwars gedekt , om daarna van 
boven met klei te worden aangevuld. Op deze wijze 
heeft men geene meent- en watergoten in zijn bouwgrond 
noodig, dien men over zijn geheel eene vlakke ligging geeft; 
de ploeg bereikt de turfriolen niet , daar zij dieper moeten 
gelegd worden , en men heeft het voordeel van meer bouw- 
grond te hebben en minder tegen het kweek- en zwartgras te 
moeten strijden , die beide in zuchtig land zoo welig tieren. 



Digitized by Google 



291 



Deze wijze van draineren, die niet alleen ter bestrijding 
der zucht, maar ook uit een landhuishoudkundig oogpunt 
in meer dan een opzigt zoo voordeelig is, is echter kost- 
baarder dan het graven van zucht- of woelgoten. Het gra- 
ven der goten, de aankoop van den turf, het leggen 
daarvan en het daarop volgend vullen der goten komt 
op ongeveer 45 of 46 gulden het bunder te staan. 

Wij hebben opzigtelijk de beschrijving der zucht en van 
de omstandigheden, die haar kunnen verergeren of tegen- 
gaan, zeer uitvoerig geweest, omdat deze ziekte juist 
alleen eigen is aan de Dollardpolders en alzoo mag ver- 
ondersteld worden elders niet dan bij name bekend te zijn ; 
wij willen daarom ook nog de kenteekenen , die deze ziekte 
aanwijzen , mededeelen. Wij kunnen dit kortelijk doen , 
daar zij duidelijk genoeg en niet van bedriegelijken aard zijn. 

Zoo als wij hiervoor reeds gezegd hebben , zakt de grond 
ongeveer 1 palm, zoodra de zucht in het land valt, en als 
het '8 voorjaars droogt en de gezonde kleigrond eene licht- 
grijze kleur aanneemt, blijft de zuchtgrond zwart, door 
dat de droogende lucht al het water uit dien grond veel 
later tot zich neemt. In het algemeen groeijen er niet 
dan schrale gewassen in en bij aanhoudenden regen gaat 
de groene kleur der bladen en stengels verloren en ten 
gevolge van den kwijnenden toestand worden zij geel. 
Wij zouden hier ook kunnen vermelden, welke gewassen 
op den kleigrond , die door zucht is aangetast , nog het best 
kunnen worden verbouwd en welke er geheel niet willen 
tieren , maar het komt ons geleidelijker voor , dat wij hier- 
over handelen , wanneer wij onze blikken op den landbouw 
van de Dollardpolders vestigen en do volgorde behouden, 
die wij hiervoor, bij de beschrijving der verschillende klei- 
gronden, hebben in acht genomen. 

Op de Dollardklei bij uitnemendheid volgt de roodoorn, 
wanneer zij geene kniklaag beneden zich heeft. De verbetering 
van dien grond hangt van bemesting af, maar welligt dat 
het overbrengen van slijk , die men veel buiten de Statenziji 
uit het Schanscherdiep of de Aa graaft, eene meerdere en 
duurzamer vruchtbaarheid verzekert (221). Het meest 

(221) De Heer j. kui»er, Lid der Provinciale Staten, is, naar wij 
gelooven, te Blijham de eerste geweest, die zijne roodoorngronden door 
bemesting met slijk belangrijk heeft verbeterd. 



Digitized by Google 



292 



kenmerkende van dezen grond is de overmaat van ijzer- 
oxydule en daarin moet hoogstwaarschijnlijk de reden van 
zijne onvruchtbaarheid geacht worden. Daar deze stof 
echter door veel blootstelling aan de lucht , door bemesting 
met asch, maar vooral door branding verandert in het on- 
onschadelijke ijzeroxyde, is zeker eene verbetering dezer 
roodoorngronden te verkrijgen, door ze -eene drooge lig- 
ging te geven, den grond door ploeging als anderzins met 
de lucht in aanraking te brengen, of door branding. De 
Engelschen roosteren uit dien hoofde de hUi- en leem- 
gronden en deze gronden verbeteren daardoor aanmerkelijk. 
Is onder de roodoornlaag eene laag van knik aanwezig, 
zoo als in de Dollardpolders ten westen van Scheemder 
Hamrik het geval is, dan rust deze knik veelal op eene 
laag van blaauwachtige klei, die aldaar soms eene diepte 
van 6 ellen heeft. Om dien onvruchtbaren bovengrond 
hiermede te verbeteren, graaft men, dwars door de akkers, 
op een afstand van 20 tot 25 ellen van elkander, goten, 
die van boven ongeveer 1.5 el wijd en meer of min 2 el 
diep zijn , met het doel om de klei , die onder de kniklaag 
gevonden wordt , over het land te werpen en daarop even 
dik te verdeelen. De klei, die het diepst ligt, is de 
vruchtbaarste, en van daar, dat men deze woelgoten eene 
zoo groote diepte geeft. Deze goten worden weder met 
de bovenste roodoorn en de knik gedempt. Het graven 
dezer goten, het slechten van de daaruit komende klei en 
weder dempen van de goten kost ongeveer 6% cent de 
kubieke el. Het kan zijn, dat de klei niet tot de diepte 
van 2 el reikt ; in dat geval graaft men de goten breeder , 
zoodat de gronden met eene blaauwe kleilaag van 0.7 tot 
1.5 palm worden opgehoogd. Niet overal echter wordt 
deze blaauwe kleilaag onder de kniklaag aangetroffen; 
een, naar veler gevoelen, onbedriegelijk kenteeken van 
haar bestaan is het groeijen van riet in de slooten. Heeft 
men na het graven eenige jaren vruchten verbouwd, dan 
neemt de vruchtbaarheid af en het graven van nieuwe 
woelgoten, die onmiddellijk aan de eersten liggen, is we- 
derom noodig. Het mag wel zonderling genoemd worden, 
dat deze onderste klei, terwijl zij, over de roodoorngron- 
den gebragt, eene zoo buitengewone vruchtbaarheid geeft, 
evenwel , zonder met roodoorn vermengd te zijn , of op 



Digitized by Google 



293 



zich zelve niet in staat is de gewassen weliger te doen groeijen, 
alwaarom zij vroeger zeer geschuwd werd en aanleiding 
gaf tot een vooroordeel tegen haar gebruik, hetwelk door 
de ervaring eerst heeft moeten overwonnen worden. 

Gronden, die geheel voor den grasbouw worden gehou- 
den, vindt men bij uitzondering en zeer schaars in de 
ingedijkte Dollardpolders. Waar men ze aantreft, zijn het 
in verhouding tot het geheel onbeduidende stukken, die, 
aan de dorpen gelegen, nu eens worden beweid, dan 
weder gemaaid en gehooid. 

In den regel worden de gronden 

1) bij afwisseling groen gehouden, om daarna eenige 
jaren te worden bebouwd, of 

2) bij eenen geregelden vruchtomloop steeds onder den 
ploeg genomen. 

Het eerste bouwstelsel is wel algemeen in de oudste 
Dollardpolders ingevoerd , maar vermindert , hoe meer men 
de jongste polders nadert, terwijl men in de later bedijkte 
gronden bijna uitsluitend het tweede bouwstelsel toepast. 

In het eerste bouwstelsel zijn zeer verschillende vrucht- 
omloopen opgenomen, die moeijelijk alle te beschrijven 
zijn, daar de gronden er van zeer verschillenden aard zijn 
en de behoeften der landbouwers, die bijna altijd tevens 
zand- of zand- en veengronden bezitten , zoodat enkele hun 
bedrijf alleen op kleigronden uitoefenen, zoo ver uiteenloopen , 
dat daaruit de noodzakelijkheid ontstaat , om den vrucht- 
omloop naar den aard van hun bedrijf te regelen. In de 
nieuwe polders is de toestand van den grond meer gelijk 
en heeft men meer naar vaste regelen, die de ondervin- 
ding heeft voorgeschreven, kunnen handelen. 

Men* heeft daar, waar de kleigronden in de later be- 
dijkte polders zijn gelegen, bouwstelsels van drie-, vier-, 
vijf-, zes-, zeven- en negenvoudigen vruchtomloop, die 
meer of minder in gebruik zijn en waarvan sommige reeds 
spoedig tot de geschiedenis zullen behooren. De drie-, 
vier- , vijf- en negenjarige omloopen , zoo als die hier 
voorkomen, hebben de braak niet noodig, die in de zes- 
en zevenjarige nog is opgenomen, en in dat opzigt mag 
men de beide laatsten reeds van te voren als niet zeer voor- 
deelig beschouwen. 



Digitized by Google 



294 



1. In den driejarigen omloop heeft men : 

1. boonen bij rijen om de 5de of 6de vore, 

2. koolzaad, 

3. wintergerst. 

2. In den vierjarigen omloop : 

1. boonen bij rijen om de 5de of 6de vore , 

2. koolzaad , 

3. wintergerst, 

4. haver of zomergerst. 

3. In den vijfjarigen omloop: 

1. boonen bij rijen om de 5de of 6de vore, 

2. koolzaad, 

3. wintergerst, of, als 't vervriest, maartegerst, 

4. klaver, 

5. haver. 

4. In den zesjarigen omloop : 

1. braak of zomervalgen , 

2. koolzaad , 

3. wintergerst, 

4. haver of maartegerst. 

5. tarwe, 

6. boonen over 't veld. 

5. In den zevenjarigen omloop : 

.1. braak of zomervalgen, 

2. koolzaad, 

3. wintergerst, 

4. haver of maartegerst, 

5. tarwe, 

6. boonen over 't veld , 

7. tarwe. 

6. In den negenjarigen omloop: 

1. boonen bij rijen om de 5de of 6de vore, 

2. koolzaad, 

3. wintergerst, 

4. roode klaver, 

5. wintergerst, maartegerst of haver, 

6. boonen bij rijen om de 5de of 6de vore , 

7. koolzaad , 

8. wintergerst , 

9. roodc klaver. 



Digitized by Google 



295 



De eerste en tweede omloop is hoofdzakelijk in het bouw- 
stelsel van den Oostwolder , meer nog op den Finscrwolder 
polder opgenomen , en daar is de vierjarige omloop voor- 
deeliger , dan de driejarige , bevonden , daar de ondervin- 
ding toch heeft geleerd , dat men bij den vierjarigen om- 
loop gemiddeld 4 mudden koolzaad van het bunder meer 
inoogst , dan bij den omloop van driejaren; en dit mag 
wel zijn oorzaak daarin hebben , dat de grond bij den 
driejarigen omloop te los en te kruimelachtig wordt , om voor 
den zaadbouw geschikt te zijn. Het is dus niet te ver- 
wonderen , dat de driejarige omloop niet meer gevolgd 
wordt, dan door hen, die zich slechts met moeite van 
oude en gevestigde gewoonten weten los te maken. Men 
vindt in die vruchtomloopen geene voedergewassen; daar 
uit volgt, dat men die beide omloopen toepasselijk kan 
noemen, waar men geen vee houdt. Echter moet men 
toch altijd voor een gedeelte van deze omloopen afwijken , 
om gras- of klaverlanden voor de paarden te kunnen 
hebben, die toch niet gemist kunnen worden. 

De derde omloop vindt in Beerster Hamrik, op den 
Stads- en Kroonpolder wel zijne toepassing. Daar wordt 
de grond voor l / 3 met roode klaver bezet, en dit is zeker 
zeer doelmatig , waar vee wordt gehouden. De grond blijft 
er deugdzaam bij en men kan liet onkruid zoodoende wel 
uit den akker weren. 

De vierde en vijfde omloopen , die vroeger in het bouw- 
stelsel van de Midwolder polders waren opgenomen , wor- 
den weinig meer gevolgd, sedert men heeft leeren inzien, 
dat braak de deugd der kleigronden benadeelde en de 
opbrengst met % of / 7 gedeelte verminderde. 

De zesde omloop is in de laatste jaren door den Heer 
p. u. bürema van Midwolde in gebruik gebragt. Die is 
voor alle Dollardpolders, als de grond niet uit roodoorn 
bestaat, geschikt, doordien hij vooral de gronden niet 
uitput en het land niet door zaad- of wortelonkruiden 
vervuilt Echter is het toch noodig, zoo men dezen 
vruchtomloop voor eenen anderen wil invoeren, dat het 
land vooraf door braak van het onkruid worde gezuiverd. 

Zoo als men ziet , is deze vruchtomloop ruim met roode 
klaver voorzien , die door hare diepgaande wortels niet 
alleen vruchtbare zelfstandigheden van beneden naar boven 



Digitized by Google 



296 



trekt en die, bij het vergaan dier wortels, verder naar 
boven in den grond weder afzet, maar ook maken die 
diepe wortels den grond los, en het water dringt er ge- 
makkelijk in door. Kan de landbouwer zonder benadee- 
ling van het vee nu en dan eene snede klaver op het land 
laten verrotten , dan kan men alleen tweemaal achter 
elkander wit koren verbouwen , b. v. door maartegerst aan 
win tergerst te doen voorafgaan , wat buiten deze soort van 
bemesting niet verkieslijk is. Slaat het een of ander gewas 
af, dan is het noodig , dat men zoo spoedig mogelijk in den 
regelmatigen omloop zoekt terug te keeren (222). Vervriest 
het koolzaad, waarop men nu en dan wel mag rekenen, 
dan zaait men maartegerst en men komt in de 4de of 9de 
vrucht met roode klaver weder in den vruchtomloop terug. 
Daar wintergerst op de Dollardkleigronden niet na haver 
wil groeijen, wacht men zich vooral om bij het vervriezen 
van het koolzaad haver uit te zaaijen. De roode klaver 
slaat ook meer af, dan den landbouwer lief is, en hetzij 
deze klaver de 4de of 9de vrucht is, het best is het, om 
in den regelmatigen omloop terug te komen , dat men eerst 
boonen bij rijen om de 3de vore , dan gerst zaait , om daarna 
weder met de eerste vrucht van den omloop, met boonen 
bij rijen om de 5de of 6de vore , te beginnen. 

Daar deze vruchtomloop voor het % uit voedergewas- 
sen , uit roode klaver bestaat , is hij uitmuntend geschikt , 
om er de stalvoedering mede te vereenigen, die in som- 
mige opzigten voordeelig voor de landhuishouding is. 

Er zijn meerdere vruchtomloopen in gebruik, maar wij 
zouden te ver moeten uitweiden, om ze allen te beschrij- 
ven. Het is ook wel mogelijk , dat men op den duur an- 
dere vruchtomloopen zal toepassen, die den grond even 
duurzaam goed kunnen houden , maar zal die deugd niet 
verminderen, dan moet men op de Dollardpolders steeds 
zorgen, dat het aantal witkor en vruchten het aantal peul- 
vruchten niet overtrefte, daar de ondervinding onbetwist- 
baar geleerd heeft, dat dan het onkruid te veel toeneemt, 
om duurzaam op goede gewassen te mogen hopen. 



(222) Mislukken wordt dikwijls in betrekking tot den oogst genomen ; 
afslaan wanneer het gewas zoo slecht is, dat men ombouwt. 



Digitized by Google 



207 



Wat de bemesting der kleigronden aanbelangt, er wordt 
daar zeer ongelijk over geoordeeld. De bewering schijnt 
niet ongerijmd te zijn, dat eene bemesting van het bouw- 
land, wanneer men de mest dadelijk onderploegt, wel veel 
er aan toebrengt , om het bouwland zuchtig te maken. De 
mest toch is waterhoudend en de kleigrond blijft er voch- 
tiger door, dan zonder bemesting. Wijgelooven, dat, zoo 
zulks den Dollardkleigronden nut zal aanbrengen , het noo- 
dig is , dat des najaars de stoppels worden bemest ; dan is 
des voorjaars die mest zoo verteerd , dat er op het land 
geen spoor meer van is terug te vinden. Dwalen zou men 
echter, zoo men van eene najaarsbemesting van de klaver 
eenig voordeel verwachtte, daar de ondervinding heeft doen 
zien, dat de klaver dan veelal sterft. Daar, waar op de 
Dollardpolders de wisselbouwerij in gebruik is , heeft men 
geleerd , dat eene tweejarige bemesting van groenland den 
grond meer vruchtbaarheid bij het bouwen schenkt, dan 
door een vijf- of zesjarig weiden kan worden verkregen. 
In het algemeen is het zeker, dat op iedere soort van grond 
bij den wisselbouw het bemesten van groenland verre weg 
de voorkeur verdient, boven eene bemesting van het bouw- 
land zelve. 

Op de roodoorngronden kan men niet wel verbouwen 
zomer- en maartegerst; paardeboonen, roode klaver, aard- 
appelen en knollen gelukken in het geheel niet; maar 
tarwe, brabandsche rogge en witte klaver willen er goed 
op voort ; koolzaad en haver groeijen er bij uitnemendheid , 
en in dit opzigt verschillen die gronden wel van de milde 
kleigronden der laatst ingedijkte polders, die voor tarwe 
en witte klaver minder geschikt schijnen te zijn. De graauwe 
erwten — en dit is wel opmerkelijk — zijn, op de laatst 
ingedijkte polders verbouwd , des voorjaars nog los en 
meelachtig , zoo als men dit noemt , als zij gekookt 
zijn , terwijl zij van de roodoorn- , zoo wel als van zand- 
gronden, dikwijls zeer spoedig hard en bijna oneetbaar 
worden. 

De tarwe, op roodoorngronden verbouwd, hoewel zij 
geler is, kan zelfs, wat hare kwaliteit betreft, als zij da- 
delijk na den oogst gedorschen wordt, als baktarwe gelijk 
gesteld worden met jarige tarwe, die de klei oplevert, en 
het koolzaad van de roodoorngronden, dat wel eene min 



Digitized by Google 



298 



of meer roode kleur behoudt en nimmer de gitzwarte kleur 
van het zaad der kleigronden aanneemt, geeft gemiddeld 
wat olie per last meer, dan het zaad, dat de kleipolders 
oplevert. Het laatste zaad geeft echter meer koek dan het 
eerste, wat wel zeer natuurlijk is. 

Over het algemeen worden de roodoorngronden bemest 
en dan verzekeren zij een beteren oogst; daar, waar zij 
langs de grens van den ouden Dollard liggen en eene 
roode aarde hebben, die met darg vermengd is, worden 
zij soms 4 of 5 jaar geweid , om uit de zode een paar ha- 
vervruchten te geven. 

Wat de roodoorngronden betreft, die eene kniklaag on- 
der zich hebben, voor den landbouw schijnen zij geene 
hooge waarde te hebben, ten zij er de blaauwe, uiterst 
vruchtbare klei onder gevonden wordt, die men dan over 
het land verspreidt, waardoor het land een welige plan- 
tengroei en eene opbrengst wordt gegeven, die de 
Finserwolder polder niet kan opleveren. Men heeft er 
toch vier keer achtereen koolzaad verbouwd, dat in den 
jongsten Dollardpolder niet zal gelukken; terwijl er tevens 
alle gewassen, zoo als gerst, zaad, rogge, haver, tarwe, 
erwten , boonen , roode klaver en boerekool (moes) even 
goed gelukken, wat op de beste poldergronden in geenen 
deele het geval is. Is die blaauwe kleilaag niet te vinden , 
dan zijn de vruchten in den regel schraal en de gewassen 
tieren niet anders dan bij sterke bemesting; voor beweiding 
en hooiwinning zijn zij echter beter geschikt 

Is het kleiland door zucht aangetast, dan wil er geen 
enkel gewas zoo welig groeijen als op gezonde klei, en 
wil men, opklimmende van de gewassen, die er het minst 
tot die er het best groeijen , een overzigt daarvan geven , 
dan kan men de vruchten in deze volgorde plaatsen : 
maartegerst, wintergerst, haver, tarwe, koolzaad, boonen, 
roode klaver. 

Hieruit blijkt overtuigend, dat de kleigronden, welke 
met zucht behebt zijn, veel beter peul-, dan witkoren- 
vruchten opleveren, dat onder de eerste de roode klaver, 
onder de laatste de tarwe nog het voordeeligst is. Zelfe 
groeit de klaver tijdens droogte in het begin op kleigrond, 
die zuchtig is, weliger, dan op grond, die gezond is; 
maar toch blijft zij bij verderen groei kleiner en komt niet 



Digitized by Google 



299 

tot de hoogte, die zij op den laatsten grond kan bereiken. 
De opbrengst van alle gewassen staat op zuchtigen grond 
beneden het beschot, dat men van de gezonde kleigronden 
kan verwachten, zelfs als men in het stroogewas op het 
oog dat verschil niet kan bespeuren , zoo als tijdens drooge 
voorjaars en zomers wel eens het geval is. 

De Dollardkleigronden hebben, wat de schadelijkste 
onkruiden betreft , slechts één met de zandgronden gemeen , 
namelijk het Kweekgras (Agropyrum repens) , dit , het Hoef- 
blad (Tussilago Farfara) en Onnyt (Equisetum palustre) 
met de leem- en diluviale kleigronden. Riet (Pliragmites 
communis) groeit er even welig, als in de uitgeveende 
plassen. Gele en witte Kiek (Sinapis arvensü en Thlaspi 
arvensé), vilde Haver (Avena fatua) en zwart Gras (Al- 
opecurus agrestis), alhoewel ook elders gevonden wor- 
dende, zijn algemeene onkruiden der Dollardgronden. 
Onder deze onkruiden kan men rekenen, dat de groei- 
plaats van zwart Gras hoofdzakelijk de zuchtige klei- 
grond is; op de milde en losse Dollardgronden gedijdt 
het zwarte Gras niet welig. Deze onkruiden worden niet 
op al de Dollardpolders aangetroffen; maar met den ou- 
derdom der polders verminderen of vermeerderen sommige 
dezer schadelijke planten. 

De roode Remke (Fumaria officinalis) wordt in den Fin- 
serwolder polder veelvuldig gezien, maar vermindert met 
den ouderdom der polders en wordt niet meer of uiterst 
schaars waargenomen in de polders, die het eerst be- 
dijkt zijn. 

De gele Kiek , die hier en daar de eerst bedijkte polders 
zoo onuitroeibaar heeft ingenomen, neemt af, hoe jonger 
de polders zijn, en in den Finserwolderpolder wordt zij 
mogelijk wel niet gevonden. Overigens zijn in de nieuwste 
polders wilde Haver en zwart Gras de voornaamste en las- 
tigste onkruiden. 

Is het land met onkruid van de eene of andere soort 
bezet, dat zich bij eene doelmatige vruchtwisseling, zoo 
als vooral met de negenjarige het geval is, nimmer zal 
voordoen, dan is het hoogst noodig , dat men krachtige 
middelen aanwende, om dat onkruid te doen verdwijnen. 

Is de grond door Kweek bezet, dan is het noodig, dat 
men zomervalgt en tijdens den zomer bij droog weder 



Digitized by Google 



300 

vijf- of zesmaal ploegt , om 's najaars koolzaad te zaaijerr. 
Legt men het land op ronde akkers, dan vloeit het water 
zijdelings naar de meetgoten af, waardoor eene digtslem- 
ping van den grond bevorderd wordt, en het is zeker, 
dat het Kweekgras daar eene welige groeiplaats vindt. 
Vlakke akkers zijn ter voorkoming van dat gras daarom 
zeer verkieslijk. Het zoogenaamde woelen der gronden, 
dat vooral uit het oogpunt van het droogleggen der ak- 
kers , zeer belangrijk is , geeft tevens het voordeel , dat de 
groei van het Kweekgras er aanmerkelijk door wordt be- 
lemmerd. 

Om het Hoefblad, dat te veel uitgemergeld land, als 
het niet met de zucht aangedaan is, bij voorkeur bezoekt, 
te doen verdwijnen , heeft men wel eens voorgesteld , om 
de plaats, waar het groeit, twee jaar lang, diep met stroo 
te beleggen, en inderdaad de ondervinding heeft doen zien, 
dat dan het Hoefblad sterft. De lucht toch wordt van de 
planten afgesloten, het licht ontbreekt, en zonder lucht en 
licht ontvliedt de levenskracht aan de planten. Dit middel , 
hoe wel het ook aan het doel beantwoordt , is onaanwend- 
baar, zoo het Hoefblad een stuk land van eenige uitge- 
strektheid heeft bezet Dan kan men het dooden, door 
na het zomervalgen geen koolzaad te bouwen, maar 
nog een paar maal te ploegen , en in het volgend voorjaar 
haver te zaaijen. Is het land nu eenigzins uitgemergeld, 
waarvan Hoefblad wel een aanwijzend teeken is, dan kan 
men boonen bij rijen om de derde vore , daarna gerst ver- 
bouwen, om met boonen om de zesde vore in de hier 
voor genoemde, een-, twee-, drie- of zesjarige omloop- 
stelsels terug te komen. 

De wilde Haver, die een zomergewas is, tiert het we- 
ligst, als het 's winters fel heeft gevroren; dan toch is 
voorjaars de grond mul en los en dit bevordert den groei 
van dat schadelijk onkruid. Ook schijnt het, dat het ver- 
bouwen van haver den groei van wilde Haver begunstigt 
Men kan dit onkruid verminderen, door late zomergewas- 
sen te zaaijen op land, dat men bultig heeft laten liggen. 
Tegen zomervalgen is het niet bestand, maar daarvoor 
verdwijnt het. 

De gele Kiek is een onkruid, dat buitengewoon moeijelijk 
te verdrijven is; het zaad, dat betrekkelijk rijk aan vette 



Digitized by Google 



301 



olie is , behoudt , naar 't schijnt , lange jaren zijn ontkie- 
mingsvermogen. Men heeft op gronden , die er sterk mede 
bezet waren , wel eens de proef genomen , om 4 of 5 jaren 
achter elkander aveelzaad te verbouwen, en de ondervin- 
ding heeft doen zien, dat dit verderfelijk onkruid, zoo het 
niet geheel verdween, dan toch belangrijk verminderde. 
Immers het aveelzaad is vroeger rijp , dan het zaad der 
gele Kiek; er wordt dus geen nieuw zaad gevormd en 
het oude , dat in den grond aanwezig was , vermindert door 
den jaarlijkschen opslag. Land , dat met dit onkruid bezet 
is geweest en waar men het door het een of ander middel 
heeft uitgeroeid , zal lange jaren daarna weer op de akkers 
langs de sloten een digt gewas daarvan opleveren , zoo 
men bij het graven der sloten de aarde, die daardoor 
wordt verkregen , op die gedeelten der akkers werpt. 

Het Onnyt is een boosaardig onkruid, dat voor het vee 
vergiftige eigenschappen heeft. Het wordt alleen in de 
oudste Dollardpolders aangetroffen, in de nieuwste polders 
vindt men het schaars. Het is een onkruid, dat het wei- 
land uiterst veel schaadt, in bouwland is het minder te 
vreezen. 

Het Riet wordt in de oudste polders veel meer dan in 
de nieuwere gevonden, waar het bijna niet wordt aange- 
troffen. Hoofdzakelijk worden de wortels er van bij het 
graven der slooten op de zijdakkers geworpen en daar 
tiert het welig. Het is zeer nadeelig voor den groei der 
gewassen en moeijelijk te verdrijven, daar het afmaaijen 
de wortels niet doodt, die even welig weder uitspruiten. 
Blijft het land echter groen liggen en wordt het beweidt, 
dan sterven de Rietplanten zoowel als de wortels. Het vee 
toch trekt de bovenscheuten uit; er blijven buizen, die 
door de buitenbladen worden gevormd, over; die buizen 
worden bij dauw en regen door water gevuld en men zegt, 
dat hierdoor zoowel de planten als de wortels sterven. 

De gewone Stiekel (Cirsium arvense), zoo als deze 
distel bij ons algemeen genoemd wordt, is een onkruid, 
eigen aan de kleilanden, vooral tijdens het eerste jaar, 
dat het bouwland groen blijft liggen. Het uittrekken de- 
zer planten, voor dat de bloeitijd is geëindigd, of het af- 
maaijen is zeker een best middel, om dat onkruid uit te 
roeijen, en men heeft het voordeel, dat het hooi, dat die 



Digitized by Google 



302 



planten tijdens zij jong zijn oplevert, door de paarden met 
graagte wordt genuttigd , die het hooi van oude Stiekels niet 
smakelijk vinden. Veelal bekreunt echter de landbouwer 
zich in dit opzigt al te weinig omtrent zijn grasland en 
niet zelden vormen zijne graskampen een' waar stiekel- of 
distelbosch. 

In het houtgewas treden hoofdzakelijk twee boomen , 
die het zand graag bezetten, van de klei terug, en welde 
Eik en de Berk; zij schijnen er beiden, ook met de meeste 
zorg voor hunnen groei , niet te kunnen leven. De Populier- 
soorten en vooral de uritte, de Abeel, evenals het IJpen- 
hout, tieren er zeer welig. De Esch, Els en Wilg groei- 
jen er vrij wel, maar de Den bevindt er zich niet op 
zijne plaats. 

Onder de vogelen wordt er de Nachtegaal gemist; de 
insecten, die deze zangerige vogel behoeft, schijnen er niet 
gevonden te worden. 

Hazen zijn er in den regel veel, maar zij zijn lichter 
van kleur, dan op de heide, en minder smakelijk, door 
dat het voedsel , hoofdzakelijk uit koolzaad- en moesblade- 
ren bestaande, een eigenaardigen smaak aan het vleesch 
geeft. 

Vossen dolen er veel rond, maar het hapert hun aan ho- 
len in den grond , om er een duurzaam verblijf te kunnen 
houden. 

Veldmuizen zijn er dikwijls veel talrijker, dan op zand- 
grond en het nadeel, dat de bouwakkers en het grasland 
van dit ongedierte lijdt, is dikwijls aanzienlijk. 

In de nieuwste polders worden geene Kikvorschen ge- 
vonden; de Finserwolderpolder , die in 1819 is bedijkt, 
heeft thans bij uitzondering enkelen, die daar bij toeval 
verdoold zijn geraakt. In de oudste polders zijn zij talrijk 
en wat hun geluid ook verraadt, grooter en zwaarder dan 
in de poelen en plassen van de zandgronden. 

Hagedissen, Watersalamanders (223), Slangen en Addtrs, 
de bewoners der veenen , worden op de alluviale Dollardklei 
niet gevonden, alhoewel het eerstgenoemde tweeslachtige 



(232) Watersalamanders hebben wij iii deze provincie alleen te Stads- 
kanaal aangetroffen; de oostelijke Wcsterwoldschc veenen schijnen dat 
dier te missen. 



Digitized by Google 



303 



dier nog op de diluviale zandheuvels soms aan de grens 
der alluviale klei voorkomt In de nieuwste polders, zoo 
als in den Finserwolderpolder, treft men nog geene andere 
visch dan Aal aan, en deze is er nog schaars. De binnen- 
bermsloot heeft nog Krabben , Konings en Stommels (bl. 245). 
De oudste polders hebben in hunne wateringen veel soor- 
ten van visch ; de Kruis- en Blaauwkarper , de Meunen , Grond- 
jes en Zeelt, die men hier Slei noemt, zal men er in het 
geheel niet of schaars in vinden; over het algemeen is de 
visch er minder smakelijk, maar de Aal er veel vetter, 
dan in het stroomend water der zandgronden. 

Het put-, bron- of welwater is in geen der Dollardpol- 
ders drinkbaar voor menschen; de bewoners dier streken 
gebruiken niets anders dan regenxoaler, dat zij zelfs veelal 
de voorkeur geven boven het putwater der zandgronden. 



Digitized by Google 



BIJLAGEN. 



No. L 

Overeenkomst van eenige Reiderlander en Oldambtster Hovelingen 
nopens de grensscheiding, wateren, zijlen en dijken 
van deze beide Landschappen. 

1391. 

In nomina Dei Amen. Anno nativitatis eiusdem M.CCC.XCI., 
Indictionis tredecime, mensis Iuny die vicesima prima, hora 
vesperarum vel quasi, Pontificatus sanctissimi in Christo Patris 
ac Domini nostri, Domini Martini, Divina providentia Pape 
quinti, anno suo tertio, in mei Notarii publici, testiumque inf'ra 
scriptorum ac specialiter vocatorum rogatorumque presentia, 
personaliter comparucrunt quam plures nobiles et discreti viri, 
nee non illustres Capitanei territoriorum Rederlancium et Old- 
ampte , produxerunt et presentaverunt coram me unam rullam 
vel litteram antiquam amborum territoriorum valde utilem et ne- 
cessariam , competenter et bene sigillatam , et utiliter et magistra- 
liter cum dictura munitam. Aliud etiam petierunt a me fieri 
unnm instrumentum ne de cctero ab eorum successoribu3 inter 
eos fieret altricatio et confusio de divisione prediorum ad unura- 
quemque per rivulorum aquarum meatus ac situs eorundem. 
Ne vero nature humane fragilitas, temporiaque continue currentis 
posteris afiuturis obliviosam induceret confusionem, pariterque 
et errorem, dicta et facta solent quandoque scripturarum testi- 
monio autentico ad perpetuam rei memoriam perhennari, ut 
eadem necessitas desiderat pro fluxu temporis continue presen- 
tentur (*). Ac ille tenor , nulle sine contrario , de verbo ad ver- 



(*) Voor presententur denkt driessen , dat waarschijnlijk zal moeten 
gelezen worden currentis; evenwel blijft de zin hier en daar wat duister. 
Het woord nulle , in denzclfden regel , zal misschien moeten zijn rulle , 
hetzelfde als boven in den negenden regel. 



Digitized by Google 



305 



bum, de principio ad finem, sequitur et est talis, in perpetuum 
servandum sine contradictione et revocatione : 

Wy egge addinge in Westerwolde , frala bomeka 'mBunda, 
wyneko in Ockeweer, campo in Berum , liwert ha yens in 
Berda, in Terra Redens Capitales; tammo gockinga in Suid- 
broeck, düyrt sibinga, hemmo üuinynga, sebo ennens in 
Scheemda , tyacko tyddinga in Exta , in Terra Oldampte , 
Capitales, ut ulterius lucidius patebit intuentibus ac lègentibus. 
Acta et facta sunt hec , Anno , Indictione , mensis hora et Pon- 
tificatus quibus supra, testibus ad preraissa vocatis et rogatis(*): 



(*) Wij geven hier de volgende vertaling van deze latjjnsche notariële 
verklaring voor dit stuk , luidende die voor het volgende stuk van 1 420 , 
met eenige verandering en verkorting , bijna cvenzoo. 

„In naam van God Amen. In het jaar zijner geboorte 1391, van de 
„13de Indictie , den 21 Junij, in of omtrent de vesper , het 3de jaar van de 
„in Christus allerheiligste regering van onzen Vader en Heer, den Heer 
„ martinus , als Paus door do Goddelijke voorzienigheid, de vijfde, zyn 
„voor mij openbaren Notaris en ondergeteekende , bijzonderlijk daartoe 
„geroepene en gevraagde getuigen, persoonlijk verschenen verscheidene 
„ edele en eerzame mannen , als ook voorname Iloofdlingen van Reider- 
n tand en Oldambt, en hebben mij overgelegd en vertoond een rol of 
„ouden brief van beider landen grondgebied, die zeer nuttig en noodig 
„is, goed en wel verzegeld en behoorlijk met eene verklaring voorzien. 
„ Zy* hebben voorts mij verzocht een ander stuk te vervaardigen , opdat 
„bovendien onder hunne opvolgers geene twist en verwarring mogt ont- 
staan over de scheiding van de landerijen, aan elk hunner toebehoo- 
„ rende, door den loop en staat der waterleidingen. Opdat toch de broos- 
„heid der mcnschelijke natuur en van den immer voortgaanden tijd bij 
„de nazaten door vergetelheid geene verwarring noch dwaling aanbrenge, 
„is men wel gewoon woorden en daden door een echt schriftelijk bewy's ter 
„ceuwigcr geheugenis duurzaam te maken, zooals dezelfde noodzakelyk- 
„heid vordert naar den loop van den immer voortsnellenden tijd. En de 
„ inhoud daarvan is van woord tot woord , van het begin tot het einde als 
„volgt, om ten allen tijde te worden nageleefd, zonder tegenspraak en 
„weerzeggen: 

„Wij egge addingb in Westerwolde , frala noMEKA te Bunda, wij- 
„ hbko teOcketoeer, campo te Berum, liwert iiayens taBcrda, Hoofd- 
„lingen in Reiderland; tammo oockinqa te Suidbroeck, duyrt siniNOA, 

„ HEMMO HUINYNGA , SEBO ENNENS te Scheemda , TYACKO TIJDDINGA tC 

„ Exta , Hoofdlingen in het landschap Oldambt , gelijk verder nader zal 
„blyken aan allen, die deze zullen zien en lezen. Gedaan in het jaar , 
„ de Indictie , de maand en het uur van de Pauselijke regering als boven , 
„ onder getuigen tot het voorzeidc geroepen en gevraagd : n 

De aan het slot van hef stuk voorkomende latijnsche regelen behelzen 
niets anders dan de ondertcekening van den hier genoemden notaria 

BARTOLDITS BAERLTNOIPS. 

20 



Digitized by Google 



306 



Dit is dat begrijp liederlandes ende Oldamptes by Wolden ende 
by scheydinge beyder Landen voorscr. ende der Stichten, als 
Osenbrugge ende Munster, mit thyamen, rivieren ende zypen, daer 
toe lopende uyt beyden Landen , stedes ende vast tot ewigen 
dagen te holden, so als de geniaecket sint in voortyden, om 
nutticheyt ende noot der Landen voorschr. ende hier nae be- 
schreven staen. 

1. In den eersten, om watersnoot in den Olden ampte, so 
sal men toeslaen die Finser Ee op Sinte Peters avent in der 
vasten, ende sal weder opgedaen worden op alle Godes Hilli- 
gen avent, in alsulcke manieren als voorschr. is. 

2. Item die Zype is een rechte scheydinge beyder Landen 
ende Stichten voorschr. tusschen der Ext, Schemde; ende dat 
Convent der Hüligen Lee salmcn toeslaen te dreen steden op 
sinte Peters avent ad Cathedram, ende weder opdoen op sinte 
Michaels avent, ende sal uytwateren door den Zyl, die door 
den Santwech gaet, ende voort in Adden sloot ende voort in 
den Zytwendinge ; ende dese voorschr. Zyl sal wesen twee voe- 
ten wyt ende twee voeten hooge in den loop van water. 

3. Die Exter ende Schemeder bueren ende dat Convent ter 
Heyliger Lee sullen den Zyl gelyck staende holden, want zy uit 
der Zypen daer gelyck doorwateren , ende des Convents Iant 
daer besonderlinge doorwatert uyt den nyen off Monickesloot ende 
ander rivieren des Convents ende buerschappen voorschreven. 

4. Die Santwech sullen holden die Exter bueren , hent aan die 
Zytwendinge, wantet een principael wech is uyt der Ext, ende 
voortaen dat Convent ter Heliger Lee met den voorwareken ende 
bueren in Westerlee. 

5. Item Heer eppo, Provcst in der tyt ter Heyliger Lee, 
ende Heer ziardüs, kerekheer in Westerlee, van des Conventes 
ende der voorwareken ende Westerlescher bueren wegen , hebben 
verworven van den gantschen Landen van Oldampt by Wolde, 
ende vol daer voor gedaen, dat oir water tot ewigen dagen 
door dat Oldambt mede mach uytwateren ende lopen in oer 
watertochten in de Ee, ende voortaen uyt door die Zylen ter 
Munten. 

6. Item op dit voorschr. verdrach heeft dat Convent ter 
Heliger Lee den nyen sloot van dat Convent dale graven laten 
door des Convents lant, an beyden zyden ten water, ende door 
den Zyl, die door den Zantwech lecht, ende so voortaen door 
Adden sloot uyt ter Munte , als voorsch. is , ende desen nyen sloot 
ofte Monicke sloot (so geheten) sal dat Convent oock toeslaen 
op sinte Peters avent voorschr., ende weder opdoen op sinte 
Michaels avent. 

7. Item de Zytwendinge, gelegen htiyten den Zantwech aen 



Digitized by Google 



307 



Adden sloot, is oock de rechte lant off Hammerick scheydinge 
der voorschreven Landen ende Stichten; ende die Westerleester 
sullen die voorschr. Zytwendinge staende holden buyten der Lande 
schaden. 

8. Item Thyartsa Zyl ende Ubbinga Zyl, die beyde gelegen 
sint in der Exter Hammericke door den Eedyck, die sullen elck 
vyff voeten wyt wesen van waterloope; die sullen die Exter 
bueren staende holden. 

9. Ende dagelycx salmen den Eedyck heel toe holden al om 
in den Swage, buyten der ganscher Lande schade. 

10. Also wal sullen de Scheminge, Midwolde, Oostwolde bue- 
ren den Folckerdewal toeslaen ende holden buyten des gantschen 
Landes schaden. 

11. Ende al man syn Zylen toe holden soo vast ende soo 
starck, dat den gantschen Lande geen schade en schie. 

12. Item de Letze off die Zyp, oock alsoo geheten, gelegen 
tusschen die Westerlee ende de Medum, dat oock de rechte 
Hammericke ende lantscheydinge is der Westerleester ende Met- 
mans ende beyde Stichten ende Landen, sal oock toegeslagen 
wesen op die voorschr. Petri avent, ende weder opdoen op 
sinte Michaels avent, ende uytwateren in de Zytwendinge ende 
voort door die hemmericke toe den Zyl Ter Munte. 

13. Ende de hooge dam, tusschen Westerlee ende Meden, 
sal oock toeslagen wesen ende soo starck toe holden , dat daer 
geen schade van en kome. 

14. Item Renehe groepe, alsoo geheeten, by Meermanne kerck- 
hove, sal stelicke toegeslagen wesen, tusschen sinte Peters 
dage ende sinte Martens dage. 

15. Item al dat moer op de Meden , ende al dat moer , dat 
om dat Convent ter Heyliger Lee lecht , dat sal beslagen we- 
sen, dat den ganschen Lande geen schade en geschie. 

16. Item dat Revier off Zypen, gelegen tusschen Meden ende 
Muntendam, sal oock toegeslagen wesen ende opgedaen wesen, 
gelyck de anderen voorschreven. 

17. Ende de hoge dam. oock aldaer in sync volle macht 
to holden buyten des Landes schaden. 

18. Item al dat moer om Muntendam, ende alle watertoch- 
ten tusschen Muntendam ende Broehe, die van oldes niet en 
plegen to wesen, salmen al te samen toeslaen, dat den Lan- 
den geen schade en geschie. 

19. Item Hilliho groepe sal oock toeslagen wesen, als die 
anderen rivieren voorschreven. 

20. In de Burge toe Nortbróke al man syn also vaste toe 
holden, dat den gantschen Landen daer geen schaden van en 
schie. 



Digitized by Google 



308 



21. Item de Thyamme begint uyt Tydwyneda borch in de Wy- 
neda ham , ende loopt op , voorbey Rederwolda , ende voort door 
Meggeham, ende door Torptsen, voor by sinte Nicolaus kercke 
in Oostfinserwolde west in, voorby Finsterwolda , Oostwolda, 
Midwolda, tasschen Bertsather ende Wintschoter mit haren par- 
ten, die aen der zuyder zyt der Thyammen liggen gelandet, ende 
streeket voort, over dat moer, recht westwert in de Zype, die 
gelegen is tusschen Schemeder, Extinger ende dat Convent te 
Heliger Lee, ende voort aen dat smalle steenhuys in der Op Ext, 
geheten Nemeke Eppens Steenhuys , went an den Zantwech. 

22. Dese Thyamme uyt Tydwynedaborch in de Zype dale, hent 
aan den Santwech, dit is de rechte scheydinge tusschen beyden 
Stichten ende Landen voorschreven , ende scheydet alle Ham- 
mericken ontwee van beyden Landen, die tusschen Tydivyneda- 
borch ende den Santivech gelegen sint; ende al wat aan die 
noorder zyde der Thyamme ende Zype licht, dat is Oldampte 
ende wat lande aan de zuyder zyde der Zype ende Thyamme 
licht, dat is Reyderlandes ; ende des Convents lnnt lecht an de 
zuyder zyde der Zype langes, went aen den Santwech, ende 
alle Hammericke , soo voort aen van beyden syden streckende 
aen de Zype ende Thyamme voorschreven. 

23. Ende voort aen wat lande aen der norder zyde der Zyt- 
wendinge licht, dat is Exter Hammerick, ende dat landt, dat aen 
de zuyder zyde der Zytwendinge is, Westerleester Hammerick, 
gelegen buyten den Santwech. 

Onderzont 

Et ego bartoldus baerlingids, Clericus Traiectensts Dioce- 
sis, publicus Imperiali auctoritate ac ordinaria admissione No- 
tarius, quia premissis omnibus et singulis, ut sic premittitur, 
fierent et agerentur, una cum prenomiiiatis testibus presens in- 
terfui, eaque sic fieri vidi et audivi, ideo hoe presens publi- 
cum instrumentum ex inde confeci , subscripsi , et in liane pu- 
blicara formam redegi, signoque et nomine meis solitis et 
consuetis, rogatus et requisitus in fidem et testimonium omnium 
singulorum premissorum. 

Gecollationeert neffens seker boeck in quarto ende daer mede 
accorderende bevonden, per me 

j. van eeck , Secret. (*). 



(*) Dit stuk , voorbanden in drie gelijkluidende afschriften of exem- 
plaren in het Groningsen Archief en ook op het Register daarvan, uit- 
gegeven door den tegenwoordigen Archivarius der provincie Groningen , 
Mr. ü. o. pkith, D. I, bl. 37, onder N°. 3, op het jaar 1391 vermeld , 



Digitized by Google 



n°. 11 



De vorige overeenkomst met eenige veranderingen hernieuwd. 

1420. 

In noinine Domini Amen. Anno a nativitate diïjch MCCCCXX 
indictionc nndecima , die quinto Sabbathi Mensis Aprilis , Pon- 
tificatus sanctissimi in Cbristo Patris et Domini nostri Martini 
Pape quinti , anno suo decimo , in mei notarii publici ac testium 
inscriptorum ad hoe specialiter vocatorum et rogatorum presen- 
tia, personaliter comparuerunt quam plures et nobiles nee non 
illustres viri Capitanei tutores Reiderlandae ac ctiam Olden- 
amptes et produxerunt & portaverunt ad me unam rotulam , in 
qua erat scriptum divisio praediorum multorum territoriorum et 
ad futura praecavenda pericula petierunt a me, ut facerem pu- 



ia hier medegedeeld, zoo als het reeds gedrukt zich bevindt bij driessen,. 
Monum. Gron.j III, 423—433. Deze voormalige Groninger Archivarius 
teekent er o. a. bij aan, dat de notariële verklaring, welke deze over- 
eenkomst voorafgaat, niet wel op het jaar 1391 kan zijn afgegeven, daar 
de hierbij vermelde dertiende Indictie en het derde jaar van Paus mar- 
tini s V later invallen en wel op het jaar 1420. Hij houdt het daarom 
voor waarscbijnlijk , dat dit het later vernieuwde stuk van dit jaar en 
niet het eerste van 1391 is, zoo als er, gelijk gezegd is (bl. 9), twee 
van die beide jaren bestaan. Emmiü8 vermeldt beide uitdrukkelijk op 
die jaren, en wel, naar 't schijnt, uit eigen aanschouwing. Zie zy 0 * 
Rer. Fris. Bist. XV, 222 cn 223. Wij hebben echter gemeend, even 
als de heer feith, dit stak tot het eerstvermelde jaar 1391, overeen- 
komstig het jaartal , dat aan het hoofd staat , te moeten brengen , even 
als het volgende, onder Bijlage II, tot het jaar 1420, schoon ook het 
jaar 1420 geenszins strookt met de nadere opgaaf van de elfde Indictie en 
het tiende jaar van genoemden Paus aan het hoofd van de notariële ver- 
klaring voor dit tweede stuk geplaatst. Er schijnt hieromtrent in de af- 
schriften dezer verklaringen oene verwarring te heerschen, gelijk er ook 
verschil bestaat in de namen der personen, door wien dit verdrag is go- 
slotcn, tusschen de opgaaf hiervan in het eene zoo wel als het ander 
stuk cn die welke emmiüs uit dat van 1391 geeft. 



Digitized by Google 



310 



blicum instruinentum , ne de cetero a nostris suecessoribus fieret 
altercatio confusio in territoriis; tenorem istius rulli scripsi de 
verbo ad verbum a principio usque ad finem. 

Dytt is unnd Recht des gantzen landenn, dat plcge to wesen 
in den oldenampten by woldato den gantzen Landen beste unnd 
dat voir waters noden und alman dat stedelick und vast sall 
holdenn, ellick in sin clufft offt in sin Recht als dat hort. Item 
in dat erste dat de fnmell Ee sall to slagen wesen up sünt Pe- 
ters avent in der vasten und sall weder up daen wesen up alle 
gades hilligen avent, oick also wall sall to slagenn wesenn alle 
olde tiammingen offte wateringe als hirna beschreven steit, und 
in den oldeampten all umb belegen sint by woldenn. 

Item de Sipe also gehetenn de gelegenn is tnschen der Ee 
und schemde, unnd dat convent to hilligerle und oick en sche- 
dinge is der beider stichten vann Munster und van osenbrugge, 
dat tuschen den olden ampte und Reiderlandt is gelegen, de is 
oick er water ut dragenn an den nyenn sloet offte monckensloet 
so geheten unnd gando is in Reiderlandt unnd van dat convent 
to hilligerle daellopen is an de santwech. Item de vorss. Sipe 
sall to slagen wesenn up dreen steden up sünte Peters avent 
und sal weder up dan wesen up sünte Michaelis avent Item 
oick ander cleine Reveren de mogen waternn oick in de nien- 
sloet offte monckesloet also geheten , etlick nha horen loep datze 
nemant gen schadenn. Item neysloet do van dat convent to 
hilligerle daell graven is dair dat convent landt van beden ziden 
an de sandwech unnd des convenis watertocht is unnd in Rei- 
derland gelegen is, wente dat convent to hilligerle gaussliche 
alheel gelegen is in Reiderlandt vorschreven. Item so sall de 
vorss sloet oick to slagen wesen up sünt Peters avent und sall 
weder up dain wesen up sünt Michaelis avent. Item dese vorss 
Reveren als de Sipe und de Neysloet und oick ander clene 
Reveren vorss de sullen oer water tosamen ut dragen an den 
siell de dair geit doer denn sandwech und vort an Addensloet 
Item de Siell de dair gait doer denn sandtwech, de sall wesen 
van watcrloep twe voete wyet und twe hoich. Item de sand- 
wech is utgande van der Exte van den wego de doer de Exte 
geit vort na der gast tho westerle und vort an beneden der gast 
na de meden. Item Addosloet licht by der westerzidt des Sand- 
weges aldernaest und cntphanget do wateringe de doer den 
Sandwech doer de Ziell is lopen ute nye sloet unnd van der 
Sipe vorss is comen, unnd vorss sloet is vort an waternn an de 
Suidwendinge, is vort an water an de Ee na Bruick unnd de 
Ee is vort an Wateren na den Schwaig und vort an to den 
siell to Munte de alle Oldcampts wateren utdragen. Item de 
Letze otftc de Sipe also geheten , de gelegenn is tusschcn meden 



)igitizèd by Google 



311 



und westerle und oick en schedinge tusschen beide Stichte offt 
Lande als vorss is, de sal oick to slagen wesen up sunt peters 
avent und sall weder up dain wesen up sunt Martens avent, 
und de vorss Letze offle Sipe also geheten salT oer water ut 
dragen in de Sydtwendinge , In Reneke Grupe by mede Kerch- 
have , de sall stedelich to slagen wesen tusschen sunt peters dage 
und sunt Martens dage und de hoge dam sall oick to slagen 
wesen als vorss is, dat nemant gein schade en sche. Item alle 
ffeen de upte meden is de sall beslagen wesen dat dair gein 
schade van came. Item oick alle dat feen om dat doester to 
hilligerle licht. Item de Sipe offte dat Rever dat gelegen is 
tusschen meden und Broick offt Muntendam sall oick to slagen 
wesen als vorss is. Item Muntendam und alle ander water- 
tochten de sint tusschen Muntendam und Bruck de van olders 
plegenn to wesen de sallm to slaen , dat daer gein schade van 
en sche. Item de brugge to Bruck, de salm altydt heel holden 
sunder schadenn, also wall sullen de Exter buren de Sudtwen- 
dinge to holdenn heel, dat den gantzen lande gein schade en 
daer van kame dachlix; de Ee dyck sall allemann syn heel hol- 
den buten schadenn alle umme in de swage also wall sullen 
Scheemder und Mitwolder und Oistwolder buren den ffalcker 
dam wol to slain dat nement gein schaden enn sche und 
alman synn sile to holden so vast so starck, dat dair nement 
gein schade en sche. Item so plegen dair to wesenn twe Sile 
in der Exter Hamrick doer den Ehedyck in de Ee, de heet 
Tiartzenziel de heet Ubbinga ziell unnd elck sall wesen viff 
rothe wyt. Item de Tjamme de uit gainde vor by Reiderwolde 
by Twiddinga Borch tusschen Meyham unnd wiveldaham und 
doir dorpsenn, vortan uplopende vorby Sunte Niclaes Kercke 
van Oistfinsterwolde unnd vortan tusschen ffinsterwolde und de 
Beerte und dan vortan und vorup in dat Zuden unnd doer dat 
gantze meir inde Zipe de gelegen is tusschen der Exte und 
Scheemde und hilligerle als vorss is. De vorss ïiamme is ewich 
und wairachtige schedinge tusschen Reiderlandt uud Oldenampte 
offt der beiden Stichten. Item vorss puncten sinnen behoeff to 
holden an beiden Siden der landen otft der beiden Stiftten vorss 
ofïle dat landt by wolden in syn staet staen sall und mit guder 
luden hulpe, wente behoeff is dat beste luden des landcs dat 
beste an sein. 

Acta & facta hoe Anno indictione mensc pontificatus quibus 
s. In praesentia discretorum virorum viij hic postea nominato- 
rum positorum ad hoe voeatorum & rogatorum plurimorum alio- 
rum, Eggo Addinga in Westerwolda, Gata Nomneka in Bunda, 
Wimcke in Ockoweir, Campo in Bcrum, Wyawert Hayens in 
Ulsda terra Reidensi capitanei, Elt Gockinga in Zuetbruick 



Digitized by Google 



312 



Capitaill, Duert Zebinga in Midwolda, Hemmo Hunninga in 
Oestwolda, Ecka Tamminga in Scheemde , Tiacka Tiddinga in 
Ext. Item 80 is dair oick en vry wilkoir und verdrach ge- 
macket van den hovelingen und van den besten an beiden ziden 
unnd van den gantzen meinte van den Oldenampte und Reider- 
lande, dat nement zal den andernn lastich wesen offt schade- 
lick in den anderen landen van beiden Ziden offte in beiden 
stichten in erve beesten en personen. Wer dat saicke , dat dair 
schege enich gewalt uit dat ene landt in den anderen de sal 
verboert hebben uit synn Guidt hundert fransche Schilde to den 
landes besten ann unnd ein geschein is, de helfte unsen gnedi- 
gen hernn van Munster offte van Osenbrugge elck in syn eigen 
sticht alse dair dat in gescheinn is offte to behoert und de macht 
und dat gewalt mit gantzen lande to kere unnd vor an unsen 
gnedigen Hernn an to ropen als de Bisschop van Munster offt 
de Bischop van Osenbrugge mit oren Ridderschup und dat gantse 
Capitull van beiden stichten also datse uns to hulpe kamen unnd 
de macht und dat gewalt dale to leggen und ore sulvo stichten 
to beschermen uud to corrigeren als dat behort. 

Copia als eyns ludende mit sinen principaell etc. etc. 
Op de rugzijde staat: 

Rechticheiten an etzliche dorper und grentze im olden ampte 
to der graveschup Ostfrieslandt behorig (*). 



(*) Dit stuk is in twee meer of minder gelijkluidende afschriften aan- 
wezig in het Archief te Aurich en daaruit afgedrukt, zoo als wij het 
hier overnemen, in het werk van h. suür, Gcsch. der ehemaligen Klösler 
in der Provim Ostfriesland , Emden, 1838, S 131 — 135. Gelijk dries- 
sbn gecne kennis heeft gedragen van dit Oostfriesche stuk , zoo omge- 
keerd ook scür niet van het Groningsche en hy* vergelijkt den inhoud 
van het eerste alleen met hetgenc schotanus in zijne Friesche Geschie' 
denis over beide stukken van 1391 en 1420 heeft medegedeeld, d.i. naar 
kmmiüs, t. a. p., in de voorgaande aantcekening op Bijlage I. 



Digitized by Google 



m in. 



Uittreksel uit een Register van de Friesche kerspelen in deze 
Provincie en het naburig Oostfriesland, onder het Bisdom 
Munster , inhoudende die, welke tot de Proostdijen 
Farmsum en Hatzum of Nes behoorden , uit 
de laatste helft der \hde eeuw. 

Sedes VI. in Fermissum (*). 

Fermissum (Farmsum) .... XVIII. Schilling. 

Weywert (Weiwerd) X. — 

Henskenze (Heveskes) .... X. — 

Oterdnm (Oterdum) XV. — 

Berckwene (Borgsweer) ... X. — 
Conventus in Metna (Grijze-Monnikenklooster). 
(Berta Claustrum) (f). 

Waldemandorpe (Woldendorp) . VIII. — 

Minor Metna (KI. Termunten) . X. — 

Major Metna (Gr. Termunten) . XVI. — 

Astwinserwalda (Oostfin serwolde) XVI. — 

WestwinserwaldafWestfinserwolde) XVI. — 
Swaghe (Zwaag). 

Astewalde (Oostwold) .... XIII. — 

Andwalde (Midwolda) .... XVI. — 

Stemmeda (Scheemda) .... XI. — 

Exta (Eexta) VIII. — 

Extengamedum (Meeden) . . . VI. — 



(*) Dat is dc zesde Proostdij van Farmsum, zoo genoemd naar de 
hoofdplaats daarvan , gelijk het volgende opschrift Sedes VII enz. aan- 
duidt de zevende Proostdy te Hatzum of Nes, en de woorden van het 
laatste opschrift: Ecclesiae vacantes enz., de vakante kerkdorpen, die 
naderhand alle zijn vergaan. 

(t) Door dc hand van kindlinoer met potlood hier tusschengevoegd , 
doch ten onregte, zooals aangetoond is, bl. 41. 



Digitized by Google 



314 



.Suderbrock (Zuidbroek) . . 


tri t r 

. VIII. 


f? _1_ "11* 

Schilling. 


TVT .1 t ~1 / TVT 11 1 \ 

Nordabrock (Noordbroek) . . 




' ™ 


oiardebergn (oiaaeburen) . . 


X7TTT 

. VIII. 




Wenbergum (Wagenborgen) . 


. IV. 




Methusum (Meethuizen) . . 


TT 

. V. 




Upwirdum (Opwierda) . . . 


TV 

. IX. 




ff 1 ] /ff li \ 






Dam ecclesia (Appingedam) . 


. XXVI. 
























. IV. 




Conventus in Solwert (Klooster te Solwerd). 


Watum (Hoogwatum) . . . 


. IV. 




Holwerde (Holwierda) . . . 


. vin. 










Sedes VII. in Hartzum alias Nes. 


Westerreide (Westerreide) . . 


. XIII. 


Schilling. 


Oesterreide (Oesterreide . . 


. XIII. 
















Nesse (Nesse) 


. XII. 










Maria Wer (Mariënweer) . . 


. ni. 




Tordingum (Torum) . . . 


. VIII. 




Uterapaum (Uiterpawing) • . 


. VI. 










Derzum (Ditzum) 


. X. 




Aldendorpe (Oldendorp) . . 


. VII. 






. XII. 




Caldeborch (Coldeborg) . . 


. VI. 






















Weyner (Weener) .... 


. XVIII. 




Wengramor (Wenigermoer) . 


. V. 




Poel (Palmar) 


. V. 




Bonewerda (Bundergarteny) . 


. XIII. 




Wynnamor (Winemeer?). 







Haxne (Saxum?). 
Huweghenborch (Harkenborg ?). 
Hoghebunde (Bunde). 
Holtgast (Holtgast). 



Digitized by Google 



315 

Ecclesiae vacantes aqua depost submersae omnes. 

Stagestorp (Stokdorp). 

Zentorp (Zanddorp). 

Siweteswere (Tysweer of Ewitsweer). 

Haxenewalt (Saxumerwolde ?). 

Katelmesincke (Hakkelsum ?). 

Utebert (Uiterbeerte). 

Dertsamewolt (Ditzumerwold ?). 

Wynedahaem (Wijndeham). 

Gothorne (Golthorn). 

Krytzemewalt (Kritzumerwold?). 

Kalentwalt (Harmenswolde ?). 

Bedamcwalt (Beda of hiernaar genoemd ?). 

Upwolde (Peterswolde ?) 

Oengum (Medum?) 

Stoth (Astok of vandaar Stoksterhorn ?). 
Howengahoff. 

Howengehom (Houwingeham) VI. Schilling. 

Megnlzem (Megenham). 

üpredervvalt ) (Reiderwo i de ). 
Utrederwalt ) 

Rodendebord (*) (Kappeldebeerde ?). 



(*) Dit uittreksel maakt een deel uit van het Regislrum curarum Tetre 
Frisiae Monasleriensis Diocesis ex saeculo XV, onder kindlinger's na- 
gelaten Handschriften, Tom. XLIII, p. 1—33, zich bevindende en uit- 
gegeven in druk door l. von lkdbbcr, in zijn werkje: Die Fünf Mün- 
sterschen Gaue und die Sieben Seelande Frieslands , u. s. w. Berl. 1836, 
S. 101. Verg. Vorw. Dit Register is , blijkbaar uit do achter de plaatsen 
gevoegde geldsommen , opgemaakt , om do kerkelijke opbrengsten aan het 
Bisdom daarvan aan te duiden. Wij hebben tusschen ( ) de namen , 
onder welke de plaatsen thans of anders bekend zijn , er bijgevoegd , van 
vele der laatste slechts bij gissing. 



Digitized by Google 



N°. IV 



Attestatie van den kelner van het klooster te Termunten en eenige 
bejaarde Oldambtster ingezetenen over den Dollard. 

1565. 

Wy Stadtholder end Hooftmannen der Stadt end Ommelanden 
van Groningen , van wegen des Coenincks van Spangien etc., als 
Hartouch van Brabant, Grave van Hollant, end Erffhere der 
Stadt end Ommelanden vorsr. etc. , doen kondt end bekennen , 
yn end overmidts desen openen breve , dat voer ons gekoemen 
end erschenen synt, heer thedoricüs nicolai a Gouda, Kelle- 
ner toe Grysemonchen , oldt acht end veertich jaren; lot jansen 
tho Woldendorp , oldt negen end tnegentich jaren; coert ghy- 
sens tho Woldendorp , olt tachtentich jaren ; harcke tiddes tho 
LaUeweer, olt acht end vyfftich jaren ; johan kueper toe Groe- 
termunte, olt een end tachtentich jaren; ffocke mennens tho 
Borcksweer , olt negen end veertich jaren ; melle epckens to 
Groetemunte, olt tsestich jaren; end hemme thyes toe Groeter- 
munte , olt tsoventich jaren , rechtelicken gedaget end geedet , 
hoer submitterende onsen jurisdictie, hebben op alle positien 
end articulen , hoer voergeholden , geaffirmeert end gedeponeert , 
soe hyr na volcht. In den eersten heer tüeodoricus nicolai 
vorg., syn rechter hant up syn borst preesterlycke wys gelacht, 
end syn mede benoempden upgemelt, lyfïïicken myt upgerichten 
vingeren gestavides cdes, Godt lyfflycken ten hiUigen gesworen, 
dat hoer getuegen kennelicken end bewust is, dat de Eemse, 
soe lange hem gedencken kan, tusschen Emden end Nesserlandi 
doer geloepen heit, end dat altoes een gemeen naem end faem 
by hoer olderen end voerolderen is geweest, soe lange hem ge- 
dencken mach, dat de Eemse by olde tyden daer alleen plach 
doer toe loepen, eer end voer de Dollart ingebroeken waer; 
end voerts dat de Eemse altoes, van oldts, end nu op desen 
huedygen daghe, tusschen Logum in Emderlandt end Eeyde in 
den Cleyambt gelegen, doer lopt; end seggen mede, dat altoes, 
by hoer gedencken, by hoer olderen end voerolderen een ge- 
meen naem end faem is gewest, dat de vorsr. Doüart eerst, by 
Jansem (wesende by olts een dyck, nu een deep gat in de see, 



Digitized by Google 



317 



by de Lidden toe Reyde gelegen), is ingebroeken doer gewalt 
der Eemse , end dat d' vorsr. dyck Jansem , van Reyde , voer t 
inbreeken des Dollarts, hen tot Nesserlandt streckende waer, 
schuttende de vorsr. Eemse; end zeyde de vorsr. heer thkode- 
ricüs, Keilener in hoer Convent, noch een olde Solter gevon- 
den toe worden, waerinne gescreven is, dat in het jarcj|dusent , 
twe hondert, negen end negentien, de gemelte Dollart eersten 
ingebroken is, end sulex mede toe geblycken wth ene olde taf- 
feil , daer de geschefften end accidenten des Convents in verhaelt 
staen; seggende, dat in d' vorsr. Solter mede gevonden wordt, 
dat drie Abten in de Olde Stoeve begraven leggen ; welcke plaetse 
na in t diepste van den Dollart is gelegen, beholtelicken dat 
Mïddewolder Kercke up ettelick ackerlandt van do Olde Stoeve, 
met een deel van het choer, gelegen is. Seggen voerts de voor- 
noemde deposanten, dat, soe lange hoer gedencken can, altoes 
by hoer olderen end voerolderen een gemeen naem end faem is 
gewest, dat, ten tyde van t inbreken der vorsr. Dollart, eener 
genoempt tidde winnengha. up Reyderlandt gewoent heft, seer 
ryck van goeden, end oeck een regent ofte mede regent van 
Reyderlandt, end namaels doer groete arinoet een provener in 
Palmaer geworden; de welcke, angesproken by de huyslueden 
end gemeente aldaer, om de dyeken toe maeken, ter antwordt 
gegeven heft, dat ho niet wolde dyeken, eer end voer de vloet 
een speetse hoghe over syn landt solde loepen; doer wiens ne- 
gligentie end groete schuit de dyck Jansem quaelicken bewaert 
is geweest , end vermidts dien ingebroeken een groete water (de 
Dollart genoempt) gemaeckt heft; in welcke Dollart vier en dar. 
tich grote schoene dorpen end twe Kloosters, als Menterwolde 
end Palmaer , vergaen end doer t water verdroncken syn , gelyck 
noch huyden dages toe seen end toe vernemen is; onder welcke 
vergangen dorpen een , Rey der wolde noempt , soe groet end ryck 
is geweest, datter negen styghe vrouwen waeren , de elck een 
golden span voer hoer borst hadden, daer een Groninger kroes 
nats in mochte gaen, end een, Middewolde genoempt, daer 
negen styghe steenhuesen waeren; van welcke dorpen end 
Kloesters vorsr. de dorpen Swaegh en Tysweer met Palmaer voer 
een deel noch corts in esse end in fleur syn geweest, end nu 
geheel vergaen. End seyde harcke tiddes, dat hy op Tysweer 
noch geboeren waer, end dat hy, oeck lot, COert, hemme, 
jan end melle vorschreven , de selve platsen noch wel gekent 
hadden, waervan Tysweer by lot end coert noch wal gemayt 
is geweest ; end seggen voerts , dat de gewalt van water de lan- 
den aldaer seer grotelicken vermindert, dat van alle landen, de 
in het jaere een end twintich , twe end twintich , dre end twin- 
tich end vier end twintich noch groet waeren, nu zeer weynich 



Digitized by Google 



318 



syn beholden , to weten , gelyck de Keilener vorsr. wth sekere 
olde Registers upgelesen heft, was Gi'oete mnnte van soven hon- 
dert grasen , Fimel van seshondert end vyftich grasen , Dallinge- 
weer van soven hondert grasen , Bamsum van soven hondert end 
twintich grasen, Reyde van negen hondert grasen, Lutke munie 
van vyffhondert vyfftieh grasen, elcke hondert tot ses stygen 
gerekend, alle van Tysweer na der Swaegh leggende, wtgenoe- 
men de landen van Lutke munte, waervan nü in Groete munte, 
Fimel, Daïlingeweer end Bamsum alleen sestyn hondert, soven 
end dartich grasen , end een halve , end in Lutke munte vier hon- 
dert, dre end tsoventich grasen beholden syn; end vorclaerden 
voerts upgemelte getuegen, naem end faem te syn, in anno du- 
sent, vyffhondert end soven, Gaddinge home. eerst ingeloepen 
toe wesen; end seyden coekt end lot vorsr. hoer tselve te ge- 
dencken, end mede dat de dyck aldaer dre maeil ingelacht waer, 
waer van de eerste mael in anno vyfflyn hondert end achte is 
geweest, ten welcken tyde de olde dyck seer veer in de Eemse 
lach, sonder te weten, hoe voele landes doen ter tyt buten ge- 
laten is; end konde harcke, hemme, jan end melle vorsr. van 
twemael inleggen der vorsr. dycken gedencken. End deponeer- 
den upgemelte getuegen, de anderde inbrekinge der vors. dyck 
in anno achtyn ofte negentyn ofte daer omtrent geschiet toe syn, 
sonder den tyt int tseeker toe weten toe specificeren; welcke 
getuegen doer vorsr. reden wel wetende , dat de opgemelte dyck 
nu op de darde plaetse is gelegen , op welcke plaetse de gemene 
landen , opt oesten van Reydthdeep gelegen , de selve dyck heb- 
ben helpen leggen; daar by vuegende, dat hoer noch wal ge- 
dencken mochte , dat de gemene landen , voer elcke roede op toe 
scheten, vier end twintich Philips gulden betaolden; end daer 
en boven in 't selve jare mede quaemen kaeren , sonder dat hoer 
bewust is, dat de eerste end de anderdemaell , de dyck, by 
eemants, dan by de landen, aldaer omtrent gelegen, gemaeckt 
waer; end seyden mede, dat de dyck van Oterdum tot der Munte, 
in anno dusent vyffhondert een end twintich , gedeelt , end een 
yder by grastaelen toe gelacht waer, end dat daernae, in anno 
ses end twintich, de dyck van der Munte na Fimel een yder 
oeck na grastalen toe gelecht is geweest, blyckende wider by 
de dyekbreven; end dat, in anno vyff end twintich, de nye 
sommer dyck van Fimel na der Swaghe by de vorsr. gemene 
landen gemaeckt is, end dat oeck, in anno soven ende twin- 
tich, daer na Marwycx hooft in Gaddinge home, by de selve ge- 
mene landen, geslagen is, end achtien duesent embder gulden 
gecost heft, so men over all seyde; end verclaerde coert ght- 
sens hem t selve bewust te syn , vermidts he mede over de ver- 
claringe gewest ware, seggende, dat de somme groeter waer 



Digitized by Google 



319 



een Barxgulden end een Hoernekens gulden; end dat , in t selve 
jare, de dyck van der Munte tot Reyde gemaeckt is, end dat voert* 
in anno een end dartich, de sommerdyck van Reyde, Dallingeweer 
(Cost verloren genoempt) by de selve landen gemaeckt is geweest, 
dan newarlde reet geworden , waer toe eyn yder gras een Krump- 
stert , end voirts de vierde deel van de jaertax heft gegeven , end 
dat deselve dyck daer na , in anno twe end dartich , op de gras- 
talen een yder toegedeelt is, end dat de getal der gras talen ses 
hondert negen end t seventichste halve grasen gewest hebben; 
end deponeren voerts de vorsr. getuegen, dat de darch end 
moeren omtrent een kleyn vierendel ure gaens gelegen syn van 
Gaddinge horne, wth streckende na de Stadt Groningen, end 
wider op alle kanten, end dat voerts, na gemene naeme end 
fame, d' landen van Jamem vorsr. eerst recht na Nesserlandt 
met d' vorsr. dyck geloepen hebben , ende dat daerna van Jcinsem 
een dyck gelecht is geweest tot up Tysweer, Palmaer, der Swage 
end voerts up Finsertoolde , de welcke, soe de Kei lener in des 
Convents olde Registers bevonden heft, omtrent anno dusent, 
vierhondert vier end vyfftich gelecht, doen zalige goesen van 
dulck Castelein van den Oldenampte waer, end dat de landen 
van Jansem tot Oierdum gelecht end soe verre geextendeert syn 
gewest, dat de dyck nu op de darde stede lecht, gelyck vorsr. 
is; seggende voerts hoer neet bewust to syn, dat van Reyde na 
der Swage ofte daer omtrent , na 't inbreken des Dollarts , andere 
dyeken tvoerens syn gewest, dan de op Tysweer end voerts op 
der Swaege end Finserwolde hebben geloepen, als vorsr.; seg- 
gende voerts, dat Palmaer moergront end darch plach toe syn, 
ende tuegen voerts lot, coekt, harcke, focke, jan, melle 
end hemme vorsr. hoer toe gedencken, dat, in anno dusent vyff- 
hondert achthien, negenthyn, twintich ofte daer omtrent, s onder 
het juste jaere ontholden toe hebben , dat de vloet end de ebbe 
aldaer neet gekeert worden , end dat aldaer omtrent oeck geen 
dyeken waeren, anders dan de van Reyde, up Tysweer, Palmaer, 
Swaege end up Finserwolde liep, doen wt de waerde wesende, 
de oeck geen gewalt van de vloet end ebbe wederstandt conde 
doen , sulex dat het solte water aldaer ingeloepen heft , end tot 
Wynsmer Zyl , end de andere Zylen up de oestzyde van t Rey- 
deep wtlosende , weder wth leep , end dat daer doer ten selven 
tyde de Kaenghe by d' vorsr. gemene landen gemaeckt is ge- 
weest, begunnende van Olde Munter zyl, hen ter Swage strecken- 
de; end verclaerden voorts, dat Jansema gat by Reyde seer deep 
is, end dat men anders by Reyde, Gaddinge horne, end voerts 
na der Swage, op een ebbe, wel een ofte twe roeren schoet in 
de slyck can wtgaen; end dat de slyck harde harde kley gront 
is, ende dat noch in Gaddinge horne de wegen, op een ebbe, 



Digitized by Google 



320 



gekent connen worden; seggende voerts alle diepte end gewalt 
van water onder Emderlandt toe syn , hoe wel aldaer oeck goede 
cley gront is , end dat men soe voel my t tyn gulden aen dese 
syde can dycken, als met vyfftich aan den Emder syde; daertoe 
affirmerende, dat Reyde van alle verdarff, na hoer gevolen, be- 
waert solde konnen worden, soe een goet hooft van Reyder 
kerckhoff afgeslagen worde, scheenwys in t water streckende met 
de ebbe, om de Lidden aldaer up end voer de ebbe tho be- 
scharmen, end noch een ander goet hooft, van de Lidden aff 
begunnende, end scheenwys met de vloeth wtstreckende, om de 
vorsr. Lidden voer de vloeth to beschamen, welcke twe hooff- 
den Jansema gat end diepte solde connen bevangen, end met 
lanckheit der tyt stoppen ; end deponeren voerts , dat de noert 
noert weste wynt de quaedtste up de dycken end hooffden al- 
daer is , end dat aldaer mede groete pericul is , als het wt den 
suydwesten geweyt heft, end de wint daer nae toe noerden loopt; 
seggende daar en boven , dat de darch end moer gront seer nae by 
de sommerdyck , van der Swage na Fimel streckende , is gelegen , 
end dat van daer altoes leger end quader dargh gront gevonden 
wordt, end dat, hoer bedunckens, de vorsr. dyck in Gaddinge 
hornet voerts toe Reyde, end de sommerdyck van Fimel tot der 
Swaege, op dese plaetse, daer de nu leggen , geholden sullen moe- 
ten worden , oft dat men het water toe Groningen voer de poerte 
sal moeten keren, end dat men, vermidts de dargh end moer 
gronden , geen dyck op enich plaetse dan by de Stadt , sal con- 
nen slaen ; end seggen voerts coert gtsens , harcke tiddes , 
pfocke mennes , melle epkens , hem kennelick , end wal bewust 
toe syn , dat , in anno viertich end negen joncxst vergangen , op 
den soven en twintichsten may, de egenarffden, landen hebbende 
tnsschen Reyde end de Sioage, buten de sommerdyck gelegen, 
doer mandaten van de Gedeputeerde der gemene landen gedron- 
gen syn gewest, om de landen, aldaer bueten de sommerdyck 
gelegen, toe verlaten tot proffyt der gemene landen, oft ander- 
8ins de dyck van der Munte nae Reyde, end de sommerdyck van 
Fimel na der Swage , tot ewigen dagen toe maken end toe holden , 
end na maels , met verlatinge derselver landen , daer van niet 
ontslagen toe moegen worden, dan geholden to wesen alle hoer 
goeden daer mede toe vorlaten , de oeck in andere quartieren end 
landen gelegen moegen syn; sulcx dat de egenarffden d' vorsr. 
hoer landen de gemene Deputeerden hebben upgedragen end 
toegestaen tot proffyt der gemene landen , om doer dien tot ewi- 
gen dagen van de vorsr. dycken ontslagen toe syn; welcke landen 
by de Gedeputeerden der landen in diervoegen , up t wterste van 
den eesche , syn angenomen , end by deselve tot desen huedygen 
daghe verhuert end genuttyget; end waren Deputeerden by namen 



Digitized by Google 



321 



» 



dese nabescreven personen, de Abbet, doen ter tyt ter Witte- 
werum ; Borgerraeister johan sickyngiia , focke ripperda , 

JÜRGIEN VAN MUNSTER , CHRISTOFFEL VAN EEUWSUM , EDZART 

rengers end joiian ten holten , sulcx wetende , om dat se 
ten selve tyde daer by waeren, end oeck ettelicke landen, hoer 
toe behorende , doen verlaten hebben , de noch by end van we- 
gen de gemene landen verluiert worden ; deponerende voerts , 
dat de gemene landen alleen nu de dyek van Fimel toe Rei/de t 
ende de twee deelen van den sommerdyck van Fimel na der 
Swage sullen end behoeren te maeken , vermidts dat alle ander 
dyken hoer heren hebben ; hyr mede hoer getuichnisse beslu- 
dende. Sonder argelist. Jn oerkonde der waerheit, so hebben 
wy Stadtholder end Hooftmannen upgcmelt onsen ampts Segel 
witteliek beneden an desen brieff gehangen in den jare uns 
Heren dusent , vyffhondert , vyff end 't sestich , up den negen- 
tynden dach Aprilis." (*) 



(*) Dit stuk berust in het oorspronkelijke op het Groningsch Archief, 
zijnde met boven opgegeven titel vermeld in het Register daarvan van 
h. o. feit 11 , II, bl. 287, onder N°. 89, en gedrukt te vinden bij dries- 
sen, Mon. Gron., III, 443—448. 



N°. V. 

Aanteekeningen over het ontstaan van den Dollard. 

Int yaer des menschwordinge vnses heren dusent twehundert , 
soeuen ende 't soeuentich, den XXIIIen dach decembris, vp een 
maendach tho eluen uhren, doe tatüs ende mumbodus pastoren 
waeren thoe Reyderwolda^ is een groot inbrueck van wateren ge- 
west in Vrieslandt } daer mennich dusent menschen ende beesten 
in vergaen sint , ende deselue vloeth is des anderden , darden 
ende veerden ijaers weder vernyet worden , ende alsoe de 
Oeuerhandt genomen ende den Dullert gemaeckt: 

An°. 1277. Sinnen alle Vreeslanden mit water belopen, dyt 
sehende Graue florus van Hollandt, heffl gesent in Vrieslandt 

21 



Digitized by Google 



322 



diedhick van Brederoe, de hefft Vrieslandt mit schepen ingeno- 
men, sunder enich. wederstandt, want de eene kond den an- 
der niet ontsetten , durch versumenisse ende partye , van de 
onder den dijcken gelegen waeren, konden de dijcken neet staende 
holden , ende de daer van woenden , wolden neet mede dijcken , 
so sint dusse na bescr: en karspelen en kercken, vormidts dat 
water vorgaen, ende dat ouermidts Jansumer gatt, ende dat is 
gescheen in 't jaer dusent twe hundert soeuen ende 't soeucntich 
den 13 Januarij: 

Dit sint de nabescr. Dorpen 



Stock dorp 


jxcfppeiaa uerto 


Sam dorp 


Berum ende Ocka weren twe. 


Foptsum (*) 


Reyderwolda twe karcken ende 


Thysweren 


een Canonykesie 


Aycka toeren 


Wylgan 


Soxeember wolda 


Palmaer mit een Cloester 


Winne ham 


• 

Vier panuringa 


Goldt hoern 


VJieda en Fletum twe 


Uther Beerte 


Torum 


Astock 


Houinga ham ende torpen twe 


Wtnnemeren 


Oester fynserwolda 


Dune Lee 


Bleyham ende Maggaham twe 


Ilouinga gast 


Nye ham 




Meerhuissen 




Medum 




Wymelda ham 



An<>. dusent twe hundert is dat Cloester ter Munten in den 
Olden ampte begrepen , vpt latyn Munterna genoempt, ende helft 
bij de olde stoue so genoerat, (: is een vledder in de vterdyc- 
ken , achter Wagenborgen in den Dullert , gelegen :) , een kloester 
Munterwolda vp latyn Campes sylua geheten, als nu de landen 
daeromtrent sinnen vorgaen , ende de Dullert is gekomen , \js 
dat vorlaten. An°. dusent i i i hundert min eene , ende hebben 
eick in der Munten ghegeuen. 

— Onder stondt. Copia 8. 3. 73. (t) 



(*) Dit zal Soxum moeten zijn, en het later volgende Vheda, Beda. 

(t) Dit stuk is aldus in afschrift aanwezig op het Groningsen Archief 
en op het Register daarvan aangewezen D. I , bi. 9 , onder N°. 1 van het 
jaar 1277. 



Digitized by Google 



N°. VI. 

Gelijke en andere Aanteekeningen over den Dollard, geboekt door 

J. RENGERS VAN TEN POST. 

Also is wth een mis^aelboeck ther Munten jnt kleijoldampt 
getekent gewest , vnd vp der gronninger raetskamer jn caerten 
affgebeldet, beijden noch to vnsen tijden dat anno 1277 vp ein 
maendag tho xi vren, als Ratus vnde Membrodus pastoren we- 
ren to Reiderwolda , ein groeter jnbroeck der wateren gewest 
sij jn Frieslant dardoer ettlich dusent an menschen vnd beesten 
sint vergaen , dewelcke oeck des andern , derden , vnd veerden 
jars weder verniet is. Vnde want de genen de vnder den dyc- 
ken gelegen weren, vnde deselue holden mosten hore dijcken 
tho maken geen macht hadden staende to holden offt repareren , 
de oeuerst vrie landen van dijken to maken hadden vnde dar 
wijth aff woeneden, niet helpen wolden, ist gescheen dat doer 
jansummergatt (bij dat dorp jansum tusschen reijde vnd nesser- 
lant darnu de Eemss vnde duilcrt tsamen lopt) sint vergaen alle 
dese dorpen Stockdorp, Sandtdorp, Saxum, Ewijtswcer, Aelcke- 
weer, Suxummerwolda , Wijneham, Holtharen, Vterberda, A- 
stock , "Wynemeer, Duuelte, Hammigagast, Kappellabarda , Be- 
rum, Ockweer, Wijneldeham , Reiderwolda twe kercken vndo 
een Knonckesie, Wijlthum, Palmaer mit een doester dossuluen 
naems wittewerummer orde, de Stoeff, Vtherpaijtha, Vtseda, 
Fleten, Torum, Torpen, Oesterfijnsewolda , blijham, Megen- 
ham, Meerhusen, Medum, Nieham, welcke 31- dorpen sint con- 
tinens und vast gewest an reiderlant Nesserlant vor emden langs 
an dat kleij oldampt, vnde de dijck sloet an pauwingaheein na 
ditsum tho jn reijderlant: vnde is de Dullart geworden waruan 
de grunt vp vole plaetsen noch also hoech is alse de landen 
tusschen wagenborg duerswolt vnde den dam vnde westernjwe- 
lingelant. Darna is de dijck gemaket van Reide na Siddebue- 
ren : To deser tijt was het alles water tusschen duerswolt vnde 
nortbroeck Suetbroeck, welck nu sint angeslagen landen wth 
desen vorgesc. vndergang deser dorperen. So ist oeck water 



Digitized by Google 



324 



west vorhen west tusschen winschoten vnd westerwoldingelant 
dat nu oeck alles is to kleijlande geworden. De vorsc. oert 
landes is ein herliche lant gewest van vloeken vnd hauens , want 
tho Reijde lagen 7 Sijllen , Ther Munten 5 Sijlen, tho Oterdum 
3 Sijlen dar dese landen wthwaterden. (*) 



(?) Dit ia een uittreksel uit de Kronijk van voornoemden schrijver, 
uitgegeven door Mr. u. o. feitii , als Deel I van diens werken en nldaar 
bl. 73 en 74 te vinden. 



N°. VII. 



Dijkbrief van het Oldambt. 
1441. 

Wij meene meente van oester ende wester Reijde, van fimele, 
êallijncwer , beijde munten , baemzum , woltmandorp, borc zweer , mid- 
wolde, wagenborghe, beijde broecken, medum, Ext, Scemeda, Oest- 
wolde ende finzerwolde , doen kundijch mijt dussenn ijegenwor- 
dijgen breuc dat wij hebbenn vmnie noedzakenn ende nuttijcheijt 
der dorpen vorscreuen ofte des Oldenamptes mijt vrijen wijllen 
eendrachtelijcken ghekoren ende ijcgenwordijch kesenn ende mach- 
tijch makenn eerst an wt den dorpen vorsc. den Erbaren heren 
Meister berent abt van der munthen ende doctor yn der hijl- 
lijgher scrijft, dem prouest van palmaer , den kercher van der 
merer munthen ende den casteleijn van der munthen vorsc. ende 
wt eiken dorpen dar naest ghekoren ende kesen van Oester 
Reijde vnsc kercheer her ocke ende popken tijds, van wester 
Beijde her eppen ende HUPKEN zebes, wij van merer munthen, 
fijmolen ende dallijncwer ende baemsum want wy een kerspel sijnt 
vnde representeren so hebben ghekoren ende kesen eltken ende 

FEBEN, GROET OCKEN, TIJARCK HUPPENS , HIRKA UAJJANS yn den 

dorpen vorsc. wonnachtych, wij van lesser munten des ghelykes 



Digitized by Google 



325 



her mennen, wabben vnijkens, ijunge tammen ende broder hüp- 
ken to lesterhues, wij van woltmandorp lieren wijnijken, HOEWEM 
egens ende antken , wij van borezwer lieren fecken, walrijck 
ende broder hupke to lalleiveer, wy van mijdwolde heren obben, 
tijarken menekens ende manken eppekans, wij van ivagenbor- 
ghen popken mijt vnsen kercherenn, wij van noerdbroeck heren 

GALCKEN, REMBEN GOGKIJNGHEN ende EBBEN ELLENS, wij van 

zuidbroeck heren foppen, remmeren luwerdes ende gijlke 
tijabbes, wij van medenn heren hermen ende ebelen luwer- 
des, wij van Ext heren doden, gijlken wngijngiie ende edes- 
ken herens , wij van de Schemmede heren tijalken, ijpen 
kumpijnge ende tijacken popta , wij van Oestwolde heren hup- 
ken, hemmen vbekens ende tid tammens, wij van fijnzerwolde 
heren nonnen den kelner ter golthornc, yunge obben, nunneke 
dodens ende huppen eppens ; welken vorghenoemdem ghekoren 
Rechteren loue wij meene meente van steden vnde dorpen 
vorsc to volghene ende horijch to sijn woer sij heten vns to 
dijken of van dijkenn wegen ende wes sij vns heten doen yn 
wat manyren dar an rorende ijs ende tot allen tyden dar to 
bereijt to wesen ende waert dat sij vorghenoemden Rechters 
twijspandijch waren off worden off yn parten vullen so wyllen 
wij vnde louen dat wij mijtter ganzen meenten eendrachtelyck 
den mesten pardt to volghene Hijr ijs vort to ghesprokcnn ende 
to staenn den vorghenoemden dat dij vorghenoemden Rechters 
moghen wt setten off de meeste pardt of sij vnder sijck yemant 
haddenn de yn dese dijnghen vorsc. nyet nutte of vnredelyck 
weer ende machtijch wess een ander to kesenn vnder sijck wt 
steden ende dorpenn dar de ander wonachtich ynne was Ende 
des ghelijkes salt oeck wesen of der vorghenoemder enijch 
storue of ofliuich worde of van de ene stede tot der anderen 
voren, vort meer so loue wij meene meente vors. dat wij wijl- 
len ende zullen bijstandych wesen ende hulpelijck den vors. 
rechteren of den mesten parte derenn ouerherijnge of den on- 
wylhjgen to bedinngen vanneer dese vors. rechters ynt ghemeen 
of de meeste parte anbrenghende of van vns begheren Vort so 
hebbe wij meene meente bij rade der vorghenoemder rechteren 
ouerdraghenn dat alle schelynghe sakenn sullen staen vnghecla- 
ghet ende vngherechtet ende yewelyck myt syn rechte beholden 
een yewelyck syns rechs beholdenn also langhe als dat dijck- 
werek durende ys vp dat al man vrij vnde vclych mach wesen 
vp den werke vrij vnd velijch to hues gaen moghen vnde varen 
to water vnde to lande bij dache vnde nachte ende velych yn 
ende bij sijn hues moghen wesen ende vp allen steden Ende 
waert sake dat yemant dessen vrede cude vrijheijt enijcherleije 
wys ynbrake hemelijck of openbaer de pene to therijnghe der 



Digitized by Google 



326 

vorsc. rechteren ende des gheneege de mijsdaen ys zullen de 
vorsc. rechteren cleyn setten na den dat de mijsdaet groet of 
cleijn ijs Ende ghelijkes salt ock van den rechteren wesen yn 
wat maniren dat hem misdaen worde alst vorsc ys Item weert 
sake dat de vorsc. meeste part enich articulen of punten vonden 
de to des vorsc. zaken droghen of bchulpelijck enijcher wijs 
waren de hijr nijet staen ynghesc. de wijlle wy holden ghely- 
kervvijs of sij van vns waren gheset Des vorsc. punten ynt ghe- 
meen ende yewelijck bysunderlynghe loue wy meene meente 
Blinder alle arghelijst of nije vonde to holdene tot ewyken tijden 
dat wij ouerherijch sijnt of yemant vt vnser meente ouerherijch 
ys bij eenre pene twijntijch rijnsche gl. to behof ende nutticheit 
der vorghenoemder rechteren In orkunde des vorsc. waerheijt 
80 hebben wij meene meente van dorpen vorsc. vns kercheren 
zeghelen een yewelijck dorp sijn kercher an des breef laten 
hanghen Wij kercheren vorghenoempt een yewelijck vmme bede 
wijllen onser meenten hebben vnse zeghelen an dessen breef ghe- 
hanghen. Int yaer vnses heren dusent vierhundert ende een ende 
vertijch ipso die Juliane virginis. (*) 



(*) Dit stuk is in afschrift aanwezig op het Groningsch Archief en op 
FErras liegisler daarvan vermeld, D.I, bi. 96 , N°. 6 van het jaar 1441, 
onder den titel: Overeenkomst en verdrag van de beide Oldambten enz. 
betreffende de dijken. 



Digitized by Google 



No. VIII. 



Verdeeling van de goederen van het klooster Palmar iusschen 
die van Wittewierum en Docfaim. 

1447. 

Frater Thymannus electus abbas , prior , ccteriquc conventuales 
in werum ord. prem. monast. dyoc. Univcrsis & singulis presen- 
cia visuris seu audituris cupimus fore notum protestando publice. 
Quod nos, matura deliberacionc pre via infra seripta, fecimus 
& ordinavimus bonorum conventus de palmaer alias porta maior, 
dicti ordinis dicteque dyoc. divisionem cum venerabili in Christo 
patre , dno Wilhelmo abbate cum suis conventualibus apud sanc- 
turn bonifacium in dockum dicti ordiuis, Traject, dyoc. videlicct 
primo , quod nos conventuale3 in premissa werum alias florido 
orto perpetuis temporibus tenere ac libere valeamus ad nostrum 
libitum possidere conventum in dicta palmaer cum omnibus suis 
prediisj nee non grangias in clay werum & fynserewolda cum 
suis attinenciis , excepta tarnen grangia de bonenborch , parochie 
in groethusum, quam conventuales de dockum cum suis attinen- 
ciis libere retinebunt ac perpetuis temporibus possidere valebunt 
sine nostra contradictione. Item responsuri capitulo nostro ge» 
nerali de talliis seu collectis , omnes aggeres juxta conventum 
• dictum pallamaer qui ad ipsum dinoscuntur spectare, in esse 
conservabimus & qui super inundacionem aquarum fracti fue- 
rint, sine auxilio conventus in dockum reparabimus ac reparari 
procurabimus , quousque ante dicto conventu in pallamaer cum 
suis grangiis antedictis usi fuerimus. Item nos conventuales de 
werum conversum Galconem ac sorores infra scriptas , vid. Tya- 
dam , renzekam, deddam, Tyaldam & lammekam, in victu & 
vestitu tenebimus ac perpetuo sustentabimus , quousque degant 
in humanis. Ceteros vero conventuales vid. dnum folkerum, 
qui dno Wilhelmo, abbati in dockum, publice coram conventu 
suo, manualem promisit obedienciam, ac sororem ettam cum 
suis sororibus omnibus carnalibus, una cum ceteris utriusque 
sexus conventualibus, de quibus superius non est mensio facta, 



Digitized by Google 



328 



prefatus venerab. dnua Abbas in dockum ad suam obedienciam 
suuraque collegium in dockum recipit & recepit, promittens eis 
de conscnsu suorum conventualium de victu & vestitu suisque 
necessariis, sine dampno eonventus in werum & pallamaer, 
quousque in hoe seculo vitam duxerint. perinde hic annectitur 
seu additur, in casu, quo cenobium de pallamaer ante dictum 
de mandato capituli nostri generalis oportuit reformari & de 
preposito & speciali prelato provideri, prout dudum fuerat, 
aggeribus per terram reydensem versus silvam reparatis vel 
restauratis, ex tune omnes premisse grangie, redditus & pro- 
ventus ad dictam pallamaer redibunt, ac libere ad eius usum 
remanebunt, 6icuti ante antedictam divisionem extiterant. Et 
hoe prefatus venerab. dnus Abbas & conventuales in dicta do- 
ckum & sui successores prefatuni monasterium in pallamaer cum 
omnibus suis attinenciis, propter allodium in bonenborch nobis 
& nostris successoribus perpetuis temporibus libere assignarunt 
& resignarunt, atque bis presentibus assignant & resignant, 
dolo , fraude & nova invencione seclusis quibuscunque. In fidem 
premissorum sigilluni nostrum conventuale, una cum sigillo 
abbaciali presentibus duximus appendi. Datum ao dni raccccxlvij , 
octava epiphanie dni. (*) 

Vertaling van voorgaand stuk. 

Wij broeder thymannus , gekoren Abt , Prior en overige con- 
ventualen te Werum van de Premonatreiter orde en in het Bis- 
dom Munster ) doen kond en openbaar aan allen en een iegelijk , 
wie dit zullen zien en hooren , hoe wij , na rijp overleg , hebben 
gemaakt en bepaald eene verdeeling van de goederen van het 
klooster van Palmaer , anders geheeten Porta major , van gezegde 
orde en Bisdom, met den eerwaarden Vader in Christus, den 
heer willem Abt en zijne conventualen van het St» Bonifacius 
klooster te Dockum van gezegde orde in het Sticht Utrecht , in 
diervoege: Ten eerste mogen wij conventualen in Werum , an- 
ders genoemd floridus Hortus, voor altijd hebben en vrij naar 
onzen wil bezitten het klooster in gezegde plaats Palmaer met al 
zyne landerijen, alsook de voorwerken te Claywerum en Fynse- 
rewolda met derzelver aanhoorigheden , uitgezonderd het voor- 
werk te Bonenborch , in het kerspel Groethusum , hetwelk de 



(*) Dit stak is naar een afschrift in het Archief tc Aurich gedrukt , 
in het meergenoemde werk van 11. buur, Geschichte der ehemaligen Klöster 
in der Provinz Ostfriesland , onder Beil. X, S. 169. Wij laten er voor 
do onbekenden met de latijnsche taal cene vertaling van volgen. 



Digitized by Google 



• 



329 

kloosterlieden van Docfom met zijn toebehooren vry zullen behou- 
den en vermogen eeuwig te bezitten , zonder tegenspraak van ons. 
2°. Met verantwoording aan ons algemeen Kapittel van de op- 
brengsten of ontvangsten, zullen wij al de dijken bij het gezegde 
klooster Pallamaer , die tot hetzelve blijken te behooren, in stand 
houden en die er wegens watervloed mogten verbroken worden, 
zonder hulp van het klooster te Dockum herstellen of laten her- 
stellen, zoo als wij tot dus verre dat klooster te Pallamaer met 
zyne voornoemde voorwerken in gebruik hebben gehad. 3°. Wy 
kloosterlingen te Werum zullen den lekebroeder galco en de 
lekezusters, met name ttada, renzeka, dedda, tyalda en 
lammeka , onderhouden voor altijd , zoo lang zy leven , met 
voedsel en kleeding. De overige conventualen echter , met name 
heer folkeb , welke aan den heer willem , Abt te Dockum , 
openlijk ten overstaan van zijn convent, met de hand gehoor- 
zaamheid heeft beloofd , en zijne zuster etta met al zyne vleesche- 
lijke zusters, alsook de overige conventualen van beider kunne 
van wie boven niet is gewaagd , ontvangt en heeft ontvangen 
de voornoemde eerwaarde heer Abt te Dockum onder zijne gehoor- 
zaamheid en zyn kollegie te Dockum , belovende hun met toe- 
stemming van zijne conventualen zoolang zij leven van voedsel en 
kleeding en al het noodwendige te voorzien , zonder kosten van het 
convent te Werum en Pallamaer» Voorts wordt hier bijgevoegd, 
dat, ingevalle het meergemelde klooster van Pallamaer op bevel 
van ons algemeen Kapittel moest worden hersteld en van een 
Proost en eigen Prelaat voorzien, zooals het lang was geweest, 
indien de dijken door Reiderland naar het Wold [oldambt] mog- 
ten worden hersteld of hernieuwd, alsdan al de voornoemde 
voorwerken, opkomsten en baten terug zullen keeren tot Palla- 
maer voornoemd en vrij tot gebruik daarvan zullen blijven , even 
als zij voor gezegde verdeeling hebben bestaan. En zoo hebben 
voornoemde eerwaarde Abt en kloosterlingen te Dockum en 
hunne opvolgers meergemeld klooster te Pallamaer met alle zijne 
aanhoorigheden , tegen het landgoed te Bonenborch aan ons en 
onze opvolgers voor eeuwig vry toe- en afgestaan en staan bij 
dezen zulks toe en af, zonder eenig arglist, bedrog of nieuwe 
vonden. Tot oorkonde van het voorgaande hebben wy ons 
kloosterzegel, benevens het abtenzegel aan dit stuk doen hech- 
ten. Gegeven in het jaar onzes Heeren 1447, den 13 January. 



Digitized by Google 



N°. IX 



Verdrag tusschen Groningen en Ommelanden ter eene, en het 
Oldambt ter andere zijde , over het maken en onderhouden 
der Reiderdijken , tusschen Palmar en Finserwolde. 

1454. 

Wy Borgermester ende Raed in Groningen betugen mit dessen 
openen breue dat wy vennyds den vulmachtigen vanden lande 
ende onsz wegen daer to ghenoget ende gheramet, als gosbn 

VAN DÜLCK , VLOER VAN NORTDIJK, CLAWES TEN BRUGGEN, LO- 

dewich hoernking kastelleijn , johan rengers ende EGGERCK 
ripperda andie ene zyd, Hoefftiingen rechteren ende ghemene 
meente van Oldeampt vermijds oeren vulmachtigen daerto ghe- 
ramet van oeres ghemenes landes wegen, alze aijlcko wijn- 
gen, HEMMO VBEKEN, TANCKO OMCKEN, FEBO TOPTEN, DODO TD> 
DINGA, HOMMO TIJACKE , TIJACKO POPTEN, REMKO LIJWERDES, 

memod to Zuudbroke ende edzo lijndekens andie ander zijt, 
Hebben mit consente wulborde ende bywesen der Ersamen he- 
ren ende praelaten Abte van der munten, abte van werum, proueste 
van hüligherlee , Commendares van Osterwemm ende Golthorne, 
lieffliken ende vrentliken mit malckanderen begrepen verdragen 
ende eendrachtliken besloten van dije Reijder dijken tusschen 
palmaer ende finserwolde (*) te make te eyndigen ende staende 
te holden in dusdane vorwarden ende maneren hijr na bescre- 
uen Int eerste dat een yewlick persone gheestlyck ofte warlick 
sal syn lant bescriuen laten dat tusschen palmaer oflfle kadijken 
ende ffinserwolde is ghelegen ende mijt den nijen dyck gewon- 
nen mach worden vp zeker tijde ende steden alss dat ghekun- 
diget sal worden in ons mande landen tot eiker kercke drye 
Ende welck persone syn land dan nicht laet bescriuen vp soda- 
nige tyde ende stede als daer van gheramet ende ghekundiget 
worden die en sal gheen ansprake beth hebben vp dat land tot 
ewijgen dagen. Item weert sake dat yemant in dessen vorss* 
lande land ansprake meer dan hie ofte sie mocht bewijsen mit 



(*) Deze en gene op de volgende bladzijde cursief gedrukte plaats 
ztfn beide ook in het oorspronkelijke anders dan bet overige geschreven. 



Digitized by Google 



331 



breue oft gude tuge ende des namales bevunden worde dat ho 
so veel nicht hadde als he liadde scriven laten de sal broken 
hebben van clcken dcijmad enen olden schilt des he to onrechte 
ende to veel heuet scriuen laten, Item weert sake dat yenich 
land ouer bleue vnbescreuen dat land sal vervallen wesen des Stadt 
ende lande Item so wanneer de dijck vullenmaket is ende 
ghesloten so sal een yewlick de sijn land bescriuen heuet laten 
geuen van elcken deijmad enen haluen Rinsk. gulden off den 
derdendeel des landes dat hee bescriuen heuet laten tot behoeff 
der stad ende lande hoer vnkost hoer vrende hoer hulpe van 
palen van vlaken ende anders dat dacr vp gaen mach, Ende 
dit sal en jewlick inseggen wacr he land oft ghelt wil gheuen 
so wanneer he sijn land bescriuen lat ende kundiget wort alss 
vorss. is bij eenre van teijn olde schilden Item voert so solen 
dess vorss. persone vulmachtich wesen to ordineren den nijen 
dijck to deelen ende staen to holden, wo veel dijkes dat nije 
land sal holden ende wo veel de kadijck in beijden sijden mede 
solen dijken ende holden to den nyen dijck Item weert sake 
dat die nije dyck begond worde ende nicht mochte van node 
worden gheendighet, dat god moto voorzeen, ende daer vnkost 
ende vnwelt van daen waer van teringe ende wtlegede goet dat 
solen wij van Oldampten ende de ghene de mit vns ghelandet 
sint ende hoer land bescriuen hebben laten betalen de twedeel 
ende de stad ende lande den derdendeel Voert meer wes kun- 
dinge ende bedinge stad ende lande doen mit malckanderen van 
dyken off dammen of ene bevredinge dat solen sie vulmachtich 
wesen na wtwijsinge des nijen rechtes ende alle vechtinghe won- 
dinge leemte ende doetdeel dat mogen sie berichten ende wt- 
winnen to wil dat sie reijsen wt ende to hues, welckeer wj 
samentlike stereken to holden sunder al argclist ende nije vonde 
In vrkunde ende beuestnisse dess. vorss. punte So hebben wij 
onss stad seghel an dit breeff ghehangen, Ghelyck wij van Oldr 
ampt vorss onss ghemenen landes zeghel mede hijr an hebben 
ghehangen ende om groter tuchnisse waerheit ende tolaet ende 
bijwesen so sinnen der praelaten hoer Conuents seghele vorss. 
mede hijr an ghehangen Int Jar vnss heren m°cccc° ende vier 
ende vijfftich des maendages na Cantate. 

Concordat prs copia cum suo collata authentico vnico 
ciuitatis firmato sigillo. per me Nok pub: ac S. Groning. 

ALTING 

1. 11. 54.(*) 

(*) Dit verdrag is hier gedrukt naar het aldus onderteekende afschrift , 
voorhanden op het Archief van Groningen cn voorkomende op het meer- 
gemelde Register daarvan, D. I, bl. 12U, N°. 5 des j. 1454. 



Digitized by Google 



VERBETERINGEN. 



Bladz. 39 in het midden: Stootshorn onder Noordbroek bestaat 

nog heden. 

„ 71 reg. 5 van bov. staat: weder lees: verder 

„ 82 „ 15 „ „ „ Zijlmeesterschap „Zijlvester schap 
» 86 „ 16 „ „ „ 1452 „ 1542 

„ 104 „ 10 „ ond. „ Bij Heiligerlee bleef de Dollard 

tegen den hoogen leemwal aan- 
spoelen , lees : Bij Westerlee 
bleef de Dollard tegen den hoo- 
gen leemwal van de Oostergast 
aanspoelen. 



II 


181 


in de noot (142) reg. 3 


van bov. stactf: 


1836 to:1636. 


1» 


182 


reg. 


4 van ond. 


staat: 


in 


lees: by. 


11 


147 


»> 


2 


» 


bov. 


n 


12888 


» 


12886. 


11 


»» 


i> 


5 






»> 


41995 


n 


41993. 


11 


149 Aant. (166) 




n 


11 Maart 1666 


u 


8 Mei 1666. 


11 


158 


reg. 


3 van ond. 


»> 


20.64 


» 


20.65. 


11 


171 


» 


1 


>» 


» 


»> 


1474.17.50 




1480.17.50. 


1» 


»> 


»» 


n 


*» 




» 


11411.61.30 


» 


11405.61.30. 


11 


» 


»> 


2 


»» 






334.76.30 




340.76.30. 


1> 


n 


» 


»> 


» 


» 




2999.23.70 




2293.23.70. 


M 


172 




11 


» 


»> 




35.49.75 


» 


35.61.75. 


n 


n 


» 


12 


t> 


»> 




6.69.50 


II 


6.81.50. 


11 


173 


tt 


7 


»> 


bov. 


» 


6.7 


II 


6.8. 


'J 


n 


11 


15 


»> 


ond. 




35 B. 49 R.75 E. 


„35B.61R.75E. 


1» 


177 


tj 


2 tot 


reg. 16 van 


ond. moet staan: 





De bezitters van gronden onder Finserwolde hebben echter 
de Beertster moe, die van de Bellingewolder moe tot aan het 
Munnekeveen als scheiding met deze tusschen de Gemeente 
Beerta en Finserwolde is aangenomen, niet als scheiding tus- 
schen hunne slijkgronden en die van de stad Groningen wil- 
len erkennen en wy meenen wel te weten dat het geschil , 't welk 
hierover is ontstaan, bij minnelijke schikking is uit den weg 
geruimd. De scheiding tusschen de slijkgronden onder Finser- 



Digitized by Google 



333 



wolde en van de stad Groningen onder de Beerta is op de vol- 
gende wijze bepaald : men heeft de stadszwette achter- en voor- 
waarts verlengd en eene lijn van de Beertster zijl op het huisje , 
dat op Reide staat, aangetrokken en deze ook achterwaarts 
doorgetrokken, tot dat zij de rugwaarts verlengde stadzwette 
doorsneed. Uit dit snijdpunt is eene lijn in den Dollard op- 
getrokken, die den hoek van de evengenoemde lijnen midden 
doordeelt, en van den kap van den dijk af aan is 2000 el ver 
deze laatste lijn voor de scheiding tusschen de even vermelde 
shjkgronden aangenomen; dan is die scheiding de lijn , die regt- 
hoekig uit het punt op 2000 el afstand van den dijk gelegen wordt 
getrokken tot aan het punt, waar zij de straks beschrevene lijn, 
die op Reide aanloopt, snijdt, en daarna volgt de scheiding 
de lijn, die op Reide is gerigt. 

Bladz. 186 reg. 14 van bov. staat: rijswerk lees: rijswerk of 

kweldergras en sultestokken. 





198 


» 


3 


n 


ii 


ii 


scheiden lees: scheidt. 




221 




2 


ii 


ii 


ii 


verbreiding „ verbreeding. 


11 


» 




8 


ii 


ond. 


ii 


zoodauig „ zoodanige. 


» 


224 




14 


ii 


bov. 


ii 


slykgoten „ meetjes. 


» 


233 




16 


ii 


ond. 


ii 


goten „ gaten. 


11 


237 




15 


ii 


bov. 


ii 


voor „ van. 


11 


240 




23 


ii 




ii 


Vroeger werd wel eens des na 



jaars de Suite gesneden, lees: 
Vroeger werd wel eens des na- 
jaars in September, omdat 
later daarvoor minder geschikt 
is, de Suite gesneden. 



„ 240 „ 3 van ond. in de Aanteek. staat: dat vooral in 

het Kuiper , lees : dat vooral in de Schel- 
penkalk en ook in het Kuiper. 
„ 247 „ 17 „ „ staat: Sehierlings (Anas anser ferus), lees: 

Schierlings (Anser segetum). 
„ „ „ 16 „ „ staat: Weenkies (Anser segetum) , lees: 

Weenkies (Anas anser ferm), 
„ 255. De Stommel is Gammarus locustra LEA.cn, de Botweide 
Corophium longicorne. Zie J. v. D. hoeven , Handb. 
van de Dierkunde, I, 759, 2de uitg. Deze Schryver 
is zoo vriendelijk geweest ons met de systhema- 
tische namen dezer diertjes beter bekend te maken. 
„ 263 reg. 21 van ond. staat: het zomerweer lees: heet 

zomerweer. 

„ 302 „ 18 „ bov. staat: maar zij zijn lichter, lees: 

maar zij zijn minder rood of bruin. 
„ 314 „ 13 „ „ staat: Solwerd, Ues: Felwerd. 



Digitized by Google 



Bij 3. OOMKENS. .1. Zoon ia mede uitgegeven: 

G. A. VENEMA, 

OVER 

HET D 1 L E W 

VAN DE 

NOORDELIJKE KUSTSTREKEN VAN ONS LAND. 

Met eene uitslaande Plaat, a ƒ 0-60. 

OVER 

DE BALANS M Ml Wl». 

Met drie uitslaande Platen, è, ƒ 3-60. 



OVER HET 



ETEN EN WEGEN 



VAN 

GRANEN , ZADEN EN ANDERE ZELFSTANDIGHEDEN. 
Met een uitslaand Plaatje, & ƒ 0-75. 
Een onmisbaar Handboekje voor Kooplieden en Landbouwers. 

J. H. JAPPÉ, 

VAN DE 

PROVINCIE GRONINGEN, 

HET EEN GEDEELTE VAN DE 

PROVINCIËN FRIESLAND EN DRENTHE. 

In vier bladen, op dubbel-atlas velin papier, a f 14-00. 
Op katoen geplakt, met stokken en knoppen, a - 18-00. 

Mr. T. BECKERING, 

KAART ©F tAUBTAFESEEi 

DER 

PR.OVIXTCXE CnOSTXlTGEXT EXT OMMfflLATOBff , 

VERDEELD IN DES ZELFS BIJZONDERE 

KWARTIEREN, DISTRICTEN en VOORNAME JURISDICTIËN, 

BENEVENS DE 

HEERLIJKHEID WESTERWOLDE. 

In vier bladen , atlas-formaat a ƒ 8-00. 

Op katoen geplakt, met stokken en knoppen, a - 12-00. 



Digitized by 



I! 



r 



[ j | D igitized 



I 

I 



I 
I 

I 

I 

I 
I 



I 



I 

I 
I 
I 

I 

I 

I 
I 

» 

I 

I 

! 

« 
i 

i 
I 

I 

! 

! 
i 



I 






T »• i» k i' n r n . 
^ r «v» « «* Jn< 6 cm een id>m 

Larrctf I » " „ . . 

v „ Iroiiinrte 




Kleiqvond . 
ï.antiqrond , ai Leem . 
/ £* Laaa Veen . ( ook- iïaiyj/fi'orirfJ 

^/ Hcofl i'evn .(na/, otrr/rttnen J 

JL 




larvAn 



. Schierbeek 



Diaitized bv CjOüqIg 





Digitized by Google 




Oh 



t 



» 



9 



9 



Digitized by Google